De politieke islam vanuit een historisch perspectief

Mark Heirman, ‘Oosterse dagen, Arabische nachten. Politiek en religie in de geschiedenis van de islam’, Houtekiet, Antwerpen, 2005, 240 blz., 19.95 euro, ISBN 90 5240 814 9.

In 1095 riep de christelijke kerkvorst Urbanus II vanuit Rome op tot een kruistocht tegen de moslims. De kruisvaarders zouden de heilige plaatsen in Jeruzalem bevrijden. Tweehonderd jaar later, in 1291, werden de laatste ridders van het Vaticaan uit Palestina verdreven.

Meer dan acht eeuwen later, in een eerste opwelling na de moorddadige aanslagen van 11 september 2001, had de Amerikaanse president George W. Bush het over een nieuwe ‘kruistocht’. Eén van de hoogtepunten van de rabiate ‘moslim bashing’ na 9/11 viel niettemin in Rome te noteren. De Italiaanse premier Silvio Berlusconi, had het over de islam als een minderwaardige en niet met de moderniteit te verzoenen religie. De Italiaanse sterjournaliste, Oriana Fallaci, was volledig de trappers kwijt. “Deze vergrijsde Italiaanse passionaria schreef in de schaduw van de elf-septemberaanslagen op New York het meest anti-islamitische pamflet sinds de kruistochten,” schrijft filosoof en politicoloog Mark Heirman in zijn jongste boek ‘Oosterse dagen, Arabische nachten’.

Heirman is een enorm productieve essayist. Het voorbije decennium heeft hij zo wat elk jaar een boek gepubliceerd over de meest uiteenlopende onderwerpen: de wereldoorlogen, de koude oorlog, de politieke geschiedenis van de pausen van Rome, Opus Dei, Afrika, een geschiedenis van Europa en de Verenigde Staten van Amerika, een politieke geschiedenis van het jodendom en de staat Israël… noem maar op. Zo’n veelzijdigheid en veelschrijverij kan alleen maar een gezonde dosis achterdocht wekken. Weinig stervelingen kunnen het zich in de eenentwintigste eeuw nog veroorloven over alles een gefundeerde mening te hebben.

En toch is Heirmans ‘Oosterse dagen, Arabische nachten’ een aanrader voor al wie op zoek is naar een antidosis tegen alle onzin, veralgemeningen en gemeenplaatsen, die ze de voorbij jaren over ‘dé islam’ hebben moeten lezen en aanhoren.

Heirman maakt een meer dan verdienstelijke stand van zaken op van de politieke islam, een fenomeen dat overigens vrij recent de kop opstak. Hij is een voorstander van een serene benadering van het fenomeen, ver weg van de Fallaci’s van deze tijd of de zelfverklaarde islamologen als Bernard Lewis of cultuurfilosofen als Samuel Huntington.

Dat laat Heirman vanaf het begin fijntjes blijken. “Het is Oriana Fallaci die alle moslimfundamentalisten ‘de zonen van Allah’ blijft noemen, “duizenden keer erger dan Stalin”. Ze doet maar. Maar dan moet deze fervente atheïste, die zo fel uithaalt naar moslims in haar perverse logica beseffen dat Mussolini en zijn zwarthemden, Hitler en zijn nazi’s, Franco en Salazar, de conquistadores en de inquisiteurs ‘de zonen van Christus’ waren. En dat de meest christelijke naties zelfs in de twintigste eeuw nog veel meer oorlogen hebben gevoerd en veel meer levens hebben vernietigd dan alle moslimterroristen bij elkaar.” “Wat Fallaci niet wil of kan zien, is dat extreme vormen van geweld eerder uitingen zijn van verval dan van grootheid, eerder getuigen zijn van zwakheid dan van kracht en eerder horen bij een ondergaand dan bij een opkomend tijdperk.”

Islam en democratie vallen niet te rijmen, zo horen we sinds 9/11 bijna dagelijks vanuit de meest diverse hoeken. De reden ligt voor iemand als Bernard Lewis voor de hand: “de islam heeft geen seculiere traditie.” “Als Lewis daarmee bedoelt dat de notie van een niet religieuze samenleving of de wenselijkheid en toelaatbaarheid ervan, tot in de negentiende eeuw volstrekt vreemd was aan de islam, heeft hij gelijk,” stelt Mark Heirman. “Helaas gold dat tot in de negentiende eeuw ook voor joden en christenen, met dit verschil dat de islamitische wereld het religieuze en wereldlijke nooit gescheiden heeft. Zo staat de koran vol verwijzingen naar het laatste oordeel en het paradijs, maar tegelijk vol raadgevingen en rechtsregels om ‘deze tijd en deze wereld’ te eren.”

In het debat over het moslimfundamentalisme en -extremisme worden doorgaans nog al wat dingen op één hoopje gegooid. Als Bush en zijn adepten het hebben over de ‘war on terror’ bedoelen ze de strijd tegen ‘Al Qaeda’ en de taliban. Het is een oerconservatieve, puriteinse, radicale en gewelddadige tendens binnen de islam, die zijn oorsprong vindt in Pakistan en India en kwistig gefinancierd werd door de Saoedische monarchie, een fundamentalistisch regime dat zijn gelijke niet kent, maar nog steeds een trouwe bondgenoot van het Witte Huis is.

Islamitische wereld – Arabische wereld

Voor het gemak worden ‘islam’ en ‘Arabische wereld’ dan maar synoniemen. Heirman zet dit scheve beeld meteen recht. “Ondanks de cruciale rol van de Arabische wereld in de ontwikkeling van de islam, waren het nooit synoniemen,” schrijft Heirman. “Reeds in een vroeg stadium, nog in de eerste eeuw van de islamitische tijdrekening en nauwelijks één generatie na de dood van de profeet in 630, moesten de Arabieren de politieke macht in de islamitische wereld delen met de nog overwegend christelijke Syriërs. Honderd jaar later, omstreeks het jaar 750, was de machtswisseling nog veel groter, en verhuisden de islamitische machtscentra naar het aloude Perzische rijk in het Oosten en naar het verre Cordoba in het Westen. Die macht is nimmer naar het Arabische schiereiland teruggekeerd. Sindsdien leven de Arabische en de islamitische wereld in een vreemde symbiose, waarin evenveel overeenkomsten als contrasten het verschil bepalen tussen de circa 280 miljoen inwoners van de Arabische wereld en het 1,5 miljard moslims op wereldschaal. Van de tien grootste moslimlanden in de wereld van vandaag behoren er slechts twee – Egypte en Algerije – tot de Arabische wereld. Zelfs in het Midden-Oosten moeten die twee zich gewonnen geven tegenover twee niet-Arabische, maar islamitische staten, Turkije en Iran. Het zijn de politieke erfgenamen van de grootste islamitische rijken ooit, het Abbasiedenrijk in Bagdad (eeuwenlang een overwegend Perzische en nauwelijks een Arabische stad) en het Osmaanse rijk in Constantinopel (stad die pas in 1932 tot het Turkse Istanbul werd omgedoopt). Maar het zwaartepunt van de islamitische wereld is al lang naar het Oosten verhuisd, waar India, Pakistan en Bangladesh meer moslims tellen dan de hele Arabische wereld bij elkaar, en waar Indonesië de vlag mag hijsen als het grootste islamitische rijk ter wereld.”

De stelselmatige veralgemening van “dé islam” en “dé Arabische wereld” heeft uiteraard op de eerste plaats met de geostrategie van Washington te maken. Het vijandbeeld moet scherpgesteld blijven: de Arabieren, want zij zijn per slot van rekening de inwoners van het strategisch hyperbelangrijke Midden-Oosten, dat de grootste oliereserves ter wereld bezit. Dus komt het uitermate goed uit om moslimextrmisme, -fundamentalisme en –terrorisme integraal in de schoenen van “dé Arabieren” te schuiven.

“Dé islam” is een hersenspinsel. Mark Heirman doet er goed aan dit even recht te zetten. De islam is allesbehalve een monolithische religie. Het is een religie die sterk lokaal gekleurd is, veel schakeringen en verschillen kent en geen strak geleide hiërarchie heeft, zoals bijvoorbeeld de rooms-katholieke kerk. Heirman verwijst naar de Frans-Libanese auteur Amin Maalouf. Volgens hem “is de invloed van een volk op een religie veel groter dan die van een religie op een volk.” “Hij bedoelt daarmee dat religies veel soepeler zijn dan de volkeren, zodat een religie zich eerder aan een volk aanpast dan omgekeerd. Op de islamitische wereld toegepast, wil dit zeggen dat elk volk dat zich tot de islam bekeerde die islam op lokaal vlak veel ingrijpender kan aanpassen dan het zich door de islam liet beïnvloeden.”

Die verscheidenheid van de islamitische wereld wordt in het huidige zwart-wit-discours en in het door manicheïsme (de strijd tussen goed en kwaad, zoals George Bush ononderbroken zijn onderneming noemt) beheerste debat over de islam en de Arabische wereld nauwelijks nog erkend.

Politieke islam

De politieke islam, de al dan niet gestructureerde beweging van moslimfundamentalisten, die naar een zuiver islamitische, theocratische staat en samenleving streven, is een vrij recent verschijnsel. De Iraanse revolutie van 1979 was op dit vlak een belangrijk keerpunt. Heirman merkt terecht op dat “de islam nooit een theocratie of een door religieuze leiders beheerste wereld is geweest.” “Weliswaar werden in de moslimwereld seculiere en religieuze machten zelden formeel gescheiden, maar het was veelal de wereldlijke machthebber die in religieuze zaken de lakens uitdeelde, zelden de religieuze leider die de seculiere machthebbers aan zich kon onderwerpen.”

Zoals zo vaak bij hedendaagse politieke en maatschappelijke fenomenen vereist een verklaring van de politieke islam een breed historisch perspectief. Mark Heirman wijdt een ruim deel van zijn essay aan de geschiedenis van de islam. Hij toont aan dat tal van westerse ideologen – hij noemt ondermeer de Britse conservatief Roger Scruton – met de historische werkelijkheid een loopje nemen als ze beweren dat de islam van ‘oudsher’ onverenigbaar is met de (westerse) beschaving. Van de zevende tot de twaalfde eeuw was de Arabische wereld het centrum van de wereldbeschaving met Bagdad en Cordoba, dat met zijn eerste universiteit in Europa toonaangevend was voor de wetenschap en de filosofie. Op dat ogenblik telde Rome nog amper 50.000 inwoners, Athene was verkommerd tot een dorp en Europa vervallen tot barbarij. Dezelfde westerse ideologen maken van het principe van de scheiding tussen kerk en staat het fundamentele verschil tussen de zogenaamde joods-christelijke traditie en de islam. Maar de scheiding van kerk en staat kwam er in het Westen pas in de achttiende eeuw en het duurde tot 1945 eer de rooms-katholieke kerk met het beginsel instemde. De islamitische wereld daarentegen had (tot in de twintigste eeuw) nooit een vorm van theocratie gekend.

Heirman ruimt ook veel plaats in voor de geschiedenis van het verval van de Arabische beschaving. De kruistochten duurden twee eeuwen en waren in feite een soort “middeleeuwse wereldoorlog”, waarvan niet alleen de moslims het slachtoffer waren, ook de joden, de ketters en de ongelovigen. Heirman streept aan dat de joden in die periode – maar ook later – liever onder islamitische heersers leefden dan onder christelijke potentaten. Ondanks het latere verval bleek de islam over een onvoorstelbare veerkracht te beschikken. De Mongolen liepen alle belangrijke islamitische centra onder de voet. De islam bleef echter overeind, verdreef de kruisvaarders en bekeerde de Mongolen. Heirman wijst ook op de korte Arabische renaissance op het vlak van handel en wetenschap in de negentiende eeuw. Allemaal dingen die door het zwart-wit-denken in het huidige discours over “dé islam” onder het zand worden gemoffeld. Met de Arabische wereld ging het pas goed bergaf toen de Europese grootmachten hun kolonisatiedrift botvierden op heel de wereld – de Arabische incluis. In de landen die de koloniale machten onderwierpen was er geen plaats voor de nieuwe en zogenaamd universele Europese waarden als vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid.

De rest van het verhaal is bekend. Er was de opkomst van het Arabische, Turkse en Iraanse nationalisme. Het Arabische nationalisme, dat met figuren als Nasser, de leiders van de Algerijnse onafhankelijkheidsbeweging en de Palestijnse revolutionairen van de jaren zestig en zeventig een geweldig elan kende, werd te vuur en te zwaard bestreden. Heirman wijst ook op een aantal andere belangrijke factoren: de machtsgreep in Pakistan in 1977 met daaropvolgend een islamitische radicalisering, de doorbraak van het radicale, nationalistische en orthodoxe Likoedblok in Israël en de grote kentering met de Iraanse revolutie in 1979. De politieke islam, zoals wij die vandaag kennen, is een kwarteeuw geleden ontstaan. Voor de opbouw van zijn islamitische, theocratische staat, haalde ayatollah Khomeiny zijn inspiratie bij de denkers van de Egyptische fundamentalistische moslimbroederschap. De Franse arabist Gilles Kepel vatte het streven van deze oerconservatieve, radicale stroming binnen de islam ooit als volgt samen: “hun doel is niet het moderniseren van de islam, maar het islamiseren van de moderne tijd”.

Het is Mark Heirman niet ontgaan dat de westerse grootmachten (Frankrijk, Groot-Brittannië, maar vooral de Verenigde Staten) deze stroming lange tijd hebben gebruikt voor hun eigen strategische belangen. De steun van de Amerikaanse geheime diensten aan de internationale van radicale moslimstrijders, die van Pakistan en Afghanistan hun thuisbasis maakten leidde tot fenomenen als Osama Bin Laden, Al Qaeda, de taliban en heel het netwerk van moslimterroristen, die in landen als Afghanistan, Egypte en Algerije het voorbije decennium honderdduizenden slachtoffers hebben gemaakt … vooral onder moslims.

Een uitdaging voor de Arabische en moslimwereld

‘Oosterse dagen, Arabische nachten’ van Mark Heirman is een niet onbelangrijke stem in het kapittel, al was het maar omdat het boek het oppervlakkige en ongenuanceerde zwart-wit-denken over de islam in ons land en elders doorbreekt.

“Sinds de tweede helft van de twintigste eeuw staan de Arabische en de islamitische wereld voor een nooit eerder voorgekomen uitdaging,” schrijft Heirman. Voor de 46 staten met een islamitische meerderheid en zeker voor de 22 Arabische staten is alles nieuw: het herstichte Israël, het lot van de Palestijnen, de sjiitische revolutie in Iran, de olierijkdom, de bevolkingsgroei, de moderne staatsvorm, de globalisering, onderwijs en communicatie, de grote migraties, de diaspora en de terreur. In de geschiedenis van de islam is er voor zo’n vernieuwing slechts één precedent: toen de islamwereld in de dertiende eeuw na de Mongolenstorm helemaal opnieuw moest beginnen. Voor het christelijke Europa was de zeventiende eeuw, met zijn godsdienstoorlogen, een soortgelijk breekpunt. Op zo’n moment wordt de religie hersticht of opnieuw uitgevonden.” Voor Heirman is dat de uitdaging voor de hedendaagse islam: herstichten.

De fundamentalisten zijn echter niet bij machte om deze herstichting tot een goed einde te brengen. “Het probleem is dat de fundamentalisten die herstichting, om zichzelf te rechtvaardigen, op het verre verleden projecteren en als een terugkeer voorstellen. Helaas blijft dat verre verleden zelfs voor de fundamentalisten zo ontoegankelijk dat ze uitsluitend duidelijkheid scheppen in datgene wat ze afwijzen en hetgeen ze in extreme gevallen willen vernietigen. Vandaar dat het terrorisme uitsluitend de negatieve kant van de herstichting belicht. Die duidelijkheid is er veel minder voor het positieve dat de fundamentalisten daarvoor in de plaats stellen. Geobsedeerd door een ontoegankelijk verleden en blind voor de mogelijkheden van een echte vernieuwing, gedragen door een wereld die nooit heeft bestaan, zijn ze gedoemd datgene te vernietigen wat ze precies willen behoeden.”

Met die conclusie heeft Heirman duidelijk een punt. Maar hij gaat wel heel even uit de bocht. Hij stelt dat “het overigens niet de eerste keer is dat de islam hersticht zou moeten worden en dat de islam lang niet de enige religie is die in snel veranderende tijden zijn eigen wortels heeft opgegraven. Dat overkwam eveneens de joden toen de toenmalige joodse staat in het jaar 135 voor meer dan achttien eeuwen uit de geschiedenis verdween en een tweede keer toen die staat in 1948 werd hersticht.” Hier zet Heirman de geschiedenis toch wel even naar zijn hand. De oprichting van de staat Israël in 1948 was geen religieuze operatie met het oog op een herstichting van het jodendom. Het was een politiek project, waaraan de zionisten meer dan vijftig jaar hadden gewerkt en waarvoor ze om steun bij alle belangrijke Westerse grootmachten hadden gebedeld. Het was een louter koloniaal project voor de oprichting van een staat, die in de woorden van Theodor Herzl, de stichter van de zionistische beweging, “voor Europa een onderdeel van de vestingwal tegen Azië” zou zijn, “een voorpost van de beschaving tegen de barbarij”.

(Uitpers, nr. 66, 6de jg., juli-augustus 2005)