De nieuwe Franse orde

De verkiezing van Jacques Chirac tot president en de daaropvolgende overwinning van rechts in de parlementsverkiezingen, heeft de politieke kaarten in Frankrijk gevoelig door elkaar geschud. Het rechtse kamp domineert de Franse politiek voor normaal vijf jaar zonder onderbreking.
Maar waar dat kamp vroeger uit diverse groeperingen bestond, hebben de ‘chiraqiens’ van de schok bij de presidentsverkiezingen geprofiteerd om een eenheidspartij, de Union pour la Majorité Présidentielle (UMP), op te dringen. Terwijl het linkse kamp nu meer dan ooit neerkomt op de PS (Parti socialiste) met satellieten.

Rechtse fusie

De neogaullisten van Chiracs RPR (Rassemblement pour la république) droomden al enige tijd luidop van één grote rechtse partij waarin zijzelf de toon zouden aangeven. Het rechtse kamp had lang bestaan uit aan de ene kant de gaullisten (achtereenvolgens UNR, UD-Vème en RPR genoemd), aan de andere kant zogenaamde centrumpartijen die zich onder impuls van Valéry Giscard d’Estaing (president van 1974 tot 1981) groepeerden in de UDF (Union pour la démocratie française).

Het gaullisme vertegenwoordigde in grote lijnen die Franse burgerij die vond dat ze haar eigen posities eerst moest versterken vooraleer de Europese integratie verder te zetten en die daarbij de steun kreeg van een groot deel van de sociale middengroepen. Bij die RPR was ook de strekking die ijverde voor een autoritairder staat het sterkst (onder meer vertegenwoordigd door Charles Pasqua, oud-minister van Binnenlandse Zaken).

Bij de UDF zaten allerlei strekkingen. In de eerste plaats de liberale Parti Républicain, pro-Europees, en de christen-democraten die allerlei benamingen droegen, waaronder CDS (Sociaal en Democratisch Centrum), plus dan nog de kleine restant van wat ooit een van Frankrijks grootste partijen was, de Parti Radical.

Rechts is lang gekenmerkt geweest door rivaliteit tussen deze twee blokken. Met de zege van Giscard in 1974 haalde de UDF tijdelijk de bovenhand. Maar de dominante stromingen van het Frans kapitalisme zagen na de consolidatie van hun posities in Europa, minder en minder de noodzaak van een nationalistisch beleid. De grenzen vervaagden tussen de neogaullisten en de liberalen binnen de UDF. Na de onverwachte zege van links bij de parlementsverkiezingen van 1997, kwam het binnen die UDF tot een breuk tussen (ultra-)liberalen en een deel van de christen-democraten. Alain Madelin, een oudgediende van uiterst-rechts, stichtte Démocratie Libérale (DL).

In de aanloop tot de presidentsverkiezingen viel de UDF verder uiteen. Het gros van de parlementsleden van de UDF bezweek voor de lokroep, en vooral voor de beloften van hoge ambten, van Chirac. Kopstukken van de UDF voerden campagne voor Chirac, tegen de kandidaat van de eigen partij, François Bayrou. De UDF raakte herleid tot een kleine centrumpartij die nauwelijks voldoende zetels haalde om in de Nationale Assemblee nog een eigen fractie te vormen.

De RPR had bij de Europese verkiezingen van 1999 nog meer pluimen verloren. Pasqua haalde met zijn RPF (Rassemblement pour la France) meer stemmen dan de RPR. Maar het succes was van zeer korte duur, de RPF is na interne scheuringen bijna onbestaande. Daardoor raakte de RPR wel af van haar meest nationalistische vleugel, zodat niets nog de oprichting van één grote rechtse partij rond Chirac in de weg stond.

Dat gebeurde dus in de aanloop naar de presidentsverkiezingen. Het al lang voorbereide bod op de resten van de UDF kwam er in de vorm van de UMP, de coalitie rond Chirac die nu, na de parlementsverkiezingen, de bijna volledige DL en het overgrote deel van de UDF opslorpte, onder suprematie van het RPR-apparaat. De "fusie" is zeer bruusk gebeurd, kandidaten voor de parlementsverkiezingen die het UMP-etiket weigerden of met andere wilden combineren, werden afgedreigd met rechtse tegenkandidaten. De meesten zwichtten, rechts is nu gereorganiseerd onder de hoge leiding van ex-premier Alain Juppé, de man die binnen vijf jaar Chirac zou moeten opvolgen. Deze UMP is in de eerste plaats de partij van het Franse grootkapitaal dat weinig problemen heeft met de kapitalistische mondialisering.

La gauche ex-plurielle

Bij links is er geen sprake van fusie, van "la gauche plurielle" (meervoudig links) schiet weinig over. De coalitie van ex-premier Lionel Jospin werd wel sterk gedomineerd door de socialistische PS, maar na de verkiezingen van juni zijn de partners van de PS nauwelijks nog in het parlement vertegenwoordigd.

Binnen de PS woedt een hevige strijd tussen de rechtse sociaal-democraten rond ex-premier Laurent Fabius en Dominique Strauss-Kahn (DSK), een ‘centrum’ rond partijleider François Hollande die alle stromingen rond hem tracht te verenigen en een nieuwe linkerzijde rond Arnaud Montebourg die de partijleiding harde verwijten maakt omdat ze oplichter Chirac zo erg gespaard heeft tijdens de campagne voor de presidentsverkiezingen – Chirac stuurde zijn eigen advocaat en massa’s middelen naar de kiesomschrijving van Montebourg om deze lastigaard ten alle prijze te verslaan – zonder succes. Het leek er sterk op dat de PS en Chirac het op een akkoordje hadden gegooid om over àlle schandalen te zwijgen – wat een mooi cadeau was voor Le Pen. De strekking Fabius-DSK hoopt de handen vrij te krijgen nu Jospin weg is en Martine Aubry, die pleitte voor een linksere koers, haar zetel verloor.

De communistische PCF kan op het nippertje – met 21 zetels- een fractie behouden. Maar verder zijn er slechts drie groenen (Verts) en zeven gekozenen van de PRG ("linkse" Radicalen) die slechts bij de gratie van de PS nog overleven. De Pôle Républicain van Jean-Pierre Chevènement lijkt een doodgeboren kind nu ze geen enkele gekozene haalde, ook de leider zelf werd niet herkozen. De overlevenden zullen wellicht heil zoeken bij de veiliger PS, want de rechtse nationalisten die oorspronkelijk waren toegetreden, hadden het schip al verlaten.

Vooral bij de PCF, wier leider Robert Hue zelf niet werd verkozen, kan het nu alle kanten uit, tot en met de liquidatie. Het valt op hoe er onder de 21 parlementsleden allerlei zeer uiteenlopende strekkingen zijn. George Hage, de oudste van alle parlementsleden, vindt het niet erg door te gaan als een ‘bolsjeviek’, als iemand die zich met hand en tand verzet tegen de sociaal-democratisering van de partij onder Hue. Hage is triomfantelijk herkozen in het noordelijke Marchiennes. Maar ook verscheidene "réformateurs" boekten succes. Onder hen Patrick Braouezec, burgemeester van Saint-Denis, die voorstander is van toenadering tot de anderglobalisten en tot uiterst-links.

De PCF zit al lang niet meer op één lijn. De militanten eisen dat er een ernstige balans wordt gemaakt van de regeerperiode. De leiding is echter zelf onderling verdeeld, zodat de kans groot is dat ze elkaar bekampen door linksere taal te gaan spreken. Nu de partij toch voor jaren in de oppositie zit, valt dat natuurlijk veel gemakkelijker. Maar daarmee wordt geen antwoord gegeven op de vraag van de basis wat nog de bestaansreden is van de PCF, wat haar maatschappelijk project is.

De leiding heeft het des te moeilijker, omdat de concurrentie van uiterst-links groter is geworden. Dat was bij de parlementsverkiezingen veel minder het geval dan bij de presidentsverkiezingen waar de trotskisten Arlette Laguiller en Olivier Besancenot elk veel meer stemmen haalden dan PCF-kandidaat Hue. Voor het parlement haalde de LCR (Besancenot) 1,3%, LO (Laguiller) iets minder. Maar het feit dat de LCR een lokale inplanting affirmeerde en voor de allereerste keer vóór LO kwam, is voor de PCF niet zonder betekenis. Want de LCR richt zich al langer uitdrukkelijker tot de basis van de PCF en vindt in die partij gesprekspartners voor een discussie over een reorganisatie links van het reformisme.

Le Pen niet uitgeschakeld

Uiterst-rechts zit niet in de Assemblee. De uitslagen van de eerste ronde waren al een zware tegenvaller omdat de tendens van de presidentsverkiezingen daarmee sterk werd afgebroken.

Toch heeft Jean-Marie Le Pen enkele redenen om tevreden te zijn:

  1. Binnen uiterst-rechts is de grote rivaal, de MNR van zijn vroegere rechterhand Bruno Mégret, uitgeschakeld. Die MNR haalt net iets meer dan 1%, tegenover 11 % voor het FN van Le Pen.
  2. Ondanks de dure eden van rechts dat het in geen geval kan samenwerken met uiterst-rechts, hebben enkele rechtse kandidaten maar al te gretig een opening gemaakt naar uiterst-rechts om in de tweede ronde verkozen te raken.
  3. Op de voorpagina van het uiterst-rechtse weekblad Minute prijkten vóór de tweede ronde drie foto’s van linkse politici die het FN ten alle prijze wou helpen verslaan: Martine Aubry (PS), Robert Hue (PCF) en Dominique Voynet (Verts). Deze drie werden verslagen, met de hulp van het FN. De rechtse kandidaten hebben die bijstand van uiterst-rechts zeker niet afgewezen. Le Pen kan er alleen maar hoop uit putten.

(Uitpers, juli-augustus 2002)

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 26 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Freddy De Pauw

Freddy De Pauw was van 1972 tot 2002 redacteur buitenland bij De Standaard. Hij volgde jarenlang Centraal- en Oost-Europa, een groot deel van Azië (o.m. China) en Italië. Hij publiceerde o.m. bij het Davidsfonds Volken zonder Vaderland’ over de ‘etnische kwesties’ in Centraal- en Oost-Europa; De firma maffia; Italië, moeder van alle smeer; Russische mafija; Handelaars in mensen; Maffia in België en Handelaars in nieuws – over trends in de berichtgeving. Werkt sinds de start in 1999 mee aan Uitpers.

zie ook