De Nederlanden, de Turken en de Arabieren… wat hebben ze gemeen?

Lucas Catherine, “Rijstpap, Tulpen & Jihad", Uitgeverij EPO, Berchem, 2004, 186 blz., 16,50 euro.

In zijn voortreffelijke essay "Moorddadige identiteiten" gaf de Libanees-Franse auteur Amin Maalouf enkele gouden tips aan allochtone jongeren, die met een moeilijke zoektocht bezig zijn naar hun eigen identiteit (1). Bedenk dat identiteit iets ruimer is dan godsdienst, nationaliteit en taal, zo luidde de eerste raadgeving van Maalouf. En duik in je eigen verleden en cultuur en die van het land waar je woont.

Dezelfde twee tips gelden ook voor autochtonen. Ken je eigen vaderlandse geschiedenis en steek eens wat cultuur op van je Arabische of Turkse buren.

In deze tijden van muslim bashing en Arabierenfobie kunnen we Maaloufs goede raad beter niet in de wind slaan. En daarom komt "Rijstpap, Tulpen & Jihad", het jongste boek van Lucas Catherine, precies op tijd. Op de achterflap wordt Catherines boek aangeprezen als "een inburgeringscursus voor autochtonen". Achterflapbedenkers zijn doorgaans gladde jongens. Maar in dit geval overdrijven ze niet.

De grote verdienste van "Rijstpap, Tulpen & Jihad" is precies dat het met een schat aan anekdoten en verhaaltjes de geschiedenis van onze Nederlanden herschrijft. Of beter: onze vaderlandse geschiedenis wordt ontdaan van zijn eurocentristische pretenties. Wij hebben – in tegenstelling tot wat onze kolonialistische voorvaderen en missionarissen ook beweerden – de beschaving niet met lepels gevreten, laat staan uitgevonden. De Europese cultuur, wetenschap en techniek zijn de Arabieren en de Turken enorm schatplichtig.

Heilige oorlog

Toen Europa nog een achterlijk continent van armoezaaiers en versnipperde koninkrijkjes was – bij het begin van het tweede millenium – begon het vuur van de heilige oorlog te branden. De heilige oorlog van de Europese paupers tegen de rijke moslims. Tijdens het concilie van Clermont in 1095 hield paus Urbanus een vlammend sermoen. Hij maakte zijn gelovigen warm voor de eerste kruistocht tegen Jeruzalem met de belofte: ‘hier zijn jullie ongelukkig en arm, ginds zullen jullie rijk en gelukkig zijn’. De kruisvaarders werden rijk in het Midden-Oosten. En ze brachten ongelooflijke schatten mee naar huis, die een verregaande invloed zouden hebben op de Europese beschaving. Het kompas, wiskunde, windmolens, Griekse filosofie, sommige vormen van mystiek, geneeskunde, ziekenhuizen, vrouwenmode, hoofse liefde, tafelmanieren, reisduiven, het schaakspel, specerijen, peperkoek, suiker, deegwaren, rijstpap, kastanjes, seringen tulpen…

De kruisvaarders waren gefascineerd door de heraldiek van de Arabieren. Ze namen hun symbolen over. De Vlaamse leeuw is een volbloed Arabier, net zoals de Duitse adelaar. Zelfs voor hun eerste stappen in de schone letteren – de hoofse gedichten – waren Vlamingen en Nederlanders aangewezen op de Arabische poëzie. Floris ende Blancefloer was het product van de kruisbestuiving tussen de rijke Arabische literaire traditie en de prille Nederlandse dichtkunst.

Tulpen uit … Istanboel

De bloei van Brugge, Amsterdam, Antwerpen en Brussel was het rechtstreeks gevolg van de intense contacten met de Arabische wereld. De Vlaamse primitieve meesters, Jan van Eyck, Dirk Bouts en anderen, schilderden hun tijdloze portretten met een Arabische bril. Voor hun unieke techniek gebruikten ze spiegels en lenzen. En die hadden ze van de Arabieren.

Tulpen zijn nog steeds de trots van Nederland. Maar Keukenhof en de Nederlandse knollencultuur zouden nooit hebben bestaan zonder de hechte relaties tussen de Nederlanden en het Ottomaanse rijk. Lucas Catherine beschrijft de figuur van Ogier van Boesbeke, die in de zestiende eeuw als gezant in Istanboel verbleef. Boesbeke was niet alleen diplomaat, hij was ook botanicus en had een enorme belangstelling voor de Ottomaanse cultuur. Dankzij Boesbeke leerden de Nederlanden de kastanje, jasmijn en seringen kennen. En hij schonk de Hollanders hun nationale trots: de tulp, een uit Turkije ingevoerde bloem.

Arabieren in Gembloers

Lucas Catherine toont met "Rijstpap, Tulpen & Jihad" aan dat wij enorm veel te danken hebben aan onze moslimburen. "Oké, wij hebben hen bevochten in Poitiers en in het Heilige Land," stelt Lucas Catherine vast, "in Salé, Algiers, Granada en zelfs in Zanzibar. Maar we hebben ook vrede met hen gesloten. En dan is er niet te vergeten, de slag bij Gembloers".

En ook deze episode uit onze vaderlandse geschiedenis laat Lucas Catherine niet links liggen. De slag bij Gembloers ging de militaire geschiedenis in omdat de Duitse pantsers hier voor het eerst gestopt werden sinds ze op 1 september 1939 Polen binnenrolden. Het was de eerste hapering in de Blitzkrieg en teven de enige "Franse" overwinning in de campagne van mei 1940. De Duitsers verloren in de buurt van het Waals-Brabantse Gembloers bijna 300 pantsers. 2.250 Marokkanen lieten er het leven en liggen nu begraven op het Franse kerkhof van Chastres, een buurgemeente van Gembloers. "De bijdrage van de Marokkanen aan de strijd tegen de nazi’s was enorm, en niet alleen in Gembloers," besluit Lucas Catherine. "Enkele cijfers. Het Franse leger in Italië was 65.000 man sterk, waarvan 40.000 Marokkanen. Ter vergelijking: in Italië vochten slechts 34.000 Amerikanen. In het totaal leverden de Marokkanen 77.000 soldaten, heel Noord-Afrika 223.000 man. 8.000 Marokkanen sneuvelden in Europa."

Tot voor kort was bijna iedereen dit belangrijke oorlogsverhaal vergeten. Maar in het begin van de jaren negentig herontdekten de jonge Marokkanen deze episode. Zij zijn de zonen van de Marokkaanse (goedkope) gastarbeiders die vanaf 1964 als gevolg van een Belgisch-Marokkaanse conventie in ons land werden geïmporteerd.

Het leven van deze Marokkaanse gastarbeiders "was minder rooskleurig dan wat hen was voorgespiegeld", schrijft Lucas Catherine. "Hun kinderen raakten gefrustreerd omdat ze werden gediscrimineerd in het onderwijs, de huisvesting, de tewerkstelling en zelfs in het uitgaansleven. Ze werden gemarginaliseerd en soms gecriminaliseerd. Dat leidde tot rellen, maar ook tot de herontdekking van de slag om Gembloers."

De tweede en derde generatie van Marokkanen trok elk jaar in mei naar de herdenking in Gembloers, die door de Belgische en Franse autoriteiten wordt georganiseerd. "Dat was niet toevallig," aldus Lucas Catherine. "De Marokkanen eisten gelijke rechten. Zowel vanuit een democratisch standpunt als op basis van de mensenrechten is dit niet meer dan normaal. Toch kregen ze die rechten niet. Toen diepten ze een nieuw argument op: onze grootvaders zijn gesneuveld voor de democratie in dit land en wij zullen u daar ieder jaar in Gembloers aan herinneren." Voor Lucas Catherine "roept deze houding onwillekeurig de vergelijking op met die andere bedevaart naar de slagvelden van de IJzer met de slogan "Hier ons bloed, wanneer ons recht?" . De geschiedenis herhaalt zich soms op een rare manier. In België toch."

(Uitpers, nr. 51, 5de jg., maart 2004)

(1) Amin Maalouf, "Moorddadige identiteiten", Atlas, Amsterdam, 1999, 206 blz.

(Visited 4 times, 1 visits today)
Deel dit artikel