De moord op Julius Caesar’ herzien. Ogenopenende linkse thriller van Michael Parenti

Michael Parenti. De moord op Julius Caesar, Hystorische mythes over democratie. Vertaald door Jan Reyniers. Uitg. EPO, 2004 (www.epo.be), 270 p.

Het spannendste boek van het voorbije jaar? Het bloed druipt van de bladzijden maar voor één keer krijg je niet de tweederangsgangsters uit de ‘ondergrond’ te bewonderen, maar wel de echt zware jongens, de super-topcriminelen, de heren die er niet voor terugdeinzen hele bevolkingslagen te terroriseren én al wie voor het volk opkomt, uit de weg ruimen.

Het kruim van de ‘hogere klasse’ dus. De ‘elite’ die in de tijd van Caesar maar ook nu nog – zie de +100.000 doden in Irak tijdens één jaar Amerikaanse bezetting – moordt en plundert om haar belangen veilig te stellen. De vergelijking tussen Bush’ Amerika en het imperiale Rome hoor je overigens vaak maken en ook daarom is het goed dat er eens een meer realistische kijk op hoe het er in Rome aan toe ging, voorhanden is.

‘Hollywoodiaanse’ geschiedvervalsing doorprikt

“De moord op Julius Caesar” is een re-volutionair boek omdat het zoveel van wat we van Caesar en zijn tijd ‘weten’, ondersteboven keert. Hebt u ook nog ‘Latijnse’ gestudeerd ? Wat onthoudt u dan van de lessen Latijn? Vermoedelijk de vele teksten die je als scholier van Cicero te vertalen kreeg. Maar werd de ‘grote redenaar’ ooit ergens zo in zijn hemd gezet als dat gebeurt in het nieuwste boek van de Amerikaanse schrijver Michael Parenti?

Als we Parenti mogen geloven – en hij vermeldt ook positieve aspecten uit Cicero’s leven – dan was Cicero een corrupte kruiper die door gevlei tot de top wist door te dringen. Vervolgens bestreed hij al wie de privileges van de aristocratie bedreigde. Hij deed dat niet alleen met massa’s leugens maar liet ook herhaaldelijk tegenstanders uit de weg ruimen. Een echte smeerlap. En zo iemand werd generaties lang in onze ‘humaniora’s’ opgevoerd als dé meester van de welbespraaktheid. Andere, meer integere redenaars die door Parenti ook vermeld worden, bleven dan weer onbesproken.

Parenti heeft het er overigens vaak over hoe de geschiedenis (en het onderwijs) eeuwenlang vervalst werden door wat hij (of zijn vertaler Jan Reyniers) omschrijft als ‘gentleman-historici’. Historici die schreven van uit het klassestandpunt van de rijke bovenlagen waar ze zelf toe behoorden. Reden waarom ze in hun schrijven over Rome, de kant kozen van de aristocratische toplaag en niet van het volk.

Is de term ‘gentleman’-historici niet te positief? Is een ‘gentleman’ niet ‘een heer’ die eerbiedig met iedereen omgaat? De ‘gentleman’-historici doen dat niet: ze verkrachten de geschiedenis door het leed van het volk (in het bijzonder dat van de vrouwen die in de meeste van hun boeken onzichtbaar blijven) onder de mat te vegen. Welke andere term kunnen we gebruiken ? Kunnen we het niet beter hebben over “rijkeluis-historici”, vermits hun deel uitmaken van de economische topklasse hun belangrijkste kenmerk is. Rijkeluis-historici die het bv. ook in Hollywood voor het zeggen hebben. Kijk maar naar een bedrieglijke film als ‘Gladiator’.

‘Keizerlijke’ Caesar als ‘proletarisch dictator’

Volgens de overlevering werd Rome gesticht in 753 voor onze tijdrekening. De stad ontleende haar naam aan de eerste koning, Romulus. Rond -510 werd de monarchie omvergeworpen en vervangen door een Republiek die al snel een oorlogszuchtig imperium werd. “De aristocratie voerde bijna onophoudelijk een oorlogspolitiek” schrijft Parenti. “Oorlog gaf haar de kans de rijkdom uit andere landen te plunderen en te profiteren van de onderdrukte gebieden” in eigen land. Klinkt bekend …

Het is in de nadagen van de imperiale Republiek – in de laatste eeuw voor onze tijdrekening – dat het leven en de dood van Gaius Julius Caesar te situeren is. Nu is het wel even slikken: volgens Parenti was Caesar één van de meest verregaande verdedigers van het gewone Romeinse volk (en bv. ook van de Joden) … Niet dat onze Amerikaanse historicus blind blijft voor de gebreken en misdaden van de Romeinse heerser. Daarvoor heeft Caesar te veel bloed aan zijn handen. Met name de verovering van Gallië was een verschrikking. Volgens de Caesar vijandig gezinde schrijver Valerius werden daarbij 400.000 mensen vermoord. Alleen al na de verovering van de opstandige stad Avaricum liet Caesar 40.000 mensen afslachten: mannen, vrouwen E9n kinderen. De tegen hem rebellerende Gallische leider Vercingetorix werd door Caesar zes jaar geketend gevangen gehouden en nadien publiek geëxecuteerd. Van de verrassend grote vergevingsgezindheid waarmee Caesar zijn Romeinse tegenstanders trachtte bevriend te maken, was geen sprake als het ging om overwonnen volkeren. “Vae victis.” (“Wee de overwonnenen”).

Caesar organiseerde ook bloederige massaspektakels ‘voor het volk’. Parenti vermeldt dat één van die spektakels – waarbij twee slavenlegers elkaar op leven en dood bevochten – zo gruwelijk was dat het volk protesteerde tegen dit ‘vermaak’.

Toch was Caesar – daar overtuigt Parenti je wel van – een aristocraat die op tal van vlakken voor het volk koos en talrijke maatregelen nam die hem de steun van dat volk maar ook de haat van zijn ‘collega-aristocraten’ bezorgden.

Parenti gaat overigens ver in zijn geloof in Caesar. Zo schrijft hij: “Zonder al te veel overdrijving zouden we kunnen zeggen dat Caesars heerschappij een dictatuur van het proletariaat was, een autocratische regeringsvorm gericht tegen de plutocratie met als doel de essentiële belangen van de burgers te behartigen.” Wie de belangstelling van Parenti voor de vroegere Sovjet-Unie kent, weet dat hij het systeem daar niet zo slecht vond en hij brengt daar in zijn boek ‘Zwarthemden en Roden’ nog valabele argumenten voor aan ook. Wat er van Rusland geworden is na de val van het communisme en de intrede van een brutaal roofkapitalisme sterkt hem nog in zijn mening.

Doodseskaders vermoordden zowat alle volkse leiders

Caesar werd op 15 maart van het jaar 44 voor onze tijdrekening vermoord omdat hij de rijken te veel privilegies deed inleveren. De moord op de toen 56-jarige populaire leider was geen geïsoleerd geval. Parenti geeft tal van voorbeelden van ‘volkse leiders’ die eerder al – meestal samen met tal van medestanders – door ‘doodseskaders’ van de toparistocratie uit de weg geruimd werden: de gebroeders Tiberius en Gaius Graccus, Gaius Servilius Glaucia, Marcus Livius Drusus, Sulpicius Rufus, Publius Clodius Pulcher … “Zowat elke leider uit de Midden- en de Late Republiek die opkwam voor de belangen van het volk, werd omgebracht” besluit Parenti. En ‘natuurlijk’ werd al wie openlijk in rebellie tegen het systeem kwam, vermoord. Toen de grootste slavenopstand in het Romeinse rijk in -71 onderdrukt werd, eindigde niet alleen aanvoerder Spartacus maar met hem ook 6.000 slavenrebellen aan het kruis.

Maximale winst

Tijdens de ‘Late Republiek’ (ca. 75 tot 44 voor onze tijdrekening) stonden er in Rome twee politieke ‘groepen’ tegenover elkaar. Enerzijds was er de ‘Senaatspartij’ die de privilegies van de toparistocratie verdedigde, anderzijds de zogenaamde ‘Volkspartij’ – de ‘populares’ – die een meer egalitaire aanpak voorstond waardoor bv. soldaten en gewone burgers een fatsoenlijk leven zouden kunnen leiden. Dat de ‘edele’ toparistocraten niet bereid waren ook maar ‘iets’ in te leveren kan ‘ongeloofwaardig’ lijken maar is het nu niet nog vaak zo ? Kort nadat ik Parenti’s boek las, zag ik de documentaire ‘The Big One’ van Michael Moore. De regisseur interviewt daarin de Amerikaanse topman van ‘Nike’, een jongensachtige multimiljonair die hem ‘heel open’ ontvangt. Toch slaagt Moore er – ondanks de steun van honderden werklozen in zijn geboortestad Flint – niet in om de Nike-baas te bewegen tot enige toegeving. En dus komt de eerste Nike-fabriek in de V.S. er niet: alle Nike-schoenen blijven in goedkopeloonlanden gemaakt worden.

Blijkbaar bestaat er zoiets als ‘een systeem’ dat rijken er toe ‘verplicht’ steeds meer rijkdom na te streven. Tegenwoordig zorgt vooral het beurs-kapitalisme daar voor: voor aandeelhouders kan de winst niet groot genoeg zijn.

Sociale rechtvaardigheid kan je dan ook alleen maar door macht van onderuit afdwingen. In het geval van Caesar was dat door de macht waarover hij via zijn soldaten en de steun van het volk beschikte. Een echte economische democratie, waarbij niet langer het winstbejag van enkelen bepaalt wat er geproduceerd wordt én hoe de opbrengsten van het werk van allen verdeeld worden, daar zal de aristocratie zich tot haar laatste snik tegen verzetten.

Wanneer haar klassenbelangen in het gedrang kwamen, schrijft Parenti, verkoos de Romeinse aristocratie “de politieke dictatuur boven een meer volkse regeringsvorm die naar een grotere economische gelijkheid streefde.” Woorden die je doen denken aan hoe een groot deel van het Vlaams bedrijfsleven (anno 2004 al meer dan 50 %) wil dat het Vlaams Blok (met zijn ultrarechtse economische doctrine) mee aan de macht komt.

Politieke brandhaarden belangrijker dan brandende huizen

De moord op Caesar luidde het begin in van een lange burgeroorlog. De moord betekende ook het einde van de toenmalige ‘democratie’ (van de Romeinse republiek) en leidde tot het Romeinse keizerrijk dat gevestigd werd door Caesars adoptiezoon Gaius Octavianus, beter bekend als Augustus. Tegen hem verzette de aristocratie zich niet alhoewel de keizer de elite haast al haar macht afnam. Maar Augustus diende tegelijk de economische klassebelangen van de aristocratie en dus treurde die niet over het verlies van de Republiek, van de democratie.

“Onder het bewind van Augustus – ook al bleven enkele formele kenmerken een tijdje behouden – kwam er na 5 eeuwen een eind aan de Romeinse Republiek, met haar beperkte maar reële vrijheden voor het volk” besluit Parenti. “Rome evolueerde onder de keizers tot een militaire dictatuur”. Dat ging gepaard met een systematische onderdrukking van alle volksorganisaties. Sommige keizers waren zo bevreesd voor elke vorm van vakvereniging dat ze zoals keizer Trajanus zelfs niet toelieten brandweerkorpsen samen te stellen. Trajanus redeneerde dat “wanneer mensen met hetzelfde doel samenkomen, om welke reden en onder welke naam ook, er vroeg of laat een politiek clubje uitgroeit.” De keizer vond het bestrijden van politieke brandhaarden belangrijker dan het blussen van brandende huizen.

Lang leve het ‘uitschot’, het ‘janhagel’, het ‘grauw’ …

In zijn laatste hoofdstuk ‘Brood en spelen’ gaat Parenti in op de manier waarop de heersende (antivolkse) geschiedschrijving vaak neerkijkt op het ‘gewone volk’. En niet alleen de geschiedschrijving. Denk bv. aan een (in VRT-journaals bv.) vaak gehoorde uitdrukking als “jongeren uit lagere sociale klassen” (als het gaat om het onderwijs bv.). Maar waarom zou je als je ouders ‘gewone’ werkende mensen zijn die hun boterham eerlijk verdienen, van ‘lagere komaf’ zijn dan jongeren wiens ouders winst maken door andere mensen uit te buiten ?

Denk ook aan de omkering die vervat zit in woorden als ‘werknemers’ en ‘werkgevers’. Zijn de werkgevers niet eerder de arbeiders/bedienden dan de ‘patrons’ ? Het is toch de arbeider/bediende die geeft en de patron die een deel van het gegeven werk voor hem houdt (de winst).

Parenti somt heel wat koosnaampjes op die de ‘rijkeluis-historici’ voor het gewone volk bedachten: gepeupel, gespuis, janhagel, ‘het uitschot van de stad’ (dixit Cicero), ‘Romes ingewanden’, ‘het grauw’ … Parenti wijst er op hoe zelfs Marx door de overheersende negatieve kijk op het volk beïnvloed werd en de bezitloze boeren in de ‘Late Republiek’ omschreef als ‘een bende nietsnutten.’

Parenti gaat na wie er echt deel uitmaakte van al dat ‘grauw’. Hij somt een hele reeks beroepsgroepen op. Mensen die allemaal hard moesten werken om de eindjes aan elkaar te knopen en die dan nog uitgebuit werden door de echte parasieten, de echte ‘werklozen’, Rome’s toplaag die zijn tijd vulde met niets doen én schandalig genieten (van hun overvloed aan eten bv. dat ze bij sommige gelegenheden uitbraakten om vervolgens weer aan tafel te kunnen aanschuiven, van hun slaven die ze seksueel misbruikten enz.).

‘Brood en Spelen’-‘amuseerfascisme

Geef “het volk” “brood en spelen” (“panem et circenses”: letterlijk vertaald: “brood en wagenrennen”) en zo hou je het koest: een stelregel die door mediamoguls als Berlusconi en Murdoch steeds geraffineerder lijkt toegepast te worden.

In zijn boek toont Parenti hoe het volk van Rome echter niet kon leven van het weinige graan (brood) dat het kreeg en hoe het hard moest werken voor al zijn andere behoeften. Het beeld van de ‘gewone’ Romeinen als “een bende leeggangers die vegeteerden op staatssteun is” volgens Parenti “een hersenspinsel van de toenmalige en huidige middenklasse.” Een hersenspinsel te vergelijken met hoe er nu over het nieuwe uitschot, de ‘migranten’, gedacht wordt. Nog op 24 november titelde De Standaard bovenaan zijn voorpagina: “Dossier Islam in België: Leven alle islamieten van het OCMW?”

Parenti schrijft ook over de Romeinse spelen. Die waren inderdaad een belangrijke ontspannigsvorm, maar ook voor de rijken. En het waren de rijken die ze organiseerden én gebruikten als uitlaatklep voor sociale spanningen.

Eigenlijk vonden de Romeinse heersers destijds al het amuseerfascisme uit. Een amuseerfascisme dat de huidige blotegrieten/langebenen-zenders van Berlusconi lijken te willen perfectioneren. Een ‘amuseerfascisme’ dat ook bij ons in opmars is. Denk hierbij aan een promotiefilmpje dat Telenet in 2004 verspreidde omtrent Interactieve Digitale TV (start in 2005): één en al simpel amusement, met een informatief luik dat beperkt blijft tot gegevens over asociale spelletjes als ‘Expeditie Robinson’. Met Berlusconi en Telenet marcheren we vrolijk consumerend richting één van de twee grote historische toekomstnachtmerries.

Niet de harde hand van dictators à la Stalin/Hitler uit Orwells ‘Big Brother’ zal ons in de pas doen lopen, maar de verleidende toverstaf uit Huxley’s ‘Brave New World’ (met daarachter, in de fluwelen handschoen, natuurlijk wel nog de harde vuist voor in het geval …).

Parenti’s blinde vlekken

Levert Parenti’s alternatieve aanpak van de geschiedenis hét perfecte historische boek op? Neen. Het boek kent minstens twee tekortkomingen.

Vooreerst beschrijft Parenti het volk iets te positief. Als hij het bv. over het “brood en de spelen” heeft, legt hij er de nadruk op dat het volk soms protesteerde tegen de gruwelijkheden die het te zien kreeg. Volgens Parenti genoten de hoge heren die de spelen organiseerden er soms zelf nog het meest van. Dat zal dan wel zo zijn, maar anderzijds vond het ‘volk’ de meeste gruwelijkheden die het voorgeschoteld kreeg, wel de moeite. Zelf komende uit een plattelands-arbeiderswijk weet ik al te goed hoe die ‘gewone mensen’ massa’s VTM-Rommel slikken zonder dat iemand hen daar toe dwingt. Hoe ze als ze kunnen, vaak van de samenleving profiteren zonder verpinken. Hoe ze het milieu vervuilen zonder nadenken enzoverder. Parenti denkt te veel in de klassieke klassentegenstelling waarbij het volk zonder meer synoniem is voor ‘het goede’. Hij tuimelt zo in de fout die ook de rijkeluishistorici maken: de eigen klasse ophemelen. De waarheid ligt in het midden en leert dat er tussen alle volk (tussen alle nationaliteiten én klassen) koren en kaf zit en dat als de machteloze de macht verovert hij vaak al even corrupt en meedogenloos wordt als de vroegere machthebbers (zie wat de Joden de Palestijnen nu aandoen).

Om dat te verklaren én te verhelpen is meer psychologisch inzicht in de werking van de mens nodig. Daar ook knelt bij Parenti het schoentje. In de beste traditie van de marxisten van de harde lijn heeft Parenti weinig oog voor de psychologie van zijn hoofdpersonage, Caesar dus. Zo meldt Parenti bv. dat Caesar in zijn jeugd de ‘schandknaap’ was van ene koning Nicomedes. Wat dat voor de jonge Caesar betekende, vernemen we niet. Waar haalde de latere Caesar zijn doorzettingsvermogen vandaan? Wat dreef hem eigenlijk? ‘Gewone’ ambitie? ‘Idealisme’? Wrok? Je komt het niet echt te weten.

Laat deze paar kritische opmerkingen nu wel niet uw toekomstig leesgenoegen van Parenti’s werk vergallen, beste lezer. Het blijft een pareltje van volkse geschiedschrijving, van geschiedschrijving ‘van onderen naar boven’ en dat is geen makkelijke onderneming. Men moet immers optornen tegen de leugens van de eeuwenlange geschiedschrijving door de rijken. En men kan haast geen beroep doen op bronnen afkomstig van gewone mensen. Eén derde (1/3 !) van de Italianen ten tijde van Cicero en Caesar leefde als slaaf. Van al die slaven blijven geen geschriften over zoals we die wel hebben van de enkele duizenden multimiljonairs uit die tijd (genre Cicero). Multimiljonairs volgens wie de slavernij een ‘goedaardig’ systeem was. Maar waarom waren er dan al die slavenopstanden (die overigens alle meedogenloos werden neergeslagen) ?

Bent u nog op zoek beste lezer, naar geschikte eindejaarscadeau’s, dan kunt u doen zoals ik en meteen een paar exemplaren van “De moord op Julius Caesar” bij EPO bestellen. U zult er met uw vrienden nadien een meer dan hartig historisch woordje kunnen over napraten. En u houdt er een nieuwe historische kijk aan over. Niet alleen over de Romeinen maar bv. ook over de christenen die lang voor de nazi’s al boekverbrandingen organiseerden in het kader van hun ‘totale strijd’ tegen de ‘heidense cultuur’. Gelukkig behielden ze wel deze erfenis van Caesar: de Juliaanse kalender die de oude ‘maankalender’ verving en die we vandaag nog gebruiken. Zo leeft Gaius Julius Caesar toch nog voort. En in Rome, op de plaats waar het lichaam van Caesar gecremeerd werd en waar later ‘de tempel van Caesar’ kwam, leggen onbekenden nu nog elk jaar op 15 maart talloze bloemenruikers neer. ‘Volkse’ leiders mogen dan al vaak meedogenloos door de elite uit de weg geruimd worden en door rijkeluishistorici doodgezwegen worden, er bestaat nog zoiets als een ‘collectief geheugen’ dat hun voorbeeld soms wel haast eeuwig verder laat leven.

(Uitpers, nr. 59, 6de jg., december 2004)