De scheiding tussen kerk en staat

Het thema van de verhouding tussen kerk en staat was de laatste jaren in ons land wat op de achtergrond geraakt. Gelovigen legden zich neer bij de gestaag afkalvende macht van de katholieke kerk en de christen-democratie. Niet-gelovigen van hun kant aanvaardden min of meer het status-quo.

De machtsverdeling tussen het wereldlijke en het geestelijke was misschien niet ideaal, maar aan de historisch moeizaam bereikte compromissen in gevoelige dossiers als het onderwijs, wou men niet direct raken, zelfs niet toen voor het eerst een volstrekt niet-confessionele regering aan de macht kwam. De kwestie werd de laatste jaren echter opnieuw een hot issue. Ditmaal gaat het niet meer om het christendom maar om de islam.

Mislukte integratie en religieuze revival

Men kan er niet omheen en de meeste gezagsdragers erkennen het ook: de integratiepolitiek is mislukt. Die politiek was trouwens nooit bedoeld om van de migranten volwaardige burgers te maken. In feite ging het om een assimilatiepolitiek en het creëren van een onderlaag bij de arbeidende bevolking in functie van de economische noden na de Tweede Wereldoorlog. (Zie kader.) Die assimilatie viseert vooral de cultuur. Als je dan weet dan bij moslims – meer dan bij christenen – de religie een heel centrale plaats inneemt in de cultuur, dan is die assimilatie in de eerste plaats gericht tegen de godsdienst. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat als reactie daartegen jonge, zelfbewuste allochtonen hun ontvoogding aan religieuze identiteit zijn gaan verbinden. Ze ijveren o.a. voor moslimscholen, stimuleren het dragen van de religieuze hoofddoek en zien de sharia als een mogelijke basis om politiek te bedrijven. Dat gebeurt tegen de achtergrond van een opleving van de politieke Islam: Iran, Algerije, Afghanistan, Pakistan, Palestina, Tsjetsjenië, Indonesië, de Filippijnen, … en van de aanslagen van 11 september.

In die context botst de religieuze affirmatie van deze prille emancipatiebeweging bij de meeste commentatoren op een onverbiddelijk njet, met als centraal argument de scheiding tussen kerk en staat. Deze scheiding is naast die tussen de drie machten, een noodzakelijke voorwaarde voor de uitbouw van een moderne, democratische rechtsstaat. Dat is een definitieve verworvenheid, daar kan niet aan getornd worden.

 

Integratie

Er is nooit een serieus integratiebeleid geweest, dat is bovendien nooit de bedoeling geweest. Het is voor een kapitalistische samenleving zeer functioneel om een etnische onderlaag te bezitten. Die drukken de lonen naar beneden en het is handig om de autochtone werkende bevolking tegen hen uit te spelen d.m.v. racisme. Er zijn natuurlijk wel enkele ‘migranten’ gepromoveerd tot volwaardige Belg, sommigen hebben het zelfs tot politicus geschopt. Dat doet onvermijdelijk denken aan de ‘evolués’ in Belgisch Congo. Er is ook een hele welzijnsstrategie gelanceerd om het probleem te ‘bedwingen’. In het kader van het ‘early warning system’ worden migrantencentra ingeschakeld als politieantenne binnen de allochtone bevolking. Allerhande activiteiten van jeugdhuizen en andere socio-culturele organisaties moeten voorkomen dat de discriminatie en het ongenoegen zich vertaalt naar maatschappelijk verzet. Jeugdhuizen of andere centra die niet in de pas lopen dreigen hun subsidies te verliezen.
Integratie is in de eerste plaats een kwestie van koopkracht, de rest is bijkomstig. Een fundamentalistische sjeik, een volbloed Japanse manager, een begoede orthodoxe Israëliër heeft geen integratieprobleem. Een Belg uit de vierde wereld heeft daar wel problemen mee.

Een belangrijk symbooldossier is de hoofddoek. Na maanden maatschappelijk debat werd in Frankrijk besloten om zichtbare religieuze symbolen te verbieden in de openbare scholen. Vandaag gaan in België in de Parti Socialiste en in de VLD gelijkaardige stemmen op. Ook al slaat het verbod op alle religies, toch is het duidelijk dat de islam en meer bepaald de hoofddoeken, hier geviseerd worden. Men wil de heropleving van de islamitische godsdienst tegengaan en de groeiende militantie van een nieuwe generatie migranten aan banden leggen. Op wereldschaal zien we een gelijkaardig fenomeen. De ‘war on terror’ is in de eerste plaats gericht tegen de islam. Die weerbarstige godsdienst (zowat alle godsdiensten hebben zich ofwel geassimileerd met het kapitalisme of staan er ofwel neutraal tegenover)(1) moet getemd worden, of volgens het officieel taalgebruik ‘gemoderniseerd’ worden.

Een problematische formulering

Terug naar ons onderwerp. In principe lijkt het correct om in een rechtsstaat de kerk weg te houden van de staatszaken. Maar in de praktijk stoot men al gauw op heel wat moeilijkheden. Wat wordt precies bedoeld met de scheiding tussen kerk en staat? Letterlijk betekent het dat de kerk en de staat elk een eigen, gescheiden domein hebben waarin ze elkaar wederzijds respecteren. De staat is er voor alle inwoners en is verantwoordelijk voor alle publieke aangelegenheden. De kerk is er voor de gelovigen en beperkt zich tot de geloofszaken. De kerk trekt zich m.a.w. terug uit alle staatsaangelegenheden en houdt zich enkel nog bezig met het organiseren van het geloof van de eigen achterban. Bijgevolg geen joodse scholen of katholieke ziekenhuizen, geen priesters met een politiek mandaat, geen Te Deum, enz. Frankrijk voldoet min of meer aan die realiteit, maar België geenszins.

Het wordt nog moeilijker als in een godsdienst niet echt sprake is van een geïnstitutionaliseerde kerk.(2) Dat is het geval bij het jodendom of de islam, althans bij het soennitische gedeelte ervan (ongeveer 90% van de moslims). In Israël hangt het volwaardig burgerschap af van het al of niet jood zijn en is de nationaliteit rechtstreeks verbonden met de religie. In Saoedi-Arabië is er geen ‘burgerlijke’ grondwet, de sharia doet daarvoor dienst. Het zijn praktijken die in onze ogen op weinig begrip kunnen rekenen, nochtans is er in beide landen strikt genomen een scheiding tussen kerk en staat. De formulering ‘scheiding tussen kerk en staat’ is derhalve verwarrend en niet echt bruikbaar: een echte scheiding is niet zo evident en ‘kerk’, begrepen als hiërarchisch instituut, is voornamelijk op het katholicisme van toepassing en veel minder op de andere religies. De kwestie gaat dus niet zozeer over de scheiding tussen kerk en staat, maar eerder over een gezonde en evenwichtige verhouding tussen religie en politiek, tussen godsdienst en staat.

Een terugblik in het verleden

Naast een correcte formulering is een terugblik in het verleden ook nuttig voor een beter begrip van de problematiek. De plaats van de godsdienst in de West-Europese samenleving is het resultaat van een eeuwenlange strijd tussen twee machten: de kerkelijke en de wereldlijke. Gedurende eeuwen was de Rooms-katholieke kerk niet alleen een strak hiërarchisch instituut, daarnaast had ze ook politieke, economische en militaire ambities. Deze kerk was een staat in de staat met een groot rechtstreeks impact op de benoeming van de wereldlijke vorsten. Op het toppunt van haar macht, in het begin van de dertiende eeuw, was de kerk van Rome een grote financiële macht, gekenmerkt door reusachtig grondbezit. Ze had in West-Europa nagenoeg het monopolie over gezondheid, onderwijs en armenzorg. Sommige kloosterordes kon men beschouwen als transnationale productie-eenheden. Zij hadden gedurende lange tijd het monopolie op een aantal sectoren van de ontluikende nijverheid. Op diplomatiek vlak was de katholieke kerk het dominante en actiefste centrum van Europa. Onder haar impuls werden reusachtige militaire operaties (kruistochten of heilige oorlogen) uitgevoerd tegen moslims en ketters.

De verregaande machtsaanspraken van Rome zijn een vrij uniek historisch fenomeen. De meeste andere godsdienstige instituten moesten zich vaak tevreden stellen met een fractie van de katholieke macht. Bij de orthodoxe, Anglicaanse en andere protestantse kerken was de geestelijke macht steeds volledig onderworpen aan de wereldlijke. In de katholieke kerk speelde de klerikale hiërarchie de bemiddelende rol tussen God en mens. In de andere genoemde godsdiensten werd die rol vervangen door de lezing van de bijbel of door de inwerking van de geest. Deze instituten hebben dan ook nooit een vooraanstaande politieke rol gespeeld. Bij joden en moslims is al van enige klerikale macht helemaal geen sprake vermits beide religies nooit een echt kerkelijke instituut in het leven hebben geroepen.

De Roomse kerk was een op en top feodaal instituut. Haar heerschappij berustte op de feodale instellingen, waarmee ze sterk vervlochten was. Toen die verbrokkelden kwam ook haar machtspositie in gevaar. Rome deed dan ook alles om de nieuwe, burgerlijke maatschappij tegen te houden. Alle ‘nieuwe dingen’ (Rerum Novarum) werden met zeer veel argwaan bekeken en heftig bevochten. Dat was niet alleen het geval met de wetenschappen. Na de Franse Revolutie verwierp de paus de rechten van de mens en het gelijkheidsbeginsel. Later speelde Rome een vergelijkbare reactionaire rol in de Spaanse burgeroorlog, in de Cubaanse en Nicaraguaanse revolutie, enz.

De noodzakelijke scheiding … in de katholieke gebieden

Vanuit dat gegeven was en is de scheiding tussen kerk en staat op ons continent een noodzakelijke voorwaarde om een burgerlijke rechtsstaat uit te bouwen. De kerk was de te nemen hindernis voor een nieuwe, progressieve maatschappijstructuur. Het probleem met de kerk was niet alleen en niet zozeer een ‘scheiding’ met de staat, dan wel het aan banden leggen van de overtrokken macht van het instituut. De secularisatie(3) was in West-Europa in de eerste plaats een machtsvraagstuk en slechts in tweede instantie een ideeënstrijd. Je kan het ook anders formuleren. Omdat de macht van de kerk in West-Europa zo groot was, was het verzet ertegen navenant en werd de secularisatie er veel verder doorgevoerd dan elders, de VS is daar een zeer duidelijk voorbeeld van. Een verregaande ontkerkelijking, op alle vlakken, was bij ons noodzakelijk om de weg te effenen voor de nieuwe maatschappelijke dynamieken. De scheiding tussen kerk en staat was een historische correctie op een scheef gegroeide situatie. Deze correctie was geen gemakkelijke bevalling en heeft bijna zes eeuwen in beslag genomen: van het begin van de dertiende eeuw tot het einde van de achttiende eeuw.

Bij andere godsdiensten lag en ligt dat helemaal anders. Omwille van de geringe maatschappelijke macht zijn de kerken er geen echte hinderpaal voor politieke evoluties. Ze vormen ten hoogste een stimulans of zijn een remmende factor, maar de maatschappelijke ontwikkelingen worden door hen noch tegengehouden noch gestuurd. Daar is zo’n correctie ofwel ‘onnodig’ of minstens veel minder ingrijpend.

Maar, is dat niet in tegenspraak met de heropleving van de Islam in het Midden Oosten en elders? Deze heropleving is geen kerkelijke revival omdat, zoals gezegd, daar van een kerkelijk instituut nauwelijks sprake is. Het is eerder een heropleving van rituele praktijken, van spiritualiteit en van identitaire affirmatie. Deze heropleving wordt niet klerikaal maar vooral politiek geïnstrumentaliseerd, in een context van dreiging vanwege het ‘christelijke’ Westen. Als er een rem staat op de uitbouw van een rechtsstaat of democratie naar Westers model – als dat model al wenselijk is -, dan is dat niet te wijten aan het ontbreken van de scheiding tussen kerk en staat, maar aan andere factoren. Iran is ongeveer het enige land met een soort hiërarchisch mosliminstituut, een ‘kerk’ die verregaande invloed heeft op het maatschappelijk leven. Zeker, op het democratisch karakter van de Iraanse staat valt heel wat aan te merken, maar het heeft een politiek systeem waar de meeste landen uit de regio alleen maar kunnen van dromen.

Voorlopige conclusies

In dit kort bestek kunnen we onmogelijk alle aspecten van de problematiek uitdiepen. Voorlopig willen we enkele conclusies naar voor schuiven die volgen uit de analyse hierboven. Het zijn werkhypothesen die verder dienen uitgewerkt te worden:

  1. Naargelang een godsdienst sterker hiërarchisch en institutioneel is georganiseerd is een scheiding tussen kerk en staat meer aanbevolen. Daar waar zo’n instituut ontbreekt moet de problematiek in andere termen geformuleerd worden.
  2. Over de verhouding tussen religie en politiek kunnen geen algemene richtlijnen opgesteld worden; die verhouding stelt zich anders naargelang de godsdienst en vooral in functie van de (historische) rol van de institutionele kerk ervan. Het is dan ook verkeerd om de situatie van de katholieke regio in West-Europa te projecteren op de rest van de wereld.
  3. Een pleidooi voor absolute scheiding tussen religie en politiek klinkt aantrekkelijk. Elke politieke beslissing wordt in die visie bepaald en beslist door de meerderheid van de bevolking en is niet onderworpen aan goddelijke wetten, die zich per definitie verheffen boven die meerderheid. Voor die stelling valt heel wat te zeggen, maar kan niet absoluut geponeerd worden. Want, wat als een meerderheid van de bevolking zich precies geïnspireerd weet door dergelijke bovennatuurlijke wetten en deze als de basis zien om hun maatschappij in te richten? Ook hier moeten we ons hoeden voor eurocentrische projectie.
  4. Die verhouding tussen staat en godsdienst is het resultaat van een vaak langdurige historische proces. De impact van godsdienst op de samenleving is afhankelijk van de secularisatiegraad van die samenleving. Zo’n secularisatie – we laten in het midden of die wenselijk is – kan in elk geval niet geforceerd worden.

Kortom er zijn geen absoluutheden, ook al zullen godsdiensten het tegenovergestelde beweren.

De hoofddoek en het gemeenschapsonderwijs

"Instanties zoals een openbare school moeten de scheiding van kerk en staat in zich dragen. Ik ben dus tegen uiterlijke symbolen van de godsdienst vanuit dat instituut.
Maar de leerling is een individu en dat is een heel andere kwestie. Individueel heeft een leerling binnen bepaalde grenzen het recht om uiterlijke symbolen van zijn cultuur of godsdienst te dragen. Als je een multiculturele samenleving serieus neemt, dan aanvaard je dat dat niet per definitie altijd een harmonieuze samenleving is. Persoonlijk geloof ik niet dat repressie op het vlak van symbolen de goede weg is."

Dirk Van Damme, afgevaardigd bestuurder van het gemeenschapsonderwijs.(4)

 

(Uitpers, nr. 50, 5de jg., februari 2004)

Dit artikel verschijnt ook in het maandblad Kentering

Beknopte bibliografie:

T. Ali, The clash of Fundamentalisms. Crusades, Jihads and Modernity. Londen 2002.

F. Halliday, Islam & the myth of confrontation. Londen 1999.

H. Küng, De katholieke kerk. Amsterdam 2003.

J. Le Goff, De cultuur van middeleeuws Europa. Amsterdam 1987.

F. Mernissi, Islam en democratie. De angst voor het moderne. Breda 1993.

T. Ramadam, To be a European Muslim. Leicester 2002.

B. Rubin (ed.), Revolutionaries and Reformers. Contemporary Islamist Movements in the Middle East. New York 2003.

A. Zalloum, Painting Islam As The New Enemy. Globalization & Capitalism in Crisis. Trafford Publising 2002.


Voetnoten

(1) Er zijn natuurlijk wel pogingen geweest om de islam te assimileren. Zo laat het Wahhabisme van Saoedi-Arabië een mix zien van kapitalistische waarden en extreem conservatieve moslimopvattingen. Er is van bij het ontstaan van het koninkrijk een sterke alliantie geweest tussen de VS en Saoedi-Arabië. Omdat het Wahhabisme over zeer veel petrodollars beschikte en zich actief bemoeide met de guerrilla-oorlog in Afghanistan vanaf 1979, heeft het ook tijdelijk heel veel invloed gehad in de moslimwereld. De relaties met de VS zijn echter sterk bekoeld sinds de aanwezigheid van Amerikaanse troepen op het Arabische schiereiland, waar ook de heilige plaatsen Mekka en Medina zich bevinden. Dat gebeurde in het kader van de Golfoorlog in 1991. Na de aanslagen van elf september kwam het zelfs bijna tot een breuk tussen de twee voormalige bondgenoten.

(2) Het woord kerk slaat bij ons zowel op het kerkgebouw als op het instituut. Het woord moskee daarentegen, kent die dubbele betekenis niet.

(3) Secularisatie is het maatschappelijk fenomeen waarbij de rol van godsdienst gereduceerd wordt tot een kleine sector. De godsdienst verliest zijn maatschappelijke functies, de cultuur en de politiek kunnen het stellen zonder religie. Dat proces moet niet verward worden met de ‘scheiding tussen kerk en staat’. De kerk slaat op de institutionele dimensie van de godsdienst en niet elke godsdienst heeft die dimensie. Indien er van institutionele kerk sprake is, dan veronderstelt de secularisatie uiteraard de scheiding tussen kerk en staat.

(4) De Morgen 15 december 2003.

(Visited 4 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 57 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook