De oligarchie van het "poetinisme"

“De Russische democratie is verdwenen en de Russische regering is een oligarchie geleid door de geheime diensten”. Dat zou de Amerikaanse minister van Defensie Robert Gates volgens door WikiLeaks bekendgemaakte documenten begin 2010 gezegd hebben aan zijn Franse collega Hervé Morin. En nog volgens WikiLeaks zocht Vladimir Poetin als president een opvolger die zijn fortuin en veiligheid beschermde – aldus de VS-ambassade in Moskou in 2006.

We hoefden niet op de lekken van WikiLeaks te wachten om te weten dat met het aan de macht komen van Poetin begin 2000 geen einde was gekomen aan de greep van de oligarchen. De uitvallen van Poetin tegen de oligarchen maken gewoon deel uit van zijn propagandamachine die hem voorstelt als de verdediger van de belangen van de gewone burger. De oligarchen – zijnde de plunderaars van ’s lands rijkdommen tijdens de periode Boris Jeltsin (1991 tot eind 1999) – zijn bijzonder onpopulair in Rusland. Maar degenen die zich aan de afspraken van 2000 hielden en zich buiten de politiek hielden, konden rustig hun imperiums verder uitbreiden. Alleen wie zoals Michail Chodorkovsky politieke ambities koesterde, moest eraan geloven.

Fortuinbeschermers

Wat daar onder Poetin bijkwam, verwoordt Gates goed: de geheime diensten, de FSB waarvan Poetin kort chef was tot toenmalig president Jeltsin hem in de zomer van 1999 tot premier aanstelde. Poetin had in enkele maanden zeer knap werk geleverd: hij had ervoor gezorgd dat de procureur die een onderzoek instelde naar de corruptie van de clan Jeltsin, buitenspel werd gezet. En toen hij eind van het jaar Jeltsin als president opvolgde, zorgde hij er onmiddellijk voor dat die niet kon vervolgd worden, dat aan het fortuin van hem en zijn omgeving niet kon geraakt worden. Hetzelfde wat hij nu volgens de bronnen van WikiLeaks voor zichzelf wou.

Ook over de omvang van Poetins fortuin (en dat van zijn vrouw, onder meer erg actief in de telecommunicatie), laat WikiLeaks ook iets lekken. Sinds 2007 doet het oncontroleerbare gerucht de ronde dat Poetins fortuin rond 40 miljard euro zou liggen, onder meer bestaande uit aandelen in Gazprom en andere grote ondernemingen waarover de staat de controle heeft.

Een deel van zijn fortuin zou bestaan uit een spaarpot opgeborgen in Liechtenstein en Zwitserland. Er wordt al jaren verwezen naar de in Nederland en Zwitserland gevestigde firma voor oliehandel, Gunvor, in handen van Poetins vriend Gennadi Timsjenko. Gunvor is de vierde grootste firma voor oliehandel in de wereld. Het Kremlin spreekt al die aantijgingen tegen; gezien het gebrek aan enige transparantie valt het uiteraard moeilijk te achterhalen wat er waar is van die geruchten die de vroegere Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Condoleeza Rice blijkbaar geloofwaardig achtte.

Poetin bouwde in eigen land zijn populariteit op als verdediger van de gewone burger in de strijd tegen oligarchen en corruptie. De oligarchen hebben zopas een nieuw cadeau gekregen: grootscheepse privatiseringen. Meer dan 900 ondernemingen gaan deels worden verkocht, daaronder twee banken (Sberbank en VTB), de spoorwegen, de koopvaardij Sovkomflot , de grote oliemaatschappij Rosneft… De omvang van de privatisering wordt op 42 miljard euro geraamd.

Op het vlak van corruptie is er ten opzichte van de wildwestperiode onder Jeltsin weinig veranderd. In een door WikiLeaks gelekte nota van februari 2010 maakt de Amerikaanse ambassade in Moskou een ongenadige analyse van de corruptie en de invloed van de georganiseerde misdaad in de stad Moskou. Burgemeester Joeri Loezjkov wordt een steeds groter risico voor het Kremlin, aldus de nota. Zeven maanden later stuurde president Medvedev de burgemeester de laan uit. Strijd tegen corruptie? Die was bijna 20 jaar lang geduld, maar Loezjkov kreeg al teveel macht, onder meer door een eigen mediarijk uit te bouwen. Zijn afzetting was een afrekening binnen het apparaat, geen bestrijding van de corruptie.

Van patriottisme

Om het regime een ideologische basis te geven, gaat Poetin verder op de ingeslagen wegen van het patriottisme. Zijn eigen jeugdbeweging, Natsji, neemt daarin het voortouw (zie Uitpers 89, september 2007). Medvedev en Poetin vrijen nog meer dan vroeger de Russisch-orthodoxe kerkleiders op. Die kregen als eindejaarsgeschenk een wet die hen de eigendom geeft over alle door de communisten indertijd in beslag genomen kerken, kloosters en religieuze voorwerpen – tot ontzetting van de musea die ervoor vrezen wat er met die voorwerpen gaat gebeuren. Ze vrezen dat er nogal wat in de illegale kunstcircuits zullen terechtkomen. De musea hebben wel redenen om discreet te zijn, de voorbije jaren zijn 250.000 kunstvoorwerpen uit de Russische musea verdwenen.

Hoe dan ook, die kerkleiders vragen niet liever dan het patriottische spel mee te spelen. Ze krijgen een steeds prominentere rol in het openbaar leven en werpen zich op als incarnatie van die beruchte “Russische ziel”. Desondanks lopen hun kerken niet vol, maar dat is niet echt hun zorg.

tot racisme

Dat poetinistisch patriottisme betekent in de praktijk meer en meer dat racistische groepen de vrije hand krijgen. Dat bleek pijnlijk bij de incidenten van 10 december toen racistische benden, deels bestaande uit supporters van de voetbalploeg Spartak Moskou, vlakbij het Kremlin jacht hielden op ‘tsjornoi’, de “zwarten” uit de Kaukasische gebieden en Centraal-Azië Met als kreet “Rusland aan de Russen” en “Moskou aan de Moskovieten”.

De voorbije jaren zijn al tientallen ‘tsjornoi’ tijdens pogroms vermoord. Opvallend is dat de daders zeer zelden worden gevonden, en als ze worden gevonden lichte straffen krijgen. Bij de incidenten van 11 december viel vooral de goede verstandhouding tussen de politie en racistische manifestanten op. Russische journalisten zegden dat veel agenten duidelijk maakten achter de slogan “Rusland aan de Russen” te staan. De politie trad laat op tegen degenen die op “zwarten” jaagden en dreef hen in de metro waar ze hen ongestoord al wie een donkere huid had uit de metrostellen liet slepen.

Mediamensen die deze fenomenen en het toenemende autoritarisme aan de kaak stellen, nemen serieuze risico’s. Tientallen moorden op journalisten en op verdedigers van elementaire mensenrechten zijn vermoord, maar de moordenaars worden zelden opgespoord en nog minder vaak veroordeeld. Ze zijn als het ware vogelvrij.

Intussen genieten maffiabazen, de Tsjetsjeense voorop, van straffeloosheid en zelfs hoge medeplichtigheid. Nogmaals WikiLeaks: na enkele operaties in Spanje tegen Russische maffiabazen, hebben Spaanse maffiajagers het over de grote greep van de georganiseerde misdaad op belangrijke economische sectoren in Rusland en stellen ze de vraag in hoeverre Poetin daarmee te maken heeft. En over het fait dat de geheime dienst FSB de maffia in haar rangen integreert.

Maar het “middenveld” staat erg zwak. Allerlei organisaties voor mensenrechten zitten geïsoleerd, ze hebben weinig toegang tot de media en tot een bevolking die zich vooral bekommert om het eigen dagelijks bestaan. De vakbonden stellen niet veel voor, en ze zijn bovendien wettelijk verder aan banden gelegd terwijl de bevoegdheden van de FSB zijn uitgebreid. Af en toe zijn er hoopgevende signalen, een staking, een betoging om sociale of milieumotieven. Maar het Kremlin kan geïsoleerde acties voorlopig makkelijk de baas, het politieke leven blijft beperkt tot binnen de muren van het Kremlin.

(Uitpers nr. 127, 12de jg., januari 2011)

(Visited 5 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 94 Times, 2 Visits today

Tags :
Over Freddy De Pauw

Freddy De Pauw was van 1972 tot 2002 redacteur buitenland bij De Standaard. Hij volgde jarenlang Centraal- en Oost-Europa, een groot deel van Azië (o.m. China) en Italië. Hij publiceerde o.m. bij het Davidsfonds Volken zonder Vaderland’ over de ‘etnische kwesties’ in Centraal- en Oost-Europa; De firma maffia; Italië, moeder van alle smeer; Russische mafija; Handelaars in mensen; Maffia in België en Handelaars in nieuws – over trends in de berichtgeving. Werkt sinds de start in 1999 mee aan Uitpers.

zie ook