De nieuwe strategie van de PKK?

Abdullah Öcalan, de leider van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK), werd deze zomer in Turkije ter dood veroordeeld. Dat besliste de speciale Rechtbank voor Staatsveiligheid (DGM) op het streng bewaakte gevangeniseiland Imrali. Hetzelfde eiland waar kort na de militaire staatsgreep van 1960, voormalig premier Adnan Menderes en twee van zijn ministers werden geëxecuteerd. Verloop en afloop van het proces waren voorspelbaar. De Turkse staat hield de aanklacht zo lang mogelijk geheim, zodat het voor de advocaten nagenoeg onmogelijk was om een degelijke verdediging op te bouwen. In pers en parlement werd Öcalan nog voor de aanvang van het proces een “monster” of “babymoordenaar” genoemd. Öcalan kreeg de volle verantwoordelijkheid in de schoenen geschoven voor de meer dan 30.000 slachtoffers sedert de aanvang van het gewapend verzet in 1984. Er werd daarbij geen onderscheid gemaakt tussen gedode militairen of PKK-strijders. De rechters waakten er zorgvuldig over dat de Turkse staat buiten schot bleef.

Bizarre verdediging

Toch was iedereen ervan overtuigd dat de verdediging er desondanks in zou slagen het hele proces in een politiek gebeuren om te buigen: een aanklacht tegen de Turkse aanpak van de Koerdische kwestie. Öcalan verraste evenwel vriend en vijand door zich alvast te verontschuldigen voor het jarenlange conflict en, conform de aanklacht, de volledige verantwoordelijkheid op zich te nemen. Zijn verdediging was op zijn minst bizar te noemen en niet vrij van tegenstrijdigheden. “Het is niet goed dat het gebruik van het Koerdisch in Turkije verboden is. Dat is een ernstige beperking”, aldus Öcalan, maar zelf sprak hij gedurende het hele proces geen woord Koerdisch. “Grondwettelijk kan hij zich niet in het Koerdisch verdedigen. Ook al sprak hij de taal maar vijf minuten, dan was in elk geval de politieke toon van het proces gezet”, aldus een insider. (1)
Zijn over het algemeen verrassend verzoenende houding contrastreerde dan weer met dreigende taal indien hij zou geëxecuteerd worden: “Mijn organisatie zal duizenden strijders mobiliseren en er kunnen honderdduizend mensen omkomen.” De Turkse pers interpreteerde dit als een poging om aan de terdoodveroordeling te ontsnappen. Binnen de Koerdische achterban heerste dan weer verwarring over het feit dat Öcalan verzuimde om de Turkse staat in het beklaagdenbankje te roepen, zeker met al die internationale aandacht. Enkele van zijn advocaten waren trouwens niet erg opgezet met het feit dat Öcalan het heft in eigen handen nam en een aantal mooie kansen voor een politiek proces liet liggen. Zij namen ontslag.

PKK legt de wapens neer

Ondertussen nam een meerkoppig leiderschap het PKK-roer over, met onder meer zijn broer Osman Öcalan en Cemil Bayik, een gezaghebbende commandant. De collectieve leiding liet de tegenstrijdigheden voor wat ze zijn en verspreidde verschillende communiqués ter bevestiging van Öcalans verklaringen. Samengevat komen die kortweg neer op het neerleggen van de wapens en de terugtrekking van de ARGK (militaire vleugel van de PKK) uit Turkije, en een voorstel tot onderhandelingen die moeten leiden tot één of andere vorm van autonomie binnen een democratische Republiek Turkije. In een laatste verklaring voor de Koerdische TV-zender Medya-TV, liet Broer Osman Öcalan zelfs horen dat “we definitief onze wapens neerleggen, om ze nooit meer op te nemen. (2) Hij liet bovendien weten dat de PKK zich zou omscholen tot een politieke partij.

Een teken van zwakte? Gewoon tactiek? Of daadwerkelijk een andere strategie?
Het is weinig waarschijnlijk dat de PKK is moeten buigen voor de Turkse militaire overmacht. Hoewel de omstandigheden voor een guerrilla-oorlog veel minder gunstig zijn dan enkele jaren terug, kon de PKK alleszins terugvallen op een ruime recruteringsbasis. De steun van het volk is er en ook financieel boert de organisatie niet slecht. Het bergachtig landschap maakt dat een jarenlange guerrilla-oorlog tot de mogelijkheden behoort, zelfs al beschikt de tegenstander over meer dan 300.000 uitstekend uitgeruste militaire en paramilitaire troepen.

“We handelen zeker niet uit tactische overwegingen”, aldus Abdullah Öcalan in een verklaring van 10 augustus. Toch leverden de opeenvolgende PKK-démarches alvast het effect op dat Turkije toenemend onder druk staat van het Westen en meer bepaald van de belangrijkste bondgenoot en beschermengel, de Verenigde Staten. Het bezoek van VS-onderstaatssecretaris Harold Koh, verantwoordelijk voor democratie en mensenrechten, begin augustus was een teken aan de wand. Koh bezocht de Koerdische regio en sprak onder meer met mensenrechtenactivisten, onder wie de prominente Koerdische politica Leyla Zana en de voorzitter van de Turkse Mensenrechtenassociatie (IHD), Akin Birdal, die beiden een gevangenisstraf uitzitten wegens opiniedelicten. (3)

Uiteraard ging Koh niet zover om het staatsgeweld in de Koerdische regio te veroordelen, maar hij legde wel heel erg de nadruk op de povere mensenrechtensituatie en vroeg om “de verschillende artikels van de Turkse grondwet, strafcode en anti-terroristenwet, die de vrije menigsuiting inperken op te heffen.” (4) Bovendien moeten alle inwoners van Turkije kunnen genieten van “vrijheid van taal en cultuur en vrijheid om politieke partijen op te richten die hun belangen vertegenwoordigen”.
Zinspelend op de laatste PKK-verklaringen zei Koh dat “de indruk bestaat dat een nieuwe fase is begonnen” en dat “er geen louter militaire oplossing voor de Koerdische kwestie kan zijn”. Een zelden gehoorde kritische noot in de anders uitstekende relaties tussen beide landen. Turkije is gevoelig voor opmerkingen uit de VS. Dat geldt zeker voor de militairen die destijds op VS-steun konden rekenen bij hun staatsgreep van 1980 en tegenwoordig voor drie kwart van hun materieel afhankelijk zijn van de Amerikaanse wapenindustrie.

Turkse geheime contacten met PKK

Toch is er bij de PKK meer aan de hand. De massale Turkse militaire machtsontplooiing, vooral aan het begin van dit decennium, mag dan de PKK niet op de knieën hebben gedwongen, de guerrilla-organisatie heeft wel ingezien dat ze nooit een militaire overwinning zou behalen. Abdullah Öcalan had dat gauw door. Vandaar dat hij al op 17 maart 1993 in Bar Elias (Libanon) voor de eerste keer een signaal gaf dat hij liever een politieke oplossing nastreefde. Hij kondigde een eenzijdig staakt-het-vuren aan met een opmerkelijke verklaring waarin hij ook afstand leek te nemen van de ideologische koers: “Ik ben bereid om het terrorisme en het separatisme te veroordelen; wij zijn geen communisten meer, maar patriotten”. (5) Öcalan zag formeel af van de onafhankelijkheidseis. Het bestand zou standhouden indien er een einde zou komen aan de militaire operaties, taal en culturele rechten zouden worden geëerbiedigd, de staat van beleg zou worden opgeheven en het recht op vrije organisatie en politieke activiteit zouden worden erkend.

Maar op 8 juni 1993 kwam er opnieuw een einde aan het eenzijdig bestand, toen bleek dat het leger zijn militaire campagne voortzette.(6) Öcalan was niet echt gelukkig met de hervatting van de strijd. Volgens bepaalde bronnen zou zijn commandant Semdin Sakik met een aanslag – waarbij 33 Turkse soldaten sneuvelden – het bestand hebben gebroken, zonder zijn medeweten. (7)

Voortaan zou Öcalan de idee van een politieke oplossing niet meer loslaten, te meer daar er signalen kwamen van de Turkse staat die hem aanmoedigden. Volgens het blad Kurdistan – uitgegeven door het Kurdistan Informatie Centrum in Amsterdam, een organisatie van de PKK – zou toenmalig president Turgut Özal zijn invloed hebben aangewend ten behoeve van het bestand, maar was er vooral op de lagere echelons felle weerstand. (8) Volgens datzelfde blad liepen er al enkele jaren contacten tussen de PKK en vertegenwoordigers van de regering. Premier Mesut Yilmaz zou op 1 april 1996 de PKK via HADEP (9) hebben laten weten dat de Turkse regering met haar wilde spreken. Yilmaz stelde een vredesproces voor vergelijkbaar met dat in Israël. Er werden zelfs bemiddelaars benoemd. Maar om de een of andere reden gingen de contacten niet door.

De laatste afkondiging van een wapenbestand door Abdullah Öcalan, alvorens hij Syrië moest verlaten, moet wellicht in dat kader worden gezien. Op 30 juli deed een tussenpersoon het voorstel aan de leiding van de PKK-gevangenen in Turkije dat de PKK op 1 september 1998 een wapenstilstand zou uitroepen, wat tot ontspanning zou kunnen leiden en de komende verkiezingen gunstig zou beïnvloeden. “De Turkse staat zou op een wapenstilstand ‘de facto’ reageren. Dit laatste wekte de indruk dat de Turkse staat geen openlijke uitspraken zou doen over het staakt-het-vuren, maar dat de militaire operaties in Koerdistan zouden worden beëindigd of in ieder geval beperkt.” (10) Op 16 augustus voegde de Turkse staat er nog aan toe dat er “een zelfkritische houding van de PKK werd verlangd.”

Als op 1 september 1998 een wapenstilstand zou worden afgekondigd, kon de PKK in ruil rekenen op de stopzetting van de militaire operaties, het afschaffen van het dorpswachtersysteem, en het in gang zetten van de voorwaarden om de “Koerdische kwestie democratisch en vreedzaam op te lossen”. Öcalan nam het voorstel serieus, hoewel hem kort daarna werd duidelijk gemaakt dat niet iedereen binnen de regering dezelfde bereidheid tot onderhandelen aan de dag legde. Op 28 augustus kondigde Öcalan een wapenbestand van onbepaalde duur aan: “Als bij deze gelegenheid gunstige voorwaarden worden geschapen, zal duidelijk worden dat wij geen kracht zijn die de eenheid van Turkije schaadt, noch een kracht die haar soevereiniteit ter discussie stelt”.

Öcalan was er van overtuigd dat met dit positief signaal een opening werd gecreëerd voor onderhandelingen.
Maar aan Turkse zijde scheen elke toegeving van de PKK een omgekeerd effect te veroorzaken. Daarvoor zijn twee mogelijke verklaringen: ofwel is Öcalan er ingeluisd, ofwel waren de krachten – meer bepaald in extreem-nationalistische kringen en leger – tegen elke toegeving aan de PKK veel te sterk. In elk geval zouden Turkse generaals kort na de afkondiging van het nieuwe bestand uiterst dreigende oorlogstaal uitkramen om buurland Syrië te dwingen Öcalan uit te leveren. De Turkse generaals konden daarbij rekenen op steun van de de nationalistische pers. (11) Öcalan, die na Syrië aan zijn Odyssee was begonnen, bleef er evenwel van overtuigd dat hij op dezelfde nagel moest blijven kloppen.

Eerste dooi?

Het lijkt erop dat de strategie van de PKK na al die jaren eindelijk vruchten begint af te werpen. De stijgende druk uit Europa – grotere vooruitzichten op het Turkse kandidaatlidmaatschap van de EU – en de VS, samen met de zeer verregaande toegevingen van de PKK, hebben voor het eerst voor een positieve en openlijke reactie van de militaire en politieke top gezorgd. De stafchef van het Turkse leger, Kivrikoglu, brak de stilte door te laten uitschijnen dat er gepraat kon worden over meer culturele rechten voor de Koerden: “Nu de democratisering er op vooruit gaat, zullen deze rechten ook verder ontwikkeld worden”. (12) Premier Ecevit bevestigde achteraf dat er concrete stappen zullen moeten worden genomen. Nieuw zijn ook de positieve geluiden in de pers: “De soldaten hebben zich teruggetrokken. Nu kunnen de politici niet langer de schuld op de rug van het leger schuiven voor de mislukking van de oplossing van het conflict”, aldus een gezaghebbend editorialist in de krant Posta. Zelfs de nationalistische krant Hürriyet ziet het licht doemen aan het einde van de tunnel.

Hoewel PKK-commandant Cemil Bayik en andere PKK-leiders zich optimistisch gestemd toonden na de uitlatingen van Kivrikoglu, is het water nog zeer diep. Eerst moet duidelijk worden wie de krachtmeting in Turkije zal winnen met de democratisering als inzet.
Het hoofd van het Hof van Cassatie, Sami Selcuk, liet zich begin september zeer kritisch uit. De grondwet – ontstaan na de coup van 1980 – “mist nagenoeg elke legitimiteit”, aldus Selcuk, en hij verwees onder meer naar de inperking van de vrije meningsuiting in het bijzonder over de Koerdische kwestie.

Aan de andere kant staan de Turkse nationalisten en extreem-rechts. De politieke vertegenwoordiging van deze laatste groep, de Nationale Actie Partij (MHP), haalde op 18 april 1999 een spetterende verkiezingsoverwinning (18 %) – een gevolg van de opgeklopte sfeer rond de gevangenneming van Öcalan – en zit sindsdien in de regering. Ze heeft na de veroordeling van Öcalan al laten weten dat de executie zeker moet plaatsvinden. Een executie kan als gevolg hebben dat de PKK of de Koerdische basis opnieuw naar hun vroegere posities terugkeren. Dit is wellicht net wat bepaalde politieke en militaire kringen verlangen. Deze laatsten hebben immers rechtstreekse belangen bij het aanhouden van het conflict. In het Zuid-Oosten zorgt de noodtoestand er voor dat de militairen de alleenheersers zijn, wat ook op economisch vlak kan renderen. Turkije staat bekend om zijn welig tierende corruptie. Bovendien hebben de (ex-)militairen belangrijke participaties in de defensie-industrie. De oorlog zorgt voor hoge defensiebudgetten en miljardenbestellingen aan militair materieel. (13)

(1)  Artikel 3 van de Turkse grondwet bepaalt dat er maar één taal bestaat, namelijk het Turks.
(2)  Live-interview op Medya-TV, 1 september 1999.
(3)  Een bezoek aan Leyla Zana eerder dit jaar door een Delegatie van het Europees Parlement werd niet toegestaan.
(4)  Harold KOH, Press statement, US Embassy, Ankara, 5 augustus 1999.
(5)  Geciteerd in Chris KUTCHERA, Le défi kurde. Ou le rêve fou de l’indépendance, Bayard éditions, Paris, 1997, p. 271.
(6)  Abdullah ÖCALAN, Texte intégrale de la conférence de presse, Bar Elias, 8 juni 1993.
(7)  Sakik zou in april 1998 door het Turkse leger ontvoerd worden uit Iraaks Koerdistan. Hij stond onder meer terecht als verantwoordelijke voor deze aanslag. Zie: Turkish Daily News, 14 april 1998.
(8)  Sipan MAHIR, De voorgeschiedenis van een complot, in: Kurdistan, juni 1999.
(9)  De Koerdische Democratische Volkspartij, een legale partij, die bij de jongste gemeenteraadsverkiezingen van 18 april jl. 38 burgemeestersjerpen heeft binnengehaald.
(10) Sipan MAHIR, idem.
(11) Vooral de Turkse krant Hürriyet en de officiële TV-zender TRT bezondigden zich daaraan. Zie: Ludo DE BRABANDER, De Turkse agressie tegen Syrië, in: Vrede nr 334, november-december 1998.
(12) AFP-persbericht van 6 september 1999.
(13) Op de begroting van 1999 staat 8,95 miljard dollar ingeschreven voor defensie op een totaal van 84,17 miljard. Dat is meer dan 10 %, meteen ook de duurste post. Voor de komende 8 jaar is 31 miljard dollar uitgetrokken voor nieuwe investeringen in militaire uitrusting. In 30 jaar zou dat moeten oplopen tot 150 miljard dollar.

(Visited 7 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 136 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Ludo De Brabander

Ludo De Brabander is redactielid en medeoprichter van Uitpers. Hij is tevens woordvoerder van Vrede vzw. De meeste van zijn geschreven bijdrages gaan over militarisme en conflict (NAVO, bewapening, wapenhandel, militaire interventies,...) en de regio van het Midden-Oosten. Hij is medeauteur van 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009) en auteur van 'Oorlog zonder Grenzen' (EPO, 2016), 'Het Koerdisch Utopia' (EPO, 2018) en 'Weg van Oorlog. Over militarisme en antimilitarisme' (EPO, 2019).

zie ook