De realisaties en mislukkingen van SBY

Of hij veel tijd heeft genomen om terug te kijken op zijn eerste jaar als president, weten we niet, maar het valt te betwijfelen. Voor Susilo Bambang Yudhoyono (in de wandelgangen SBY genoemd), de zesde president van Indonesië, het op drie na grootste land en de grootste moslimnatie ter wereld, was 20 oktober een dag als een ander.

Zou hij ook maar hebben kunnen vermoeden dat zijn inauguratierede een jaar geleden, toen hij onder meer zei: ‘We staan voor moeilijke tijden en grote uitdagingen’, niet enkel profetisch klonk, maar zelfs een enorm understatement was? Nauwelijks geïnstalleerd in het paleis nabij het Vrijheidsplein in hartje Jakarta, mocht SBY zich al meteen reppen naar Aceh, het meest westelijke punt van de archipel, dat getroffen werd door de ergste tsunami sinds mensenheugenis. En net toen hij zijn eerste jaar wou afronden, sloegen islamitische terroristen opnieuw toe op het zonovergoten eiland Bali.

Toch zijn zowel analisten als binnen- en buitenlandse pers behoorlijk positief over de gewezen legergeneraal. The Jakarta Post, de belangrijkste Engelstalige krant in Indonesië, gaf hem een 6 op 10 en dat cijfer staat tot nader orde voor geslaagd. Maar hoe zit het nu precies met de realisaties en mislukkingen van Yudhoyono?

Vrede in Aceh

De tsunami van 28 december 2004 was, ironisch genoeg, misschien nog een geluk bij een ongeluk. Niet enkel besloten enkele landen om de schuldafbetalingsplannen van Indonesië bij te stellen, ook de Indonesiërs zelf beseften dat het tijd was om de moeizame vredesonderhandelingen tussen de overheid en de rebellen van het GAM (Gerakan Aceh Merdeka – Beweging voor een Onafhankelijk Aceh) nieuw leven in te blazen. Tijdens een internationale bijeenkomst om de hulp aan Aceh in goede banen te leiden in januari kwam SBY op de proppen met een nieuw voorstel. Gestructureerde hulp aan alle inwoners van Aceh was enkel mogelijk indien de rebellen de wapens neerlegden. Het leger zou dan zonder onderscheid voedsel en ander overlevingsmateriaal kunnen uitdelen en bij de reconstructie zouden de vrijheidsstrijders of zij die met hen sympathiseerden gelijkwaardig behandeld worden. Het was een slimme zet, de bal lag in het kamp van de rebellen; bij een eventuele weigering zou de GAM alle krediet bij zijn buitenlandse financiële sponsors verliezen.

Het moet gezegd dat SBY en zijn vice-president Jusuf Kalla persoonlijk hebben toegezien op de realisatie van deze plannen. Ze bleven de vorderingen steeds op de voet volgen en kwamen – in tegenstelling tot sommige van hun voorgangers – niet terug op hun beloftes. Zo verminderden ze het aantal troepen in het bezette gebied aanzienlijk. Het resultaat mag gezien worden. Op 15 augustus, twee dagen voor de zestigste onafhankelijkheidsviering, werd een vredesakkoord ondertekend in Helsinki. Intussen is de heropbouw in de geplaagde provincie mondjesmaat gestart; de grootste uitdaging voor SBY bestaat erin de plaatselijke corruptie uit de wereld te helpen. Nog steeds komen er berichten over de al te grote inmenging van de overheid bij het toewijzen van grond waarop mag herbouwd worden, wat natuurlijk bij de plaatselijke bevolking kwaad bloed zet. Mogen de vuurwapens dan al verdwenen, de strijdbijlen zijn dat duidelijk niet!

De tsunami

De internationale belangstelling voor de grote watergolf die een groot deel van Aceh verwoestte was enorm. Nog nooit werd een hulpactie van dergelijke schaal opgezet, wat leidde tot behoorlijk vreemde taferelen. Hulpgoederen bereikten de slachtoffers niet omdat de konvooien elkaar voor de wielen reden. Een jaar later is de situatie al wat beter: de eerste noden werden gelenigd, mensen kunnen eindelijk beginnen aan de heropbouw van hun huis. Op micro-economisch niveau gaat het dagelijkse leven zijn gewone gang: her en der zijn kleine markten opgericht, in enkele dorpen werken coöperaties die ervoor zorgen dat mensen wat om handen hebben. Toch blijft het litteken zichtbaar: bij de ramp kwamen vooral kinderen en vrouwen om, wat op termijn zeer schadelijk is voor een samenleving.
Gedurende maanden kon de regering van SBY surfen op de internationale sympathie. Belangrijke financiële donorlanden kwamen met vers geld over de brug, anderen schorsten Indonesië’s afbetalingsplannen. En de president kon enkele van zijn te realiseren doelen (verminderen van de werkloosheid, vrij onderwijs gedurende 9 jaar) naar de achtergrond schuiven. Vandaag is zowat iedereen het erover eens dat het crisismanagement van de president behoorlijk goed gewerkt heeft. Zo werd bijna onmiddellijk een comité opgericht dat de heropbouw moet opvolgen. Maar ook hier loert het spook van de corruptie om de hoek. In een recent rapport van Human Roghts Watch staat Indonesië net boven de meest corrupte regimes. En laat dat nu net een van de speerpunten zijn van SBY’s regime: het uitroeien van corruptie en vriendjespolitiek, fenomenen die vertakkingen hebben in alle lagen van de Indonesische samenleving. Er is zelfs een heus acroniem voor: KKN (corruptie, collusie, nepotisme). Intussen werden in Aceh wel al enkele ambtenaren op sleutelposities verwijderd, officieel omdat ze bij het toekennen van projecten graag het handje ophielden, volgens andere bronnen omdat de president de posities liever bekleed zag door personen uit zijn eigen omgeving.
Het is ongetwijfeld te vroeg om een fair oordeel te vellen over de heropbouw van Aceh. Door het vredesproces is die heropbouw ongetwijfeld in een stroomversnelling gekomen. Maar slechts de allergrootste wereldleiders slagen erin om een tragedie om te vormen tot een win-winsituatie voor allen.

Economische uitdagingen

De grootste uitdaging waar SBY zich in oktober 2004 mee geconfronteerd zag, was van economische aard. Toen hij aan de macht kwam – en wellicht ook wel omdat hij aan de macht kwam – bevond de economie zich aan de bovenkant van de curve. Eind 2004 kende de economie een groei van 5%, wat een ommekeer betekende tegenover de voorbije jaren. De negatieve spiraal waarin het land zich had laten meesleuren na de grote Aziatische crisis en de bomaanslagen van 2002 (Bali) en 2003 (Mariott-hotel in Jakarta) leek omgebogen. Buitenlandse investeerders keerden langzaam terug en Indonesië kreeg opnieuw toegang tot de internationale markt. Ook de eerste directe presidentsverkiezingen en de mogelijkheid dat de weinig dynamische ploeg rond Megawati Soekarnoputri verdween, hadden een positief effect op de markten. Maar mooie liedjes duren niet lang. Intussen is de economie niet langer gegroeid, de Indonesische munt verloor de voorbije 10 maanden 10% van zijn waarde en de inflatie steeg tot 9% in tegenstelling tot de voorziene 7,50%. Het is op zijn minst opmerkelijk dat een olieproducerend land als Indonesië niet kan profiteren van de hogere olieprijzen. De verklaring is eenvoudig. Het land produceert te weinig olie (onder meer door zeer gebrekkige pompinstallaties en de concessies toegekend aan buitenlandse bedrijven) voor zijn gestaag groeiende bevolking en moet dus dure olie invoeren. Een eerste maatregel in maart waarbij de prijzen aan de pomp met 29% stegen , leverde niet het verwachte succes. Intussen heeft de regering een nieuwe stijging aangekondigd. Niet enkel de cijfers zijn om van te duizelen (een stijging van maar liefst 126%), maar vooral de timing had beter gekund. De maatregelen werden aangekondigd aan het begin van de Ramadan. Voor miljoenen Indonesiërs die elk jaar het einde van de vastenperiode in hun geboortedorp of -stad gaan vieren, betekende dit dat hun reiskosten in vergelijking met het jaar daarvoor zowat verdubbeld waren! De aankondiging kon dan ook op weinig sympathie rekenen en leidde tot massale betogingen, die enkel beëindigd werden toen nieuwe maatregelen door het parlement geraakten. Iedereen die onder de armoedegrens van Rp. 175.000 (circa 15 euro) leeft, krijgt maandelijks een energiebonus van Rp. 100.000. De regering gaf echter ruiterlijk toe nog geen idee te hebben over de praktische regeling!
Analisten prezen de president omdat hij als eerste een realistisch energiebeleid voert. Zijn voorgangers hadden niet de politieke moed om aan de heilige koe van de Indonesiërs te raken.
Toch zijn de onweerswolken boven het presidentieel paleis niet opgetrokken. Sinds enkele weken klinken steeds luidere stemmen om enkele leden van het team dat de economische krijtlijnen uitzet te vervangen. Vooral de zwakke cijfers op vlak van werkloosheid en energiebevoorrading zitten veel Indonesiërs hoog. Maar het valt te betwijfelen of SBY tegemoet zal komen aan de druk. Het economische luik van zijn beleid is in handen van de vice-president die erg veel macht heeft in het parlement. Vice-president Jusuf Kalla’s Golkarpartij heeft immers 129 zetels (SBY’s democratische partij slechts 57) en een ingreep in het kabinet zou ongetwijfeld voor veel ongenoegen zorgen op de banken van het parlement.
Tenslotte wordt vanuit de hoek van de milieubewegingen aangedrongen om een meer ecologische koers te varen. Onder druk van de Wereldbank waaien immers steeds meer neoliberale ideeën het land in. De nieuwe Waterwet is daar het mooiste voorbeeld van. Openbare bronnen worden opgekocht door grote (internationale) drinkwaterproducenten die het water afleiden naar hun vestigingen. Steeds meer lokale gemeenschappen ondervinden daardoor moeilijkheden om hun velden te bevloeien of drinkwater af te tappen. Het resultaat is een verminderde productie en een verschraling van de grond.
Ondanks toenemende druk om de illegale houtkap tegen te gaan, leverde de regering nieuwe concessies af aan bedrijven waarvan sommige het niet nauw nemen met de herbebossingnormen. Het is dan ook een van de grootste uitdagingen voor SBY om zijn land, dat het Kyoto-verdrag heeft ondertekend, niet verder te laten afglijden in een ecologische afgrond. Tot op vandaag vielen er op dat vlak niet veel hoopgevende signalen waar te nemen. Het enige signaal was de rook die dit jaar enkele keren de buurlanden Maleisië en Singapore in een dikke mist hulde, rook die was veroorzaakt door het platbranden van ongerept regenwoud!

Terrorisme

Verklaarden SBY en Kalla maar al te graag dat ze alles deden om de radicalisering van sommige islamitische groepen tegen te houden, de recente bomaanslagen van 1 oktober op Bali bewezen eveneens dat er nog een lange weg te gaan is. Het moet gezegd, de meeste verdachten van de eerste aanslagen (oktober 2002) zijn intussen veroordeeld, maar dit signaal aan het adres van groeperingen zoals Jemaah Islamiyah blijkt niet voldoende. De vorige regering schreef een strenge antiterreurwet waardoor het makkelijker is verdachten aan te houden. Toch loopt ook hier de uitvoering heel wat vertraging op. Toen Australië er bij Yudhoyono aandrong om Jemaah Islamiyah buiten de wet te stellen, reageerde Jusuf Kalla doodleuk: ‘Hoe kunnen we hen veroordelen als we hun bestaan nooit erkend hebben?”.
Met de arrestatie van kopstuk Abu Bakar Bashir leefde men in de veronderstelling Jemaah Islamiyah (en meteen alle andere extreme bewegingen) te hebben onthoofd, maar dit werd in oktober op explosieve wijze ontkracht. De International Crisis Group waarschuwde onlangs zelfs voor nieuwe aanslagen. Cynisch genoeg werd Sydney Jones, ICG-experte voor Indonesië, nog het land uitgezet omdat ze de regering verweet te weinig aandacht te hebben voor het probleem. De regeringsleider verwijst echter naar de internationale samenwerking met centraal de uitwisseling van informatie over verdachten en plannen tot aanslagen.
Hangt het terrorisme als een zwaard van Damocles boven het hoofd van SBY, experts hebben hem aangeraden deze dreiging niet als argument te gebruiken om geplande hervormingen op de lange baan te schuiven. Corruptie en een logge bureaucratie vormen ongetwijfeld een grotere bedreiging voor de economische vooruitgang van het land.

Het probleem van de aanslagen kan niet los gezien worden van de toenemende radicalisering bij een aantal Islamitische groeperingen. Officieel is Indonesië niet eens een Islamstaat. De Constitutie (bestaande uit 5 belangrijke principes) garandeert godsdienstvrijheid voor iedereen. Het debat over de invoering van het Jakarta-charter (een charter dat bij de onafhankelijkheid in 1945 bijna werd toegevoegd aan de grondwet en waarin de scheiding van Kerk – lees Moskee – en staat veel minder duidelijk was) is intussen beslecht in het voordeel van de tegenstanders ervan. Maar in de praktijk is de islam natuurlijk wel de macht. Niet-moslims vinden moeilijk werk, Chinese handelaars voelen zich nog steeds niet veilig en naast de Hindu-tempels op Bali verrijzen moskeeën (op sommige tempels presteerde men het zelfs om luidsprekers te installeren die vijf maal per dag oproepen tot het gebed!). De belangrijkste evolutie vinden we echter binnen de moslimgemeenschap zelf. Tussen de 200 miljoen moslims lijkt een breuklijn in de maak, waarlangs een conservatieve en een gematigde strekking waar te nemen valt. Zo vaardigde de Raad van Indonesische Ulema’s in juli 11 fatwa’s uit tegen wat zij de ‘liberale’ strekking noemen. Islamitische verenigingen die een te liberale koers varen, worden steeds meer het slachtoffer van aanvallen en verbale agressie. De twee grootste Islambewegingen, Muhamadiyah en Nahdlatul Ulema, beide steeds zeer gematigd, worden sinds kort geleid door aanhangers van de conservatieve koers.

SBY bevindt zich pal in het centrum van het schisma. Wil hij zijn land aantrekkelijk houden voor buitenlandse investeerders, dan is een hard optreden tegen de radicale groepen een conditio sine qua non. Aan de andere kant realiseert Yudhoyono zich maar al te goed dat hij niet kan regeren zonder steun uit islamitische hoek. Zijn meerderheid in het parlement staat of valt precies met de aanwezigheid van islamitische partijen.

Het was dan ook op zijn minst veelbetekenend dat de president de jaarlijkse conferentie van de Raad van Indonesische Ulema’s heeft geopend.

De figuur SBY

Toen Susilo Bambang Yudhoyono in mei 2004 uittredend president Megawati versloeg en daarmee de eerste president werd na rechtstreekse presidentsverkiezingen, stond het land bijna aan de rand van het delirium. De verwachtingen waren hooggespannen; in de debatten bleek SBY de enige die realistische antwoorden formuleerde en zijn charisma was stukken hoger dan dat van zijn opponenten.
Vreemd genoeg reageerde SBY op dit succes door een regenboogcoalitie te vormen. Van het sterke mandaat dat hij van de kiezer had gekregen bleef niet veel over. Wellicht vreesde hij dat zijn eigen partij, die slechts 10% van de zetels in het parlement bezit, over niet voldoende macht zou beschikken. Het resultaat is dat een deel van die macht is overgegaan naar andere partijen, niet in het minst de Golkarpartij van vice-president Kalla. En laat dat nu juist de partij zijn die decennia stond voor een autocratisch regime met weinig aandacht voor een gelijke behandeling van burgers en regio’s.
De grootste kritiek op SBY’s eerste jaar gaat dan ook vooral over dat kabinet. Van de ruime beloftes is nog niet veel in huis gekomen. Sommige kabinetsleden blinken uit door steeds opnieuw tegenstrijdige berichten de wereld in te sturen, iets wat ook de president niet vreemd is: tot twee maal toe kondigde hij stijgingen van de olieprijs aan om die nadien zonder veel uitleg in te trekken.
Moet een regering vooral op haar daden beoordeeld worden, de manier van communiceren is tegenwoordig even belangrijk. En ook daar nijpt het schoentje. Kabinetsmedewerkers spreken elkaar vaker wel dan niet tegen, ademen een sfeer van verwarring uit of kunnen gewoonweg niet antwoorden op eenvoudige vragen. Of zoals de man in de straat het formuleert: ‘Het klikt niet!’.
Verder is het ook de vraag of SBY en Kalla wel een goed duo vormen. De verschillen tussen hen worden steeds duidelijker. SBY heeft een militaire achtergrond, die hij weliswaar graag wegmoffelt, en hij komt uit een niet zo rijk milieu. Jusuf Kalla daarentegen is een gewiekste zakenman met ruime financiële armslag, maar politiek minder beslagen. Zijn kandidatuur voor het vice-presidentschap deed bij velen het vermoeden rijzen dat hij aast op de hoogste titel bij de verkiezingen van 2009 en dat de huidige samenwerking eerder door opportunistische motieven is ingegeven. Beiden verschillen ook door hun manier van politiek bedrijven: SBY is de intellectueel die wikt, Kalla is de hardliner die snel beslist.

Tot slot

De algemene indruk van één jaar SBY-Kalla is overwegend positief. Het valt de Indonesiërs vooral in de smaak dat geen van beiden zich door zijn positie heeft proberen te verrijken. Ook hun realisaties (vrede in Aceh, het terugdringen van de macht van het leger, de verbetering van de mensenrechten) kan op goedkeuring rekenen. Na de machteloosheid van het kabinet-Megawati lijkt de slagkracht van het nieuwe duo veel hoger.
En… fair is fair. Uit een recente bevraging blijkt dat nog steeds 61% van de Indonesiërs achter de president staat en dat is niet veel minder dan een jaar geleden! Heus geen slecht cijfer voor iemand die in één jaar vier aardbevingen, één tsunami en enkele spectaculaire bomaanslagen heeft moeten verwerken!

(Uitpers, nr. 70, 7de jg., december 2005)

(Visited 6 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 115 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook