De oorlogseconomie in Irak

In de zomer van 2007 publiceerden Pete W. Moore (Case Western Reserve University in de VS en Christopher Parker van de Universiteit Gent) een interessant artikel over de oorlogseconomie in Middle East Report (nr. 243). Eind 2007 was Pete W. Moore te gast op een seminarie te Gent over de westerse politiek in het Midden-Oosten waar hij het verhaal over de oorlogseconomie uit de doeken deed. Een kort verslag.

De oorlog in Irak wordt voorgesteld als een kwestie van intern etnisch en religieus geweld. De oorlog ziet er echter totaal anders uit vanuit een politiek-economisch perspectief. In Maart 2003 zei Paul Bremer: ‘Iraq is open for business’ en dat zegt veel. Enkele jaren later zien we die ‘business’ inderdaad op volle toeren draaien, maar misschien niet helemaal zoals het voormalige hoofd van de ‘Coalition Provisional Authority’ (CPA) het bedoelde.

Moore onderzocht de vrijhandelszones in Jordanië en de economische belangen van ondernemers in Irak in 2004. Dit was op een moment dat het geweld in Irak heel hevig was. De Jordaanse ondernemers en vrachtwagenchauffeurs die goederen door Jordanië naar Irak transporteerden maakten in die periode gebruik van verschillende codes. Na enig speurwerk bleek dat de codes op de vrachtwagens samenhingen met het betalen van de taksen op de wegen in Irak. Het waren indicaties van de oorlogseconomie.

In de oorlogseconomie is de controle over de productie en productiemiddelen een manier om het geweld te financieren. Geweld is een instrument om monopolies te forceren. Het gaat in Irak om georganiseerde misdaad en zogenaamde ‘protection rackets’ (1). In Irak is wie dat kon vertrokken. Circa twee miljoen mensen hebben het land verlaten.

Wat zijn de politieke antecedenten van oorlogseconomieën? Hoe droeg de VS-invasie bij tot oorlogseconomie? Hoe herscheppen of beïnvloeden oorlogseconomieën andere economieën? Dat zijn de vragen die Moore zich begon te stellen.

De Iraakse economie is tot op grote hoogte afhankelijk van de import van goederen uit Jordanië. Vanaf 1991 kreeg je import vanuit Turkije via Noord-Irak naar het centrum en langs het Zuiden vanuit Dubai: Iraanse goederen werden eerst naar Dubai verscheept/gevlogen om vandaar uit Irak binnengebracht te worden. De VS waren weinig op de hoogte van deze economische structuren. Ze dachten dat de economie van Irak, op het ogenblik van de invasie, eruit zag als een oude Sovjet-economie, die erg top-down, dat is van uit de regering werd georganiseerd, een zogenaamde ‘commando-economie’. De oplossing zou de liberalisering van de economie vormen. Daarenboven hadden de VS een gebrekkige visie over hoe opstandelingen zich economisch financieren.

Om de oorlogseconomie vandaag te begrijpen moeten we kijken naar een aantal binnenlandse antecedenten. Vanaf 1987 is er onder Saddam Hoessein reeds een geleidelijke overgang bezig van een op het socialisme geïnspireerd systeem naar liberale markteconomie. Een aantal jaren later, in 1992, wordt een begin gemaakt van privatiseringen. Wat aan de Baathpartij toebehoorde wordt uitverkocht aan de mensen van de Baath, vooral aan partijmensen die zich in de directe omgeving van Saddam Hoessein bevinden. In 1981 wordt de enige haven in Irak, Umm Qasr, gesloten. De haven van Aqaba in Jordanië wordt de belangrijkste haven voor de invoer van goederen in Irak en er ontwikkelt zich een handelsregime tussen Jordanië en Irak. Jordanië is echter een zeer belangrijke partner van de VS en dus staat die oogluikend de handel tussen de twee landen toe, ook wanneer Irak onder het sanctieregime valt, vanaf 1991, en de handel ondergronds gaat.

De handel tussen Jordanië en Irak is heel belangrijk voor de economische en politieke actoren. De goederen komen via Aqaba binnen in zuid-Jordanië, wat een sterk bastion is van het Hasjemitisch regime (Koningshuis in Jordanië). De vrachtwagens van Aqaba gaan over de snelweg naar Irak via de Al-Anbar provincie. Met de invasie was dat deel van het traject in de provincie heel gewelddadig. Later ontstonden afspraken tussen de handelaars en de opstandelingen en nam het geweld af. De aanvallen van de opstandelingen waren het talrijkst in 2004, waarna ze sterk daalden. De VS zagen dat als een teken van succes, namelijk dat zij ‘de opstandelingen onder controle kregen’. In realiteit kregen de opstandelingen de controle over de infrastructuur.

In de postinvasie periode was er een CPA-beleid dat streefde naar stabilisering van de munt, groei van het bruto binnenlands product en vrijmaking van de handel. De successen die in dit beleid geboekt werden zijn evenwel niet aan CPA toe te schrijven en je kan je daarbij de vraag stellen of de VS niet gewoon een zoveelste militie in Irak vormden, maar dan één met meer wapens?

Met de oorlogseconomie probeerden zowel de Baath als het Hasjemitisch regime in Jordanië aan de macht te blijven en ook nu nog is die machtsstrijd aan de gang. Met steun van de VS is er wel opnieuw meer controle over de wegen. De oorlogseconomie verschaft ook arbeid en veel vluchtelingen uit Irak in Jordanië zullen druk uitoefenen om jobs in die transportsector in te vullen. Door de economische verbanden bestaat de kans dat de oorlog zich zal verspreiden.

(Uitpers, nr 96, 9de jg., 19 maart 2008)

Noot

(1) ‘Protection rackets’ (lett. ‘Beschermingszwendel’) is een afpersingssysteem waarbij een machtige groep of individu andere groepen of individuen dwingt om beschermingsgeld te betalen tegen allerlei dreigingen. Zij die dat niet doen, kunnen geviseerd worden door criminelen van binnen of buiten de organisatie (nvdr)

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 80 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook