De rehabilitatie van de Iraakse soennieten

De val van het regime van president Saddam Hoessein in 2003, betekende ook het einde van de suprematie van de soennitische Arabieren in Irak. Ze werden meteen ook de zondebokken en werden weggezuiverd door de de-Baathificatie en de ontbinding van het leger. Sedert halfweg vorig jaar worden ze echt gerehabiliteerd.

De Britten, die tijdens de Eerste Wereldoorlog de Ottomaanse provincies Mossoel, Bagdad en Basra veroverden en die samenvoegden tot de nieuwe staat Irak, gaven begin de jaren 1920 de macht aan de Arabische soennieten. Dit alhoewel die niet de grootste bevolkingsgroep vormden. Momenteel telt Irak een bevolking van ongeveer 24 miljoen inwoners. De Arabische sjiieten vormen de grootste groep met zowat 55%, gevolgd door de Arabische soennieten met zowat 25% en de Koerden, van wie de meerderheid ook soennitische moslims zijn, met 20%.

De machtsoverdracht had praktische redenen. De Britten kregen na hun verovering te maken met sjiitische, Koerdische en in beperkte mate ook met soennitische opstanden tegen hun aanwezigheid. De Irakezen waren blij verlost te zijn van de Ottomanen, maar wilden geen nieuwe buitenlandse heersers. Die les vergaten de Amerikanen. Die gingen er niet ten onrechte van uit dat de meerderheid van de Irakezen graag Saddam Hoessein kwijt wilde – 25% van de Irakezen heeft volgens peilingen nog heimwee naar hem – en dat ze dus welkom zouden zijn. Maar dat laatste was totaal verkeerd. Zoals de Britten kregen ze te maken met massaal verzet, dat nu al aan bijna 4.000 soldaten en wellicht tot 1 miljoen Irakezen het leven heeft gekost. Zonder dat er hoop is dat de Amerikanen ooit de bovenhand kunnen halen.

De Britten slaagden er destijds wél in het verzet te breken, zij het met gebruik van gifgas tegen sjiieten en Koerden en door het uitroeien van dorpen met hun luchtmacht. Bovendien coöpteerden ze als bestuurders – Groot-Brittannië zat financieel aan de grond aan het einde van de Eerste Wereldoorlog en was niet in staat Irak rechtstreeks onder controle te blijven houden – de groep die al militaire en bestuurservaring had: de Arabische soennieten.

Het Ottomaanse rijk was nu eenmaal een soennitisch rijk. De sultan was tevens kalief, de opvolger van de profeet Mohammed en formeel de leider van alle soennitische moslims ter wereld. Toen de Ottomanen begin de 16de eeuw Mesopotamië veroverden, maakten ze er een soennitisch bolwerk van tegen het rivaliserende Perzische rijk, dat vanaf de 16de eeuw in handen kwam van de sjiitische dynastie der Safavieden. De Mesopotamische sjiïeten werden scheef bekeken door de sultan en beschouwd als een vijfde, pro-Perzische kolonne. Overigens waren de sjiieten in Irak toen in de minderheid. Eigenlijk ook in Iran, waar het sjiisme pas in de 18de eeuw de belangrijkste godsdienst werd. In de 19de eeuw volgde de overgang van de meeste Arabieren in Zuid-Irak van het soennisme naar het sjiisme.

Hoe dan ook de soennieten kregen van de Ottomanen het lokale bestuur in de drie provincies die nu Irak vormen en leidinggevende functies in het lokale leger. De Koerden waren een geval apart. Ze genoten verregaande autonomie – zo betaalden ze geen belastingen aan de sultan – in ruil voor het bewaken van de grens tegen de Perzen. Pas in de 19de eeuw zouden de Koerden ten gevolge van de “tanzimat” (hervormingen) in de pas worden gebracht. Ze werden van de soennitische Arabieren, met wie ze toen al in onmin leefden, afgeschermd door Turkmenen, die speciaal door de sultan naar de grensgebieden tussen beide volken werden gebracht. Kirkoek was, en is, één van die grenssteden, die nog altijd een grote Turkmeense minderheid telt.

Aan het hoofd van het soennitische bestuur plaatsten de Britten een Arabische prins uit de Hejaz (in het huidige Saoedi-Arabië) omdat ze een koning nodig achtten en iemand uit Irak zelf zou door de andere bevolkingsgroepen fel worden gecontesteerd. Bovendien zorgden de Britten ervoor dat ook enkele Koerden en sjiieten uit grote en rijke families werden gecoöpteerd in het systeem, dat aldus onrechtstreeks onder hun controle kwam.

De revolutie van 1958, waarbij de monarchie werd omver geworpen, en na de revolutie van 1968 die de Baathpartij aan de macht kwam, brachten geen verandering in het bestuurssysteem dat op de suprematie van de soennieten was gebaseerd. Met dien verstande wel dat de Baath-partij in principe geen onderscheid maakte naar etnie noch naar geloof. Daarom trok ze ook veel sjiieten, die traditioneel werden gediscrimineerd, en ook Koerden aan, die wilden ontsnappen aan de tribale dwang. In elke Iraakse regering werden sjiieten en Koerden opgenomen. Maar in de latere jaren van Saddam Hoessein viel de partij, zeker na de opstanden van Koerden en sjiieten, meer en meer terug op een soennitische achterban en op tribale en familiale loyauteit.

Dus toen de Amerikanen en Britten op 19 maart 2003 Irak binnenvielen, werden alle soennieten als verdacht beschouwd. Op 16 mei 2003 vaardigde de pas gearriveerde Amerikaanse proconsul Paul Bremer een ordonnantie uit waaronder de hoge(re) Baathleden geen overheidsfuncties meer mochten uitoefenen. Dat leidde ertoe dat 150.000 ambtenaren en 40.000 leerkrachten hun job verloren, alhoewel ze zonder gedwongen lidmaatschap van de Baath-partij nooit die job hadden kunnen krijgen. Een week later, op 23 mei 2003, ontbond Bremer het Iraakse leger, waardoor honderdduizenden officieren en manschappen op straat stonden. De twee maatregelen zorgden ervoor dat het Iraakse verzet tegen de Amerikaanse bezetting kon putten uit een enorm reservoir van competente malcontenten. Ook was soennitisch verzet noodzakelijk om het eigen lijfsbehoud. De sjiieten die aan de macht kwamen richtten immers doodseskaders op – het Iraakse ministerie van Binnenlandse Zaken wordt ervan verdacht het brein ervan te zijn. Die openden de jacht op ex-Baath-leden én op de soennitische elite: dokters, professoren, academici, intellectuelen, journalisten… Duizenden werden vermoord en nog eens duizenden van hen emigreerden om hetzelfde lot te ontlopen.

De soennieten hadden geen enkel vertrouwen in de regering noch in de Amerikanen. Zij vormden een aantal verzetsbewegingen zoals Al Qaida-Irak, het Islamitisch Leger in Irak, de Brigades van de revolutie van 1920 enz., die de Amerikanen letterlijk het vuur aan de schenen legden. De soennieten weigerden ook wegens die officiële uitsluiting en vervolging deel te nemen aan de parlementsverkiezingen van januari 2005, waarna als opvolging van de door de Amerikanen benoemde Interimregering, een Overgangsregering werd gevormd.

De Amerikanen begrepen dat ze te ver waren gegaan en dat ze zelf verantwoordelijk waren voor de hardnekkigheid van het soennitische verzet. In het voorjaar van 2004 werd de hand uitgestoken naar de soennieten door de de-Baathificatie gedeeltelijk terug te schroeven. Nadien werd ook contact gezocht met de soennitische verzetsbewegingen en met soennitische stamleiders. Het gevolg daarvan was dat de soennieten wel deelnamen aan de parlementsverkiezingen van december 2005, waarna een eerste “normale” regering zou worden gevormd. Het soennitische Iraaks Eendrachtsfront (Tawafiq), een coalitie van partijen, haalde 44 zetels (op 275) en werd in de regering werd opgenomen.

Maar al in augustus vorig jaar trok het Eendrachtsfront zich terug uit de regering. De soennieten hadden immers nog heel wat grieven. Er kwam immers geen diepgaand onderzoek naar de moorden op soennieten, er was onenigheid over de voorgestelde federalisering van Irak in Koerdische, sjiitische en soennitische entiteiten, er kwamen geen garanties over een “eerlijk” aandeel van de soennieten in de olierijkdom (vooral te vinden in de sjiitische en Koerdische gebieden), de soennieten waren ook niet erg opgezet met her voorgestelde referendum waardoor Kirkoek, het olierijke gebied er rond, bij Koerdistan zou worden gevoegd. En de soennieten bleven geweerd uit politie, leger en het ambtenarenapparaat. Wel nam de soennitische vice-president, Tariq al-Hashimi van het Eendrachtsfront geen ontslag. Na het vertrek van dat Front uit de regering zou hij, als leider van de (soennitische) Iraakse Islamitische Partij, toetreden tot het “Front van Gematigden”, dat een nieuwe regering vormde, en bestond uit twee sjiitische partijen (de Islamitische Dawa-partij van premier Nuri al-Maliki en de Hoge Islamitische Raad van Irak, SICI) en de twee grote Koerdische partijen (de Democratische Partij van Koerdistan van Massoed Barzani, de president van Koerdistan, en de Patriottische Unie van Koerdistan van Jalal Talabani, die eerder president van Irak was geworden).

Inmiddels slaagden de Amerikanen erin halfweg vorig jaar, via het uitdelen van grote pakketten dollars, akkoorden te sluiten met enkele soennitische verzetsgroepen en met een aantal stamleiders. Dit met het oog op de strijd tegen Al Qaida, dat zich weinig populair had gemaakt door het opleggen van strikt islamitische normen in de gebieden die ze controleerden. Ook was er rivaliteit tussen Al Qaida en andere groepen over de controle, en de “belastingen” die dat opleverde, over de handelsroutes tussen Jordanië en Bagdad (west-oost) en tussen Turkije en Bagdad (noord-zuid). Die lokale soennitische militiegroepen kregen diverse overkoepelende namen zoals “Bezorgde Lokale Burgers” of Al-Sahwa (Ontwaking) en lokale namen zoals bv. in de westelijke provincie Anbar het “Reddingsfront van Anbar”. Het zou in totaal om 80.000 militieleden gaan, die per maand het voor Irak royale loon van 300 dollar ontvangen. Ze zijn er in geslaagd de activiteiten van Al Qaida aan banden te leggen, maar betalen daar een zware tol voor. Al tientallen stamhoofden en militieleiders kwamen om bij aanslagen van Al Qaeda.

Maar de belangrijkste soennitische verzetsgroepen, zoals het Islamitisch Leger, konden niet worden gestrikt. Vier onder hen, waaronder het Islamitisch Leger, vormden al in april 2007 het Hervormings- en Jihad-front met als doel het verzet tegen de Amerikanen op te drijven. Ze weigeren ook deel te nemen aan de strijd tegen Al Qaida.

Dit soennitisch verzet kan rekenen op serieuze steun vanuit onder meer de Golfstaten, die bang zijn voor de toenemende sjiitische invloed en de vorming van een sjiitische as Iran-Iraq-Syrië-Libanon. In december 2006 riepen meer dan 30 prominente Saoedi-Arabische geestelijken de soennitische moslims in het Midden-Oosten op hun broeders in Irak te steunen tegen de sjiieten. Ze gaven een verklaring uit waarin werd gezegd dat de sjiitische moslims de controle aan het overnemen waren in Irak in een samenzwering met “kruisvaarders” [de Amerikanen, nvdr] om de soennitische moslims te marginaliseen.

Het is ironisch dat de Amerikanen telkens weer uitvallen tegen Syrië en Iran om hun steun aan het verzet in Irak, terwijl het juist hun beste bondgenoten in de regio zijn die het meest actief zijn. Zo berichtte de Los Angeles Times op 15 juli 2007 dat de grootste groep buitenlandse opstandelingen in Irak voor 45% uit Saoedi-Arabië komt en nog eens 10% uit het eveneens pro-Amerikaanse Noord-Afrika.

In een poging ook het Hervormings- en Jihad-front gunstig te stemmen, zetten de Amerikanen in het kader van hun politiek van “nationale verzoening” de Iraakse regering onder druk verdere stappen te zetten in de richting van de rehabilitatie van de soennieten. Met succes. Op 12 januari 2008 keurde het parlement een wet goed waaronder voormalige Baath-leden recht krijgen op een pensioen of ander bepaalde voorwaarden hun jobs kunnen terugkrijgen. Op 13 februari volgde de goedkeuring van nieuwe wetten, waaronder 50.000 gevangenen, voor het overgrote deel soennieten, die zonder vorm van proces worden vastgehouden amnestie krijgen. Ook werden er provinciale verkiezingen voorzien voor 1 oktober a.s., waardoor het voor de soennieten duidelijk zal worden waar zijn in de meerderheid zijn.

De rehabilitatie van de soennieten via wettelijke maatregelen, en door Amerikaans geld en wapens, maakt van hen terug een te duchten macht in Irak. Vooral vanwege hun militaire en administratieve vaardigheden. Vóór de invasie van Irak in maart 2003 zag het er naar uit dat de Amerikanen aanstuurden op de vervanging van Saddam Hoessein door een pro-Amerikaanse soennitische dictator omdat de soennieten al tientallen jaren bewezen hadden dat ze het land onder controle konden houden. Na de invasie was dit geen optie meer omdat de meerderheid van sjiieten, vooral omdat men democratie had gepredikt, niet van de macht kon worden gehouden. Met het gevolg echter dat Irak onder invloed van het verfoeide Iran zou komen. De rehabilitatie van de soennieten is dus ook een poging de invloed van Iran tegen te gaan.

(Uitpers, nr 96, 9de jg., 19 maart 2008)

(Visited 3 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 61 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Paul Vanden Bavière

Paul Vanden Bavière (°1944) is historicus en journalist. Hij werkte een 30-tal jaar in de gedrukte pers als journalist gespecialiseerd in buitenlandse politiek. Vooral het Midden-Oosten, waarover hij ook enkele boeken publiceerde. Toen de media veel te veel “mainstream” – d.w.z. gezagsgetrouw – en commercieel werden, richtte hij met enkele mensen in 1999 Uitpers, het eerste Nederlandstalig webzine voor Internationale politiek, op met de bedoeling weerwerk te bieden aan de mainstream media (MSM).

zie ook