De mythe van het "joodse volk"

Shlomo Sand, Comment le people juif fut inventé, uitg. Fayard, 2008, 446 blz., 25,80 €

Zowat twintig jaar geleden brak in Israël – elders was het allemaal al lang geweten – door toedoen van de “nieuwe historici” het “uur van de waarheid” aan. De zorgvuldig opgebouwde mythen van de joodse staat werden de ene na de andere door joodse geleerden onderuit gehaald. De “nieuwe historici” herschreven de geschiedenis van de oprichting van de staat, archeologen verwezen de Bijbel als betrouwbare historische bron naar de prullenmand. En in september 2008 verscheen een boek, waarin de basis van het zionisme en de bestaansreden van de staat Israël, als een op zand gebouwde mythe werd ontmaskerd.

Shlomo Sand, professor hedendaagse geschiedenis aan de universiteit van Tel-Aviv, schreef zijn werk in het Hebreeuws. In Le Monde diplomatique van augustus jl. publiceerde hij een artikel met als titel Comment fut inventé le peuple juif, met als boventitel Déconstruction d’une histoire mythique(1). Een maand later verscheen zijn boek in Franse vertaling onder dezelfde titel. Hopelijk vindt het snel een vertaling in andere talen, ook in het Nederlands, het is immers de moeite waard. Maar nog meer wenselijk is dat het in Israël een echt debat op gang zou brengen. Totnogtoe krijgen de ontluisteraars van de mythen daar vooral verwijten naar het hoofd geslingerd en probeert men zich hardnekkig vast te klampen aan de leugens van het verleden.

Zo krijgen joodse kinderen in het onderwijs nog altijd te horen dat het “joodse volk”, dat in de XIIIde eeuw voor Christus tijdens zijn verblijf in de Sinaï-woestijn ontstond, zijn “beloofde land” in bezit nam, maar na de vernietiging van de Tweede Tempel in Jeruzalem in het jaar 70, na Christus, door Titus, de zoon van de Romeinse keizer Vespasianus in ballingschap moest gaan en over de hele wereld uitzwermde. Alle joden ter wereld zouden één volk, in de etnische betekenis van het woord vormen, en voortkomen uit het “zaad van Abraham”.

Maar dat verhaal levert nogal wat problemen op. Eigenlijk weet niemand door wie en wanneer de Bijbel werd geschreven. Waarschijnlijk is er pas ten vroegste in de 6de eeuw aan begonnen. Feit is wel dat de auteurs met nogal wat fantasie de gebeurtenissen van eeuwen vroeger beschreven. Zo is er door archeologen nooit enig spoor gevonden van de massa van de honderdduizenden mensen die 40 jaar zouden hebben rondgezworven in de Sinaï. Ook van de verovering van het “beloofde land” is nooit geen materieel bewijs gevonden. Dat Mozes en Aaron er naartoe trokken om aan de Egyptenaren te ontsnappen is totaal absurd: het gebied stond onder Egyptische controle toen Aaron verondersteld werd van over de Jordaan zijn veroveringstocht te zijn begonnen. Van machtige koninkrijken onder David en Solomon ontbreken eveneens de sporen. Vermoedelijk is er zelfs nooit één joodse staat geweest. Ook aan het monotheïstisch gehalte van de kleine joodse staatjes wordt ernstig getwijfeld: eeuwen lang zou Jahweh maar één van de door hen aanbeden goden zijn geweest.

Een van de kernpunten in de joodse geschiedenis is de ballingschap, de diaspora vanaf het jaar 70. Maar er is nooit geen verdrijving geweest van de joden na de vernietiging van de tempel. Sommige zionistische historici geven dat toe, maar plaatsen de ballingschap dan maar in de 7de eeuw: de joden zouden verjaagd zijn door de Arabieren toen die het hele Midden-Oosten veroverden. Voor deze hypothese is er evenmin enig bewijs. Integendeel, de Arabische veroveraars vormden maar een klein groep van heersers, die leefden van de belastingen van de bewoners van de veroverde gebieden. Aan die belastingen kon men ontsnappen door zich te bekeren tot de islam, wat dan ook op grote schaal gebeurde. Eerder waren vele joden naar het christendom overgegaan nadat keizer Constantijn het christendom erkende en zijn opvolgers er de staatsgodsdienst van maakten. Zionistische leiders zoals Ben Goerion, de stichter van de staat Israël, beseften dat maar al te goed. Zij zagen in de Palestijnen de bekeerde afstammelingen van de joden. En hoopten dan ook dat de Palestijnen gemakkelijk zouden kunnen geassimileerd worden en geleidelijk terug zouden overgaan naar het “ware geloof”. Met de Palestijnse opstand van 1929 tegen de kolonisatie van hun land, werd die de droom vernietigd. Meteen werd ook “vergeten” dat de Palestijnen, mits natuurlijk de inbreng van Grieken, Romeinen, Arabieren, kruisvaarders enz., in feite de afstammelingen waren van de antieke joden.

Voor een ideologie die er vanuit gaat dat alle joden met elkaar verwant zijn en van Abraham afstammen, ligt bekering moeilijk. Ze werd dan ook ontkend. Dit alhoewel er in het jodendom officieel plaats is voor bekeerlingen. In de Bijbel zelf trouwens staan er zelfs enkele voorbeelden van collectieve bekering: zo werden de Idumeeërs en de Itureeërs, de eerste ten zuiden en de anderen ten noorden van Judea, in de tweede eeuw v. Chr. na de verovering van hun gebied door de joodse dynastie van de Hasmoneeërs (de Maccabeeërs) gedwongen het joodse geloof aan te nemen.

Vanaf de vierde eeuw v. Chr., na de verovering van het hele Midden-Oosten door Alexander de Grote, werd in het hele Middellandse Zee-gebied het joodse geloof zeer actief verspreid. Met als gevolg dat overal joodse gemeenschappen van bekeerlingen ontstonden. Dit zelotisme werd niet altijd geapprecieerd en verscheidene Romeinse keizers namen maatregelen om er paal en perk aan te stellen. De christenen, de eerste christenen waren trouwens joden, volgden het voorbeeld en werden concurrenten van de joden in de bekeringsslag. Ze wonnen trouwens die slag.

Het succes van de joodse missionering bleek uit het feit dat er hier en daar joodse koninkrijken ontstonden. Zo was er in Koerdistan in de eerste eeuw na Chr. een koninkrijk, Adiabene, met als hoofdstad Erbil (dat nu de hoofdstad is van Iraaks Koerdistan), dat tot het jodendom overging. Op het Arabische schiereiland bekeerden de heersers van het koninkrijk Hemyar, in het huidige Jemen, zich in de vijfde eeuw na Chr. tot het jodendom. Eén van de bekendste successen van het jodendom is de collectieve bekering in de 8ste eeuw na Chr. van de Khazars, een steppenvolk dat een koninkrijk had opgericht in het gebied van de Kaukasus en Oekraïne. Dat rijk ging in de 13de eeuw ten gronde door de inval van de Mongolen en de Khazars liggen aan de oorsprong van het Oost- en Centraal-Europese joden. Maar omdat het niet past in de zionistische ideologie wordt het Khazar-rijk zoveel mogelijk doodgezwegen. De Hongaars-joodse en zionistische auteur Arthur Koestler publiceerde er in 1976 een succesvol boek over onder de titel The Thirteenth Tribe. The Khazar Empire and its Heritage. Een Israëlische uitgever liet het in het Hebreeuws vertalen, maar dierf het uiteindelijk niet aan het op de markt te brengen uit schrik voor vijandige reacties.

Ook heelder Berberstammen in Noord-Afrika gingen over tot het jodendom. Zij staken met de Arabische verovering van Spanje ook over naar het Iberische schiereiland en vormden daar de toen bloeiende joodse gemeenschap, die verdreven werd na de reconquista door de katholieke koningen. Een ander voorbeeld is dat van de Falasja’s in Ethiopië, alhoewel er wel ernstige twijfel over bestaat of dat wel joden zijn of ooit geweest zijn. Het orthodoxe joodse establishment zag hen in elk geval niet als joden en heeft jarenlang geëist dat de geïmmigreerde Falasja’s zich zouden bekeren.

Ondanks de overweldigende bewijzen voor een historisch gegroeide marginalisering van de joden in Palestina ten gevolge van de overgang naar christendom en islam, en het ontstaan elders van belangrijke groepen en koninkrijken van bekeerlingen, blijft het een moeilijk probleem voor het zionisme. Als de joden niet in ballingschap werden gedreven, kunnen ze immers ook niet “terugkeren” en zouden de Palestijnen als de rechtmatige bezitters van Palestina moeten worden erkend omdat ze de “echte” afstammelingen van Abraham zouden zijn. Sommige onderzoekers in Israël proberen, in alle ernst, het probleem van de grote groepen joden elders te verklaren door de enorme viriliteit en fertiliteit die de uitgeweken joden zouden hebben gehad.

Nadat eerder vergeefs werd getracht joodse antropologische kenmerken vast te leggen, wordt sedert de grote opgang van het genenonderzoek verwoed gezocht naar “joodse genen” in een poging te bewijzen dat alle joden met elkaar verwant zouden zijn en dezelfde voorouders zouden hebben. Het zal niet verbazen dat dit ook nog niets ernstigs heeft opgeleverd en dat dit, vooral ideologisch gestuurde onderzoek, soms verrassende resultaten opleverden. Zo luidde het besluit van één onderzoek dat tweederden van de Palestijnen en ongeveer dezelfde verhouding joden samen drie voorouders hadden die 8.000 jaar vroeger hadden geleefd! Andere onderzoekers vonden verwantschappen met Koerden, Armeniërs, Turken. Dan weer werd ontdekt dat de oorsprong van de mannelijke joden in het Midden-Oosten lag, maar van die van de joodse vrouwen was men niet zeker. Meer nog, nieuw onderzoek wees erop dat de joodse vrouwen niet uit het Midden-Oosten afkomstig waren! Geen nood echter, er werd dan maar verondersteld alleen de mannen uit het Midden-Oosten waren vertrokken en dan maar node met inheemse vrouwen waren getrouwd – natuurlijk nadat die zich hadden bekeerd!

Wie zich op het gladde ijs van een zoektocht naar rassen begeeft en conclusies begint te trekken – wat vanaf de 19de eeuw en vooral in de eerste helft van de 20ste eeuw met rampzalige gevolgen gebeurde, niet alleen in Duitsland maar in de hele westerse wetenschappelijke wereld – kan verwachten dat die tocht op niets uitloopt. Er is nog niemand, aldus Shlomo Sand, die erin is geslaagd een waterdichte definitie van begrippen als ras, volk, etnie e.d. te geven.

Waarom zouden de joden daar in slagen? Wel ze zitten nu eenmaal vast aan een negentiende eeuwse historische traditie, die Sand uitvoerig behandelt. Die heeft weinig met historische wetenschap en historische kritiek, maar alles met ideologie te maken. De 19de eeuw was nu eenmaal de eeuw van het nationalisme en de joden, naar het voorbeeld van zovele anderen, probeerden te bewijzen dat zij een apart ras, een apart volk waren. Met de implicatie dat zij nationale rechten hadden in een land dat het hunne niet was. De bijbel diende als bewijs dat dit land wel het hunne was. Vele van die zgn. historici namen de bijbel dan ook zeer ernstig, ook al waren een aantal van hen totaal ongelovig. Ze “nationaliseerden” de bijbel dan maar, ontdeden die van alles wat spiritueel en godsdienstig was en herleidden hem tot een territoriale doctrine.

(Uitpers, nr 106, 10de jg., februari 2009)

(1) Dit artikel, met de voornaamste stellingen uit zijn boek, is ook online te vinden: http://www.monde-diplomatique.fr/2008/08/SAND/16205

 

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=849472&refsource=uitpers

(Visited 5 times, 1 visits today)
Deel dit artikel
Over Paul Vanden Bavière

Paul Vanden Bavière (°1944) is historicus en journalist. Hij werkte een 30-tal jaar in de gedrukte pers als journalist gespecialiseerd in buitenlandse politiek. Vooral het Midden-Oosten, waarover hij ook enkele boeken publiceerde. Toen de media veel te veel “mainstream” – d.w.z. gezagsgetrouw – en commercieel werden, richtte hij met enkele mensen in 1999 Uitpers, het eerste Nederlandstalig webzine voor Internationale politiek, op met de bedoeling weerwerk te bieden aan de mainstream media (MSM).