De sabelslepers van de regering Bush

Er is sprake van onenigheid binnen de regering Bush over het te volgen buitenlands beleid. Waarnemers spraken eerder al over een ‘groot verschil’ tussen de politiek van de vorige president Clinton – geroemd voor zijn ‘vredespolitiek’ in het Midden-Oosten – en die van huidig president Bush die vooral rabiate unilateralisten zou hebben uitgekozen voor zijn buitenlandse en defensiepolitiek. In wezen valt er weinig verschil te bespeuren. Clinton voerde al een unilaterale politiek en Bush lijkt die alleen nog wat aan te scherpen. Binnen de regering Bush lijkt alles te draaien rond de ‘doctrine’ van minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell: alles concentreren op de economische en geostrategische belangen van de VS en een stevig militair apparaat om die belangen te verdedigen.

De laatste weken is er rond het buitenlands beleid van de regering Bush onenigheid zichtbaar geworden. Aan de ene kant is er de groep rond vice-president Dick Cheney met o.m. Minister van Defensie Donald Rumsfeld en zijn onderminister Paul Wolfowitz die "Amerika’s militaire macht willen gebruiken om de internationale orde in te richten naar de smaak van de Verenigde Staten". M.a.w., een extreem unilateralistische politiek waarbij militaire interventies niet geschuwd worden. Aan de andere kant is er minister van Buitenlandse Zaken en Golfoorlogheld Colin Powell die de sympathie heeft van een niet onbelangrijk deel van het Amerikaanse publiek en op steun kan rekenen van tal van Republikeinen die hem ooit nog als presidentskandidaat wilden. Powell stelt zich terughoudender en genuanceerder op en wil meer rekening houden met de wensen van de Europese bondgenoten, zo heet het. Tussen beide groepen in staat Condoleezza Rice, Bush’ invloedrijke Nationale Veiligheidsadviseur, die net als Powell ‘zuinig’ wil omgaan met militaire interventies, maar aan de andere kant te vinden is voor de absolute solopolitiek van de Trojka Cheney-Rumsfeld-Wolfowitz. De meningsverschillen tussen beide polen in de regering Bush zijn al meermaals komen bovendrijven: rond het rakettenschild NMD (National Missile Defence) en het ABM-verdrag (Anti Ballistic Missile Treaty), rond Irak, Noord-Korea, Israël en Kosovo. Rumsfeld noemde het ABM-verdrag doodeenvoudig ‘achterhaald’. Powell daarentegen lijkt nog enigszins een goede verstandhouding met Rusland na te streven, dat absoluut niet moet weten van het anti-rakettenschild. Vooral rond Noord-Korea werd het gênant. Toen Powell zei dat zijn regering het Clinton-beleid van ‘voorzichtig engagement’ wilde voortzetten werd hij de volgende dag al door president Bush jr. teruggefloten toen deze duidelijk liet verstaan van geen gesprekken met Pyongyang te willen weten. Dit gebeurde ongetwijfeld op advies van Rice en/of het genoemde trio.

Verschil Clinton en Bush jr.?

In de pers spreekt men van een diepe kloof. Tijdens de presidentscampagne kregen we ook al zoiets te horen, toen de verschillen op vlak van het Buitenlands en veiligheidsbeleid tussen Clinton en Bush jr. breed werden uitgesmeerd. "In tegenstelling tot Clinton, trekt Bush zich terug uit rol van vredesmakelaar", zo blokletterde de gezaghebbende International Herald Tribune onlangs nog. Dat kan kloppen, tenminste wat de retoriek betreft. Bush, en zeker zijn minister van Defensie Rumsfeld, zijn weinig subtiel in hun uitspraken. Rumsfeld is het prototype van een olifant in een porseleinkast. Clinton speelde het veel behendiger, maar als het op daden aankwam was zijn beleid al even unilateralistisch als wat we van Bush mogen verwachten. Was het niet de regering Clinton die het peperdure anti-rakettenschild terug in de actualiteit bracht en ook de eerste (grotendeels) mislukte tests ondernam, hoewel er fel protest was van de kant van EU, Rusland en China? Al in februari 1999 verklaarde Clintons minister van Defensie, William Cohen, dat het ABM-verdrag uit 1972 – dat de bouw van een anti-rakettenschild verbiedt – geamendeerd diende te worden zoniet zou de VS het niet langer erkennen. Wat Irak betreft valt er in essentie al evenmin veel onderscheid te ontwaren. Waar ligt het verschil tussen de ‘harde aanpak’ van de regering Bush, die amper geïnstalleerd samen met de Britten al meteen bommen boven Bagdad liet droppen en ‘Operatie Woestijnvos’ van december 1998, toen Bagdad en andere delen van Irak zwaar werden bestookt en verschillende burgers het leven lieten. En zou Bush het harder kunnen dan Clinton die ter bestrijding van het terrorisme, zomaar eventjes een aanval liet uitvoeren tegen ‘verdachte’ doelen in Soedan en Afghanistan, zonder ook maar eens de VN-Veiligheidsraad te raadplegen, laat staan dat hij een eventueel VN-mandaat wilde afwachten. En dan is er nog de zo geroemde ‘vredes’politiek van Clinton in het Midden-Oosten. Die zou nu al contrasteren met de veel passievere houding van huidig president Bush jr. of beter met diens openlijk pro-Israëlische politiek, waarvan de warme ontvangst van Sharon in Washington in maart j.l.getuigt. Was het niet onder Clinton dat Israël traditiegetrouw vele miljarden dollar militaire steun ontving, hoewel het Israëlische regime niet verheelde dat die broodnodig waren om de Joodse nederzettingen te ‘verdedigen’ tegen de Palestijnen. Het is ook Clinton die er mee voor gezorgd heeft dat Israël en Turkije in 1996 twee militaire samenwerkingsakkoorden tekenden. Sindsdien (vanaf 1998) hebben de VS van ‘vredes’apostel Clinton al drie keer gezamenlijk manoeuvers gehouden met beide regionale machten onder de naam (Reliant) Mermaid. De laatste keer was dat in volle Intifadah (januari 2001). Clinton zag deze manoeuvers blijkbaar moeiteloos verenigbaar met zijn positie van bemiddelaar, hoewel het een diplomatieke stelregel is dat daarvoor een zekere neutrale opstelling verwacht mag worden. Bush jr. zal al zijn best moeten doen om de joodse lobby in de VS nog meer te plezieren.

Powells ‘doctrine’

De grote verschillen die men de publieke opinie probeert te doen slikken, zijn in werkelijkheid slechts kleine varianten van een buitenlandse politiek die al jaren dezelfde is: een unilaterale politiek gestuurd door eigen belangen en gestoeld op een sterk uitgebouwde militaire poot. Wat dit laatste betreft: zowel Powell als Cheney-Rumsfeld behoren tot de intellectuele erfgenamen van Reagan en Bush sr. De ‘Powell-doctrine’, waarvan de laatste tijd sprake, is in feite niets anders dan een actualisering van de Weinberger doctrine (minister van Defensie onder Reagan) van 1984. Het was niemand minder dan Colin Powell zelf die in de hoedanigheid van militair adviseur het ontwerp daarvan schreef. Het klopt dat de politiek van Clinton ‘links’ en die van Rumsfeld ‘rechts’ daarvan staat en Powell als zodanig een soort verbindingsfiguur is tussen beide strekkingen. Maar in essentie is er een duidelijk constante waarneembaar die goed wordt samengevat in de zogenaamde ‘Powell-doctrine’? 1. We engageren ons enkel als onze belangen of die van onze bondgenoten in gevaar zijn; 2. Als we ons engageren, doen we dat met alle nodige middelen om te winnen; 3. Begin er enkel aan indien de politieke en militaire doelen duidelijk zijn; 4. Wees er klaar voor om de engagementen te veranderen, als de doelen veranderen, want oorlogen ‘staan zelden stil’; 5. Ga enkel een engagement aan waarvoor steun te vinden is bij het Amerikaanse volk en het Congres; 6. Zet Amerikaanse troepen enkel in als laatste uitweg.

In de huidige ploeg zal er wellicht enkel discussie bestaan over het laatste punt. Maar zelfs Powell zegt dat zijn doctrine eigenlijk geen doctrine is: "Er is (evenwel) geen vaste set van regels voor het gebruik van militaire macht. Een vaste set opstellen zou juist gevaarlijk zijn" Powell sprak zich positief uit over de interventies in Panama, Somalia en Bosnië. En Powell is net als zijn radicalere collega’s voorstander van een sterke rol van de VS in de wereld: "Amerika moet de last van verantwoordelijkheid over de wereld op de schouders dragen" zo stelde hij begin jaren negentig al in een Foreign Affairs-artikel (winter 1992-’93).

Eerste stelregel: olie

Wat de eerste stelregel uit de doctrine betreft, de nadruk op pure Amerikaanse belangen in buitenlandse dossiers, zal Bush jr. nog feller dan zijn voorganger(s) alles in functie zetten van een energiepolitiek. De huidige president dankte al tweemaal zijn overwinningen voor het gouverneurschap aan de petroleumlobby. Zijn braintrust, niet in het minst zijn rechterarm Dick Cheney, verbergen hun banden met de olie-industrie niet. Maar de invloed van de olie-industrie in de regering Bush kan nog tot verrassende resultaten leiden. De Petroleumindustrie zou immers een opheffing van het olie-embargo tegen Irak genegen zijn, omdat ze daar veel (winstgevende) opportuniteiten in ziet. Dick Cheney zou al allusies in die zin hebben gemaakt, maar stuit vooralsnog op Powell, voor wie de val van Saddam Hoessein, zijn vroegere tegenstander uit de Golfoorlog, een absolute voorwaarde blijft. Maar ook de invloedrijke Joodse lobby blijft krachtig het embargo verdedigen. Bush jr. zal bovendien zijn oliepolitiek concentreren op datgene wat al verworven is. Na de Iraakse invasie in Koeweit zei vader Bush al dat "we ons moeten beschermen tegen de zware bedreigingen waaraan de olievelden van Saudi-Arabië onderhevig zijn, en dus onze Amerikaanse manier van leven, de vrijheid van de Verenigde Staten en hun geallieerden." De bezorgdheid voor de oliebevoorrading is ingegeven door het feit dat de VS niet alleen de belangrijkste verbruiker maar ook belangrijkste invoerder zijn van petroleum in de wereld. 63 procent van de energiebehoeften wordt gedekt door olie en gas. Tussen 1986 en 1999 zijn de oliereserves met 40 procent gedaald terwijl de eigen productie van ruwe olie gezakt is met 31,2 procent. Daartegenover staat dat in diezelfde tijdspanne de consumptie is gestegen met 18,1 procent terwijl de afhankelijkheid van invoer gestegen is van 33,2 procent naar 50,9 procent. Desondanks richt de energiepolitiek van Bush jr. zich niet op de vraag, maar op het aanbod. Bush jr. heeft immers in niet mis te verstane bewoordingen laten weten dat hij niet te vinden is voor een CO2-reductie zoals afgesproken in Kyoto. De naleving van de afspraken in Kyoto (voor de VS een CO2-reductie van 7 procent tegen 2008-2012) zijn noodzakelijk om het versterkte broeikaseffect en bijhorende klimaatveranderingen tegen te gaan. D.w.z. dat Bush geen graten ziet in de alsmaar groeiende vraag en ook geen maatregelen wil nemen wegens de mogelijke impact op de economische groei. Dit impliceert noodzakelijkerwijs dat gezien de eigen beperkte voorraden, alsmaar meer olie moet geïmporteerd worden.

Verdere verhoging van de militaire capaciteit

De oliebevoorrading zal onder Bush jr. meer dan ooit de centrale beleidslijn worden op buitenlands vlak, maar ook op militair vlak. Daarmee zijn we meteen bij het tweede punt van Powells ‘doctrine’ aanbeland. Maar ook hier weer: het was Clinton die de aanzet gaf, door vanaf 1996 de neerwaartse trend van het defensiebudget drastisch om te buigen in een stijging. De Golfoorlog heeft de bereidheid getoond van de VS om desnoods met militaire middelen de oliebelangen veilig te stellen. Powell heeft toen als Stafchef van het Amerikaanse leger duidelijk gekozen voor een militaire strategie die gebaseerd is op een zo groot mogelijke overmacht. Het is nog steeds diens overtuiging dat de tegenstander overklast dient te worden, zodat de overwinning een kinderspel wordt. Bush volgt die redenering en heeft dan ook in zijn jongste begrotingsvoorstel geopteerd voor meer middelen voor defensie. Onder Clinton steeg defensiebudget tussen 1997 en 2001 al met 46 miljard dollar en hij wilde tegen 2005 op 331 miljard dollar uitkomen. Bush jr. gooit er nu in één klap 14,2 miljard dollar (+ 4,6 procent, in totaal 324,8 miljard dollar) extra bovenop ten opzichte van het (FY) 2001 (dat in oktober 2000 gestart is). Het gaat om 310,5 miljard dollar voor het departement Defensie en 14,3 miljard dollar voor de defensiefuncties van het departement Energie. Dat departement wordt nu overigens geleid door Spencer Abraham, een fel aanhanger van een ‘energieveiligheidspolitiek’ en door zijn Libanese wortels vertrouwd met het Midden-Oosten. Het Amerikaans militair overwicht moet duidelijk ook van technische aard zijn: militair onderzoek en ontwikkeling krijgt 2,6 miljard (+ 7 procent, goed voor in totaal 39 miljard) dollar meer. Het gaat om een eerste schijf van de 26 miljard dollar die Bush jr. de komende tien jaar extra wil besteden om de ontwikkeling van "generation after next"-wapens te bespoedigen. Dat stemt overeen met een ontwerpdocument van een interne denktank van het Pentagon onder leiding van Andrew Marshall, over de Amerikaanse defensiestrategie. Momenteel beschikken de VS over 100.000 troepen in Europa, en een gelijkaardig aantal in Azië (vooral Japan en Zuid-Korea). In het Midden-Oosten kijkt een troepenmacht van ongeveer 25.000 soldaten toe op de olie. Volgens het Marshall-document zal de vijandigheid jegens de VS groeien, wat de langdurige aanwezigheid van VS-troepen in gevaar kan brengen. Terwijl de VS sinds enkele jaren begonnen waren om het leger te hervormen zodat het veel beter in staat is interventies te ondernemen in een geviseerde regio, zou het wel eens kunnen dat de regering Bush kiest voor interventies ‘van op afstand’. Marshall wil het troepenaantal reduceren en in de plaats daarvan gebruik maken van de meeste moderne aanvalswapens van op ‘veilige havens’. Zo wordt gedacht aan het invoeren van de fameuze stealth-technologie op onderzeeërs en marineschepen; electromagnetische wapens op vliegdekschepen; Langeafstands-precisiemunitie van op onderzeeërs, schepen en vliegtuigen; Onderzeeërs zouden informatie verzamelen en gebruikt worden voor nog altijd noodzakelijke interventietroepen; Daarnaast is er veel aandacht voor wapens in de ruimte en het landleger kan in de toekomst robotten inzetten op het slagveld. Naast het gebruik van moderne technologie zou men ook meer moeten terugvallen op de inzet van lokale troepen.

Nieuwe rivaliteit met Rusland en China

Meer geld voor defensie, moderne wapentuigen en een anti-rakettenschild zijn nodig, omdat er rekening wordt mee gehouden dat de VS in toenemende mate in aanvaring zal komen met Rusland en China. Rusland wordt zichtbaar nerveus over de groeiende Amerikaanse invloed in Centraal-Azië en de Kaukasus. Als tegenwicht voor de pro-westerse en pro-NAVO-alliantie GUUAM (Georgië, Oekraïne, Oezbekistan, Azerbeidzjan en Moldavië) richtten de Russen in oktober 2000 de Euroaziatische Economische Unie op (EAEU – Rusland, Wit-Rusland, Kazachstan, Kirgizstan, Tadzjikistan en Armenië). De VS willen de distributie van de in grote hoeveelheden aanwezige olie transporteren via de eigen bondgenoten Georgië en Turkije. De Russen daarentegen willen liever zelf de controle over de oliedistributie behouden. Washington kwam eveneens in aanvaring met Moskou over Iran, dat door Rusland bewapend wordt met ‘hoogtechnologische’ wapens. Rumsfeld noemde de Russen "actieve verspreiders" van wapens naar ‘Schurkenstaten’.

Het begrip ‘schurkenstaten’ is overigens nodig om de grote militaire uitgaven te verantwoorden naar de publieke opinie toe (vijfde punt van Powells doctrine). Ook dat was al de politiek van Clinton, die daarmee de redenering van oud-adviseur en invloedrijk strateeg Zbigniew Brzezinski volgde. Die beschreef een strategie gericht tegen en in functie van het (opnieuw) groot worden van Rusland en China. Clinton wilde in elk geval vermijden deze strategie al te openlijk te belijden en bleef daarom schermen met het gevaar afkomstig van een aantal ‘schurkenstaten’, een term die later veranderd werd als ‘risicostaten’, maar nu terug ingang lijkt te vinden onder Bush. Het zogenaamde gevaar dat van deze landen zou uitstralen is in elk geval een lachertje als gekeken wordt naar hun militaire capaciteiten. Het militaire budget van de VS is 22 keer hoger dan dat van alle ‘schurkenstaten’ (Cuba, Iran, Irak, Libië, Noord-Korea, Soedan en Syrië) samen, die jaarlijks iets meer dan 14 miljard dollar uitgeven. De militaire uitgaven van de VS en hun Navo-bondgenoten + Zuid-Korea en Japan zijn veel hoger dan wat de rest van de wereld uitgeeft en overstijgen 37 keer het budget van de ‘schurkenstaten’.

Terwijl Brzezinski vooral geobsedeerd leek door Rusland lijkt het erop dat er meer en meer aandacht zal gaan naar China. In Washington vreest men dat het economisch snelgroeiende China op een dag de VS zal voorbijsteken.

Het resultaat van de nieuwe ‘koudeoorlogspolitiek’ van Washington, die al onder de tweede ambtstermijn van Clinton begon en nu door de equipe Bush met nog meer ijver zal worden voortgezet, is dat ook elders in de wereld de militaire uitgaven aan het stijgen zijn. China kondigde aan dat het dit jaar het defensiebudget wil laten stijgen met 17,7 procent tot 17 miljard dollar. Ook Rusland heeft het defensiebudget terug sterk laten stijgen, maar dat bedraagt nog altijd slechts eenzesde van dat van de VS.

(Uitpers, april 2001)

(Visited 2 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 63 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Ludo De Brabander

Ludo De Brabander is redactielid en medeoprichter van Uitpers. Hij is tevens woordvoerder van Vrede vzw. De meeste van zijn geschreven bijdrages gaan over militarisme en conflict (NAVO, bewapening, wapenhandel, militaire interventies,...) en de regio van het Midden-Oosten. Hij is medeauteur van 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009) en auteur van 'Oorlog zonder Grenzen' (EPO, 2016), 'Het Koerdisch Utopia' (EPO, 2018) en 'Weg van Oorlog. Over militarisme en antimilitarisme' (EPO, 2019).

zie ook