De oude is de nieuwe president in Algerije

De Algerijnen zijn op 8 april naar de stembus getrokken. Niet massaal, want meer dan veertig procent vond het niet de moeite een stem uit te brengen. Met weinig enthousiasme. De verkiezingscampagne was van een bedenkelijk niveau.

En over de torenhoge problemen van de meerderheid van de Algerijnen (massale werkloosheid, verpaupering, uitzichtloosheid en de eis van de slachtoffers van het politiek geweld om een einde te maken aan de straffeloosheid van de verantwoordelijken van de terreur en de contraterreur) werd nauwelijks gediscussieerd.

Voetbal maakt in Algerije meer passies los dan politiek. Maar de Algerijnen hebben wel voor continuïteit gestemd. Het Algerijnse politieke bestel blijft stevig vergrendeld. Alles blijft bij het oude: een president die niet zonder de steun van het leger kan en ook in de toekomst het land resoluut op het spoor van de neoliberale vrije markteconomie zal zetten. Uittredend president Abdelazziz Bouteflika werd met 83 procent van de stemmen herkozen. In 1999 was Bouteflika – de kandidaat van de militairen, de ware machthebbers in Algerije – voor het eerst verkozen na een gigantische verkiezingsfraude.

Vandaag laat hij zijn concurrenten mijlenver achter zich. Zijn belangrijkste uitdager, Ali Benflis, de voormalige premier, harkte slechts 7,9 procent van de stemmen bijeen. De moslimfundamentalist Abdallah Djaballah scoorde een schamele 4,8 procent. Berberleider Saïd Sadi van het Rassemblement pour la Culture et la Démocratie eindigde op 1,9 procent. De leidster van de trotskistische Parti des Travailleurs, Louisa Hanoune, was als eerste vrouwelijke presidentskandidate in de geschiedenis van Algerije goed voor 1,2 procent.

Fraude met mate

Ook bij deze verkiezingen verstomden de geruchten over fraude niet. In het opstandige Kabylië – maar ook elders in het land – bleven heel wat stembureaus dicht of ontbraken de urnen. Maar de meeste buitenlandse waarnemers, die de stembusgang volgden, zijn het ervover eens dat er deze keer niet massaal is geknoeid met de verkiezingsuitslagen. En nog een primeur: op 8 april mochten de Algerijnse militairen niet langer in hun kazernes hun stem uitbrengen. Die praktijk was in het verleden aanleiding geweest tot een massale fraude met stembiljetten. Soldaten en officieren moesten dit keer zoals alle andere Algerijnen naar een officieel stembureau.

Twee niet onbelangrijke tegenstanders van Abdelazziz Bouteflika hadden van het gerecht verbod gekregen aan deze presidentsverkiezingen deel te nemen: de ex-premier en voormalig ambassadeur in Brussel, Ahmed Ghozali, en de moslimfundamentalist Ahmed Taleb Ibrahimi. De voormalige eenheidspartij FLN (Front de Libération Nationale), die bijna dertig jaar onafgebroken aan de macht is geweest, kreeg van het gerecht een verbod opgelegd om de campagne van voormalige premier en mensenrechtenactivist, Ali Benflis, financieel te ondersteunen.

Adelazziz Bouteflika had bij deze verkiezingen schijnbaar geen massaal bedrog nodig. Hij kon rekenen op een goed geoliede campagnemachine, die over behoorlijk wat middelen beschikte. En Bouteflika en zijn omgeving bepalen nog steeds wie en wat er op de televisie verschijnt… De uittredende president had de media op zijn hand. En zijn tegenstanders hebben het geweten.

De trauma’s van de terreur

De Algerijnse maatschappij blijft diep getekend door de golf van terreur, die het land in de jaren negentig in rouw en paniek stortte. Niemand kan met zekerheid zeggen of er nu 100.000 of 200.000 slachtoffers zijn gevallen van het fundamentalistische terrorisme en de contraterreur van het Algerijnse leger. De oplossing die het Algerijnse regime aan dit uiterst traumatische probleem heeft gegeven, zint de meeste Algerijnen niet. De belangrijkste fundamentalistische krijgsheren kregen amnestie en namen hun plaats weer in in het openbare leven. Over de rol van de ordestrijdkrachten tijdens de "zwarte jaren" mogen geen vragen worden gesteld. De generaals zijn onaantastbaar. En weinigen durven vragen stellen.

Er blijven enkele hardnekkige terroristische kernen actief in het land. Amerikaanse specialisten van de "war on terror" staan de Algerijnse strijdkrachten bij in hun strijd tegen deze restanten van de terroristische beweging. President Bouteflika is sinds 11 september een graag geziene gast in het Witte Huis. In juli 2001 en december 2001 werd hij door George W. Bush in Washington met de nodige égards ontvangen. Vorige Amerikaanse presidenten hadden weinig belangstelling voor hun Algerijnse ambtgenoten en ze werden zelden of nooit officieel voor een staatsbezoek uitgenodigd.

Een deel van de gewapende fundamentalistische groepen in Algerije heeft zich inmiddels herschoold en zit in de georganiseerde misdaad, die in 2003 verantwoordelijk was voor de gewelddadige dood van 1.500 landgenoten. Sommige Algerijnse kranten melden dan opgelucht dat de 1.500 doden van het politiek-misdadig geweld nauwelijks te vergelijken vallen met de 4.000 verkeersslachtoffers, die er op Algerijnse wegen vallen.

Algerije telt welgeteld één centrum voor de psychologische begeleiding van slachtoffers van geweld. Het wordt in Annaba geleid door dokter Mohammed Boudef. Hij citeert hallucinante cijfers over de omvang van het geweld in de Algerijnse maatschappij. Meer dan een miljoen jongeren onder de vijftien jaar zijn het directe slachtoffer of getuige geweest van de terreur van de fundamentalisten of georganiseerde misdaadbenden en de contraterreur van de Algerijnse staat. Dat alles heeft diepe wonden geslagen in de Algerijnse maatschappij. En Bouteflika en de Algerijnse generaals hebben dan maar "een streep onder het verleden getrokken".

De coalitie, die de verkiezingscampagne van Bouteflika steunde, telde nogal wat fundamentalisten in haar rangen. De Mouvement de la Société pour la Paix (MSP) van Bouguerra Soltani (de opvolger van de overleden Mahfoud Nahnah), Rabah Kebir, één van de stichters en woordvoerders in het buitenland van het verboden Islamitische Heilsfront (FIS) en Madani Mezrag, voormalige emir van de gewapende vleugel van het FIS, riepen hun achterban op om voor Bouteflika te stemmen.

De verantwoordelijken van de terroristische aanslagen gaan volstrekt straffeloos vrijuit. De meerderheid van de Algerijnen heeft niet het minste vertrouwen meer in het politieke personeel. Zij weten dat de militairen nog steeds de lakens uitdelen. En paradoxaal genoeg stemmen ze massaal voor de man van de Algerijnse militaire (en economische) nomenklatura: Abdelazziz Bouteflika. De stembusgang van 8 april betonneert de politieke en maatschappelijk toestand in het land voor tenminste nog eens vijf jaar.

Algerije beursgenoteerd

En inmiddels blijft het business as usual. Algerije wordt in sneltreinvaart een beursgenoteerd bedrijf. De regels van de vrije markt gelden voor alle domeinen en sectoren. Buitenlandse bedrijven worden met open armen ontvangen door politici, militairen en zakenlui. William B. Quandt, voormalig lid van de Amerikaanse National Security Council en één van de specialisten van het Midden-Oosten en Noord-Afrika van de gezaghebbende Amerikaanse "denktank" Brookings Institution stelde in een artikel in Le Monde Diplomatique (juli 2002) niet zonder tevredenheid vast dat het goed gaat met de Amerikaans-Algerijnse betrekkingen. De "war on terror" en petroleum zijn de twee sleutelelementen die voor een verbetering in de betrekkingen tussen Washington en Algiers hebben gezorgd, stelt Quandt.

Het Algerijnse leger, dat voornamelijk met Sovjetwapentuig was uitgerust, wordt in ijltempo gemoderniseerd. Algiers zal tot in 2007 jaarlijks voor 2,3 miljard dollar nieuwe wapens aankopen. Rusland blijft de grootste leverancier, maar de Verenigde Staten nemen een niet onbelangrijk deel van deze transacties voor hun rekening. Volgens cijfers van de Defensiecommissie van het Amerikaans Congres kochten de Algerijnen vorig jaar voor 700 miljoen dollar militaire uitrusting in de VS. De twee jaren voordien verdiende het Amerikaans militair-industrieel complex telkens 500 miljoen dollar aan de wapencontracten met Algiers.

Volgens William B. Quandt "is het goed om even te herinneren aan de goede banden die president Bush onderhield met de oliemaatschappijen, toen hij gouverneur van Texas was. Eén van die maatschappijen is Andarko, met zetel in het Texaanse Houston. Dat bedrijf heeft veel geïnvesteerd in Algerije en heeft er ook nieuwe olievoorraden ontdekt – twaalf nieuwe winningplaatsen sinds 1991." "Volgens het jongste jaarrapport van het bedrijf ging het hier om een totaal van 2,8 miljard vaten. De productie is begonnen in 1998 en kan tegen begin 2003 oplopen tot 500.000 vaten per dag. Vergeleken met de productie van de Golfstaten lijken deze cijfers eerder bescheiden, maar voor een onafhankelijke Amerikaanse petroleummaatschappij is dit een niet te verwaarlozen volume," aldus Quandt.

Eén van de architecten van het neoliberale Algerijnse energiebeleid is minister van Energie en Mijnwezen, Chakib Khelil. Samen met de Amerikaanse staatssecretaris voor Energie, Abraham Spencer bracht hij op 6 en 7 november 2002 in Washington een ontmoeting tot stand waaraan 140 genodigden deelnamen van beide regeringen, de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds, de Amerikaanse energie- en oliebedrijven en de Algerijnse staatsoliemaatschappij Sonatrach. In de coulissen van Washington werden schijnbaar gouden zaken gedaan. Na afloop van de vergadering verklaarden Chakib Khelil en Abraham Spencer dat beide landen een partnership hadden bedongen en dat Algerije een stabiele, veilige leverancier van vloeibaar aardgas van de VS zal worden.

Chakib Khelil, president Abdelazziz Bouteflika en de Algerijnse militairen hebben grootse plannen met de olie- en gasmaatschappij Sonatrach, de parel aan de kroon van de Algerijnse staatseconomie destijds. Sonatrach heeft 125.000 arbeiders en bedienden in dienst. Gigantisch veel op het eerste gezicht. Een peulschil vergeleken bij het massaleger van werklozen in het land (twee miljoen, waarvan 55 procent jonger is dan 20 jaar). Het bedrijf haalt orders binnen van grote buitenlandse bedrijven om een maximale winst te kunnen noteren. De met de Bush-regering nauw verweven oliereus Halliburton zette met de Algerijnen een contract van acht jaar op papier om de productie van het olieveld Hassi Messaoud fors op te drijven. Tot nog toe is het Britse BP het succesvolst in Algerije (1.097 miljoen vaten), gevolgd door het Noorse Statoil (925 miljoen vaten), het Spaanse CEPSA (558 miljoen vaten en het Italiaanse ENI (529 miljoen vaten).

Privatisering van gas- en oliesector

Met de ruime verkiezingsoverwinning van Abdelazziz Bouteflika is het nu vrijwel zeker dat de nieuwe wet op de olie- en gaswinning, die tot een snelle privatisering van Sonatrach moet leiden, er daadwerkelijk komt. Tot hiertoe waren de hoogste kringen in Algiers er niet in geslaagd deze wet te laten goedkeuren. Eén van de heftigste tegenstanders van de privatisering van Sonatrach is de machtige vakbondscentrale UGTA (Union générale des Travailleurs algériens). Paradoxaal genoeg bevonden de leiders van de UGTA zich samen met de verschillende Algerijnse patroonsorganisaties in het bondgenootschap, dat de campagne van Bouteflika ten volle steunde. De vraag is dan ook of de UGTA-leiding in de toekomst de strijd tegen de privatisering van Sonatrach en andere belangrijke staatsbedrijven en openbare diensten zal blijven voeren. In presidentiële kringen is men niet langer bereid rekening te houden met de "capsones" van de UGTA. En ook hier zou Bouteflika zich wel eens van zijn leepste kant kunnen tonen. Hij is voorstander van een nationaal pact tussen de vakbond UGTA, het patronaat en de staat om de nieuwe wet op de olie- en gaswinning er snel door te drukken.

De beloften van Bouteflika

Abdelazziz Bouteflika heeft met een electorale campagne "à l’américaine" en een korf vol verkiezingsbeloften 83% van de Algerijnse kiezers overtuigd. En de nieuwe president heeft heel wat beloofd. Tijdens zijn volgende ambtsperiode zullen er 100.000 nieuwe ondernemingen worden opgericht, die 2 miljoen nieuwe banen zullen creëren. Bouteflika beloofde een miljoen nieuwe woningen te zullen bouwen. De Algerijnse scholen zullen honderdduizenden nieuwe scholieren opvangen en tegen 2008 zullen de Algerijnse universiteiten in staat worden gesteld om één miljoen nieuwe studenten in te schrijven.

Bouteflika beloofde ook een oplossing voor het conflict in Kabylië, waar al jaren een volksopstand van de Berbers sluimert en waar de Algerijnse politie en het leger met harde hand te keer gaan. De nieuwe president is van plan een referendum te organiseren over de officiële erkenning van het Tamazight, de taal van de Berbers in Kabylië. Of hij daarmee de lont uit dit kruitvat kan halen, blijft een open vraag. Maar er is wel de vaststelling dat Bouteflika ook in het opstandige Kabylië erg hoog heeft gescoord op 8 april. In de belangrijkste stad Tizi-Ouzou eindigde Bouteflika tweede na Berberleider Saïd Sadi, maar in andere steden zoals Bejaïa of Bouira won hij op overtuigende wijze.

De vraag is echter welke rekening de Algerijnen Bouteflika zullen presenteren in 2009? Dat Algerije tegen sneltempo volledig zal worden ingeschakeld in de geglobaliseerde, neoliberale wereldeconomie staat vast. Minder zeker is of Bouteflika zijn sociale beloften zal kunnen waarmaken en voor minder armoede en meer jobs zal zorgen. De kans is reëel dat de Algerijnen hem hier vroeg of laat op afrekenen.

(Uitpers, nr. 54, 5de jg., juni 2004)

Visited 7 Times, 1 Visit today

Tags :