De ‘populistische’ militair die wereldberoemd werd onder zijn voornaam

Otelo Saraiva de Carvalho, de ‘strateeg van de Portugese Anjerrevolutie’ (1974-1975), die toen wereldberoemd werd onder zijn voornaam, is vorige zondagochtend op 84-jarige leeftijd overleden in het militaire ziekenhuis in Lissabon. Voor wie alleen op Vlaamse media vertrouwt komt dit nieuws wellicht als een verrassing, want de zelfverklaarde kwaliteitskranten maakten er geen melding van; het radio- of televisienieuws evenmin. Nu ja, 1974 … dat is bijna een halve eeuw geleden; en ook in de journalistiek lopen nogal wat mensen rond wier historische belangstelling niet verder reikt dan de eigen geboortedatum. Het is dus wellicht nuttig het verhaal van die Anjerrevolutie – en de cruciale rol die ‘Otelo’ daarin speelde – even in herinnering te brengen.

Dat verhaal is ronduit fascinerend, rijk aan merkwaardige personages en onverwachte wendingen, en uitlopend op een resultaat dat positief, dan wel weinig verheugend zal worden genoemd naar gelang van het politieke standpunt dat men zelf inneemt. Als het verhaal kort moet worden samengevat gaan onvermijdelijk tal van boeiende (en noodzakelijke) nuances verloren. Wie er het fijne wil van weten moet op zoek naar boeken in andere talen of naar lang vergeelde eindverhandelingen of proefschriften…

Voorgeschiedenis

In een notendop dan maar. In 1928 was in Portugal een hoogleraar Openbare Financiën aan de macht gekomen, die de monetaire situatie van het land moest rechttrekken, en daarvan gebruik maakte om binnen de kortste keren een persoonlijke dictatuur te vestigen die als clerico-reactionair mag omschreven worden, maar met name door de werking van de geheime politieke politie en de rigide controle op het openbare leven duidelijk fascistisch was. Het strakke beleid van professor Salazar maakte van de escudo een sterke munt, maar van Portugal het armste én achterlijkste land van heel West-Europa.

En vanaf de jaren 1960 werd het Salazar-regime bovendien slachtoffer van zijn eigen ideologische obsessies, toen grote delen van Afrika onafhankelijkheid verwierven, maar de Portugese kolonies niet. Onafhankelijkheidsbewegingen konden immers alleen maar aan communistische machinaties worden toegeschreven; en dus stortte Portugal – trouwe Navo-lidstaat van het eerste uur – zich in een koloniale oorlog op drie fronten. Eerder al was het zijn enclaves op het Indische subcontinent ‘bij verrassing’ kwijtgeraakt; dat zou nu niet gebeuren. In Guinee-Bissau, Mozambique en (vooral het grondstofrijke) Angola moest de rode vloedgolf worden gestuit. Dàt was althans de officiële retoriek waarmee van de Portugese bevolking nog meer offers werden gevraagd.

De soms meedogenloze ironie van de geschiedenis liet zich echter ook hier gelden. Precies die koloniale oorlogen – die steeds krampachtiger en steeds uitzichtlozer werden – deden vele beroepsofficieren en dienstplichtige soldaten steeds sceptischer aankijken tegen de ideologie en de praktijk van het dictatoriale regime. In 1971 moest Salazar plaatsruimen voor Caetano, die ‘verandering binnen de continuïteit’ beloofde, maar zelfs dat vernislaagje snel opgaf.

Ondertussen had ene generaal de Spinola – die nog (als ‘waarnemer’ zo vergoelijkte hij dat) aan de Duitse kant van het Oostfront had gezeten, en dus moeilijk als ‘communist’ kon worden afgeschilderd – als bevelhebber in Guinee-Bissau begrepen dat die koloniale oorlogen nooit konden gewonnen worden en dat naar een vrede-door-vergelijk moest worden gestreefd. Die opinie ventileerde hij in een boek; “toen ik dat in één ruk had uitgelezen, zo erkende dictator Caetano later, wist ik dat dit het einde was van het regime”. Dat einde kwam nu snel. Want inmiddels had zich binnen het officierskader een wijdvertakt netwerk gevormd dat bereid was militaire middelen in te zetten om een tweevoudig doel te bereiken: het einde van de koloniale oorlogen en het vervangen van de dictatuur door een democratisch regime.

Staatsgreep

De staatsgreep die daarvoor nodig was verraste zowat iedereen, binnen én buiten Portugal. En sloeg iedereen met verstomming omdat hij op enkele uren tijd – en vooral: zonder bloedvergieten – een regime ten val bracht dat het land bijna een halve eeuw lang in zijn wurggreep had gehouden. Otelo was de man die achter de schermen alles had gecoördineerd en het operationele plan voor de operaties had uitgetekend. Maar toen de opstandige militairen het pleit voor zich hadden beslecht en een Comité van Nationale Redding geïnstalleerd (waarvan ook conservatieven als bijvoorbeeld Spinola deel uitmaakten) ging een doodvermoeide Otelo gewoon naar huis om uit te slapen en daags nadien zijn lessen aan de militaire academie te hervatten. Veel rust werd hem echter niet gegund.

Want die Junta de Salvaçaô Nacional (JSN) had onmiddellijk na de machtsoverdracht de handen vol met politieke beslissingen én met de besprekingen met de onafhankelijkheidsbewegingen in Afrika. Maar ondertussen moest in Portugal zelf de situatie wel worden gestabiliseerd. Zeker, de militaire machtsgreep was op laaiend enthousiasme onthaald door de bevolking, en dat had trouwens bijgedragen tot het geweldloze succes ervan; de kans dat regime-getrouwe officieren naar de wapens zouden grijpen was zo goed als onbestaand, nu Caetano formeel de macht had overgedragen aan de JSN. Maar enige voorzichtigheid bleef geboden, en het enthousiasme van het volk diende wel in ordelijke banen geleid. Dus werd Otelo tot brigade-generaal bevorderd en kreeg hij het bevel over de COPCON, een wisselende troepenmacht die als ‘pretoriaanse garde’ van het nieuwe democratische regime zou fungeren, en als opdracht kreeg de verworvenheden van de revolutie te verdedigen. Dat Otelo die opdracht breed interpreteerde en vervolgens zeer consequent getrouw bleef, zou hem een immense populariteit verschaffen maar hem later wel de das omdoen.

Revolutie

Ondertussen werd namelijk snel duidelijk dat het niet bij een militaire staatsgreep zou blijven. ‘De staatsgreep die een revolutie werd’ is niet zonder reden de beste omschrijving van het hele gebeuren. Want: nu vrije meningsuiting en manifestaties mogelijk waren kwam pas goed aan het licht hoezeer het land door onrecht en armoede was getekend. En in de eerste dagen en weken na 25 april dreigde sociaal-economische chaos nu tal van grondbezitters en fabriekseigenaars er liever met de kas vandoor gingen naar het buitenland, dan zich te verantwoorden voor jarenlange uitbuiting. De vele bedrijfsbezettingen die buiten Portugal door de gestroomlijnde media als anarchistische of communistische gruweldaden werden afgeschilderd, waren doorgaans bittere noodzaak om mensen toe te laten verder hun brood te verdienen. Van slogans (of democratie) alléén kan een mens nu eenmaal niet blijven leven. Dus stak overal in het land (maar vooral in het centrum en zuiden) ‘arbeidersbeheer’ de kop op, in tal van variaties.

Die sociale onrust was echter hoegenaamd niet naar de zin van de conservatieven in de JSN en daarbuiten, en op 11 maart 1975 waagden Spinola-getrouwen zich aan een rechtse staatsgreep. Die werd in de kiem gesmoord, Spinola mocht ophoepelen, en op 25 april 1975 grepen de eerste echt vrije verkiezingen plaats. Over de namen waarmee de belangrijkste partijen voor de kiezer traden werd gegrapt dat je het etiket minstens een kwart-slag naar rechts moest draaien om de ware betekenis te zien: de ‘socialisten’ waren in feite sociaaldemocraten, de ‘sociaaldemocraten’ eigenlijk liberalen, en de ‘centrumdemocraten’ het opvangbekken voor de aanhangers van het oude regime.

Minder grappig was de bittere rivaliteit tussen de PS (Mario Soares) en de communistische PCP (Alvaro Cunhal). De socialisten verweten de communisten dat ze in feite werden ‘getelegideerd’ vanuit Moskou, maar kregen te horen dat ze zelf hun richtlijnen kregen vanuit Bonn (waar de partij trouwens was opgericht). En beide wedijverden ze om de gunst van de Beweging van de Strijdkrachten (MFA), die van haar kant duidelijk naar links evolueerde maar (dus?) bepaald wantrouwig stond tegenover politieke machinaties.

Het touwtrekken om de macht ging voortaan tussen politieke partijen die alle op een of andere manier op buitenlandse steun konden rekenen, maar tegelijk ook tussen (onderling rivaliserende) politieke partijen en de MFA, die zelf meer en meer verdeeld raakte tussen officieren voor wie het herstel van een burgerlijke democratie als einddoel volstond en die met sociale – laat staan socialistische – hervormingen niet waren opgezet, en anderen die van Portugal liefst ook een sociaal-economische en niet alleen politieke democratie hoopten te maken. Van die strekking werd Otelo het boegbeeld bij uitstek, en ‘zijn’ Copcon een instrument dat niet altijd even verstandig werd ingezet.

Contrarevolutie

Dat meervoudige touwtrekken speelde zich bovendien af tegen een achtergrond van toenemend openlijk verzet tegen de koers van opeenvolgende regeringen (waar de MFA nog een forse vinger in de pap had) die natuurlijk als veel te links werd ervaren door al wie destijds had geprofiteerd van het dictatoriale regime: rechtse militairen, grootgrondbezitters, industriële en commerciële belangen, en last but not least de in Portugal uiterst conservatieve katholieke kerk.

Het was dan ook vanuit die hoek dat de ‘kruistocht tegen de nieuwe, communistische dictatuur’ werd ingezet. Die reactie was vooral sterk (en bijwijlen zelfs dominant) in de noordelijke helft van het land waar de quasi-feodale structuren uit het oude regime nog overeind waren gebleven, en het woord vanop de kansel duidelijk dat van de ‘voorlichtingsploegen’ van de MFA overstemde, zodat ook goedbedoelde en noodzakelijke sociale initiatieven als (letterlijk) ‘des duivels’ werden geboycot.

In het centrum en het zuiden begonnen daarentegen de tientallen bedrijven in arbeidersbeheer en landbouwcoöperaties zich te laten gelden als een brede (en vele schakeringen omvattende) beweging voor ‘macht aan het volk’ en democratie-van-onderuit: Poder Popular. Die beweging kreeg de (doorgaans onvoorwaardelijke) steun van de Copcon, maar lang niet altijd van politieke partijen als de PS of de PCP. Voor die partijen werd Otelo nu, evenzeer als voor diverse conservatieve strekkingen binnen en buiten de strijdkrachten, een obstakel op hun weg naar de macht in de staat.

Vanwege zijn populariteit dierf men hem niet openlijk aanvallen, maar onderhuids – en vooral binnen de MFA – werd zijn machtspositie ondergraven waar mogelijk. In het najaar van 1975 leidden de politieke schermutselingen in Lissabon, de rechtse agressiviteit in het noorden en de sociale revoltes in het centrum en zuiden onafwendbaar naar een krachtmeting, die uiteindelijk haar beslag kreeg in een contrarevolutionaire staatsgreep op 25 november.

Over die episode valt in gestroomlijnde media (én academische geschriften) steevast hetzelfde verhaal te horen: een poging om een ‘extreem-linkse’ staatsgreep te plegen werd verijdeld door een groep gematigde – maar onbesproken democratische – officieren die slechts tot doel hadden de maatschappelijke orde te herstellen en de politiek voortaan weer in handen te geven van verkozen politici.

Die versie gaat niet in op de vraag waarom ‘extreem-links’ een staatsgreep zou plegen tegen een regering die toch ook als ‘extreem-links’ werd verketterd. En ze blijft uiterst discreet over het feit dat die gematigde officieren konden – en wel moésten – rekenen op de steun van (veel minder onbesproken-democratische) collega’s officieren die in 1974 de dictatuur wilden blijven verdedigen en/of betrokken waren bij de coup-poging van Spinola in maart 1975.

‘Normalisering’

De architect van die ‘normalisering’ was Antonio Ramalho Eanes, ooit vriend-en-collega van Otelo maar pas tot de MFA toegetreden nà 25 april 1974. Aan zijn anti-revolutionaire lauweren dankte hij in 1976 zijn verkiezing tot jongste president van de republiek; maar vier jaar later bleek de burgerlijk-democratische normalisering al zover gevorderd dat hij zelfs de – uiteraard slechts schoorvoetende – steun van de communisten nodig had om een tweede ambtstermijn in de wacht te slepen. (Tussen deze haakjes: anders dan vele politici was Eanes trouwens na het overlijden van Otelo niet te beroerd om eerlijk te zeggen waar het op stond, en “ondanks de tegenstellingen die tussen ons bestonden en de dwaalwegen waarop hij verzeilde” te erkennen dat Otelo een prominente rol heeft gespeeld in de Portugese geschiedenis.)

Na november 1975 werd alles wat links van de PCP stond gemarginaliseerd, de PCP zelf evolueerde – met moeite – naar ‘eurocommunistische’ en vervolgens weinig meer dan sociaaldemocratische standpunten, en de ‘Poder Popular’-initiatieven werden één na één genekt. En toen moest Portugal nog lid worden van de Europese Unie…

Dat gebeurde per 1 januari 1986, en zo werd de burgerlijke democratie definitief geconsacreerd. Vanuit ‘Europa’ kwamen vervolgens forse geldstromen, die zeer welkom – én zeer nodig – waren; maar de zeer liberale Europese regelgeving heeft er ondertussen ook in Portugal voor gezorgd dat de kloof tussen arm en rijk fors groter is geworden. En aangezien die ontwikkeling zich heeft afgespeeld tijdens decennia burgerlijke democratie tekent zich ook in Portugal het verschijnsel af dat al ettelijke andere EU-lidstaten treft: de heropleving van ‘gespierd’ rechts.

Dwaalwegen

Maar terug naar eind 1975. Een aantal extreem-linkse militanten konden de smadelijke afgang niet verkroppen. Ettelijken onder hen waren onder de dictatuur al eens in de illegaliteit gedoken, en kozen nu opnieuw voor die weg. Zij noemden zich – in jammerlijke tegenstelling tot de realiteit – Forças Populares (FP25), en grepen in hun toenemende isolement ook naar terroristische methodes. Nu is terreur waarachtig geen kwestie van aantallen slachtoffers. Maar het is wel leerrijk dat uitgerekend in de ‘Diario de Noticias’ (het grootste Portugese dagblad, en allesbehalve links) iemand voor-rekende hoe sinds 1974 in Portugal illegale daden (tot en met dodelijke aanslagen) van ‘rechts’ wel talrijker waren maar systematisch zoveel milder werden behandeld dan die van ‘links’.

Bij dat alles is eigenlijk nooit echt uitgeklaard hoe ver Otelo – de romantische revolutionair die begrijpelijkerwijze ‘gedegoûteerd’ was door partijpolitiek – concreet sympatiseerde met die bedenkelijke groupuscules. Maar hij werd wegens ‘hulp aan terroristen’ wel veroordeeld tot vijftien jaar hechtenis, en moest er daarvan (van 1986 tot 1991) zelfs vijf uitzitten vooraleer hij voorlopig werd vrijgelaten en in 1996 tenslotte amnestie kreeg en in zijn militaire eer werd hersteld.

Tegen die achtergrond verwondert het niet dat een ‘kwaliteitskrant’ als ‘El Pais’ – voor wie iedereen die ook maar even buiten de brave burgerlijk-democratische lijntjes kleurt al een (potentiële) terrorist is – wel willens nillens Otelo’s verdienste moest erkennen in de democratisering van Portugal (die trouwens onrechtstreeks die van Spanje verhaastte…) maar verder bijzonder neerbuigend deed over ‘s mans ‘dwaalwegen’ achteraf.

Het verwondert evenmin dat voor de iconische figuur bij uitstek van de Anjerrevolutie geen nationale rouw werd afgekondigd. In opvallende (en eerder zeldzame) eensgezindheid lieten premier Antonio Costa (PS) en de liberale president Marcelo Rebelo de Sousa weten dat die beslissing niets te maken had met Otelo’s politieke en juridische perikelen van de late jaren ‘tachtig, maar louter objectief was. Voor andere kopstukken van die Anjerrevolutie was immers in het verleden ook geen nationale rouw afgekondigd, al konden figuren als (onder meer) Fernando Salgueiro Maia of Antonio Melo Antunes daar evenveel aanspraak op maken; ‘het zou toch futiel zijn nu af te meten wie onder de topfiguren de hoogste top was’, nietwaar.

Daar valt iets voor te zeggen. In werkelijkheid speelde natuurlijk de vrees oude wonden van de ‘normalisering’ weer open te rijten, en moest vooral worden vermeden dat de volksheld een eerbetoon zou krijgen dat voorheen aan anderen niet was gegund. Want dat Otelo niet alleen de meest bejubelde maar ook de meest controversiële figuur van de Anjerrevolutie is geweest én blijft – dat staat buiten kijf.

(Visited 205 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 368 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook