De militaire garantie voor de neoliberale globalisering

Mocht er geen kader bestaan van militaire en politieke bescherming, dan zou de Amerikaanse zakenklasse er onvoldoende op vertrouwen dat zij de belangrijkste institutionele regels van de wereldeconomie kan vastleggen.

Globalisering in een notendop.

Door verscheidene overproductiecrisissen in de industrie vertoonden winstcijfers een dalende trend. Echter, dank zij de deregulering van de beurzen konden en kunnen de grote financiën makkelijke speculatieve winsten realiseren. Dit vormt op zich dan weer een probleem voor de productiesector: het wordt moeilijker om nog nieuw investeringskapitaal aan te kunnen trekken. Dat zal maar kunnen indien er hogere winstniveaus in de productiesector worden gerealiseerd. Nu zoekt men daar de winst op te drijven door allerlei mechanismen, die in hun geheel een belangrijk aspect vormen van de neoliberale globalisering. Het gaat om
a. deregulering = beperken van sociale (loon- & arbeidsvoorwaarden) en ecologische kosten
b. fusies = uitschakelen concurrent + kostenbesparing
c. privatisering = inschakelen nieuwe sectoren in winstmechanismes (naast economie en handel, ook cultuur, onderwijs, gezondheid, etc.)
d. mondialisering = inschakelen nieuwe gebieden in wereldeconomie
e. vermerking = einde van belang van product op zich (qua kwaliteit, nuttig zijn, edm) enkel nog de “naam”

Fundamentalisme

De strijd die gevoerd wordt om deze ontwikkelingen aan de wereld op te leggen tracht in bepaalde gevallen terug te grijpen naar een ideologie van morele superioriteit, van beschavingsmissies. Dat is hoe Huntington de wereld bekijkt, dat is het geval met het PNAC (Project for a New American Century) van de zogenaamde neoconservatieve christenen in de States, dat vinden we terug in het eurocentristisch denken, dat is ook zo in een bepaald verweer tegen gevolgen van dergelijk beleid, wat onder de noemer islamitisch fundamentalisme wordt gecatalogeerd.

Dit islamitisch fundamentalisme heeft nieuwe wortels kunnen schieten in haar strijd tegen de invoering van de “moderniteit” in de Afghaanse maatschappij eind de jaren ’70, en werd met de Russische bezetting van dat land in het koude-oorlogsdenken een zwaar gesponsorde bondgenoot van het Westen in de jaren ‘80.

De politieke wereldapartheid waarbij alleen het Westen van belang is, de kloof tussen Arabische leiders en hun bevolking, de internationale politiek van twee maten en twee gewichten vormen een deel van de verdere uitleg waarom islamitische fundamentalisten aan maatschappelijk belang kunnen winnen.

De aanslag in de VS van 11 september 2001 zorgde voor een grondige verschuiving in discours en beleid.

Interventie

De strijd tegen het terrorisme werd aangekondigd als een oorlog zonder afgelijnde vijand, zonder afgelijnde doelwitten, zonder begin en zonder einde. Soms openlijk te zien, soms totaal niet te bespeuren voor de buitenwereld. Hij zou omvattender zijn dan de koude oorlog. Dit zijn woorden van defensieminister Rumsfeld eind 2001. Het antiterrorisme is dus eigenlijk een concept van oorlog.

Wanneer de staat van oorlog uitgroeit tot een toestand waaraan geen einde meer komt, wordt de traditionele scheidingslijn tussen oorlog en politiek alsmaar vager.

Er wordt door beleidsmensen steeds minder over defensie gesproken, en steeds meer over veiligheid. Het gaat niet langer om het verdedigen van grondgebied tegen invallen. Het territorium en nationale grenzen vormen niet langer de graadmeter, maar de eigen belangen van dominante staten over de wereld heen. De soevereiniteit van een staat wordt fundamenteel in vraag gesteld, het recht op militaire interventie is een feit geworden. “Interventie om stabiliteit te brengen” is de zinsnede die in de NAVO teksten wordt gebruikt, een stabiliteit in functie van de marktglobalisering. De OVSE (Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa) die een niet-militair breed veiligheidsconcept hanteert, spreekt in haar charter over de noodzaak van de vrije markt om de vrede op te bouwen. Daar draait het de elites om: de vrije markt overal installeren.

De militaire interventie is dus eigenlijk gewoon maar een verlengstuk van de al jarenlange economische en politieke interventie vanuit de internationale instellingen ter meerdere eer en winst van de transnationale ondernemingen.

In Washington wordt niet getwijfeld om regimes te liquideren op basis van echte of vermeende banden met het terrorisme: er wordt een nieuwe “natievorming” opgelegd aan de punt van de geweerloop (Afghanistan, Irak), of beter gezegd van de geleide kruisraket. Deze “natievorming” is niet gestoeld op de eigen binnenlandse krachten, en de eigen noden, maar op haar aangepast zijn aan de nieuwe omgeving: neoliberale globalisering. Preventieve militaire aanvallen dreigen daarbij steeds meer de norm te worden. Controle over de grondstoffen staat centraal, maar ook de vrijwaring van het internationale dollarsysteem. Wie daar tracht aan te ontsnappen, weze gewaarschuwd.

Militaire superioriteit

Om dit alles te kunnen bewerkstelligen moet de militaire slagkracht superieur zijn: de eerste aanvallen moeten zo doeltreffend zijn dat er geen tegenreactie mogelijk is. Dat wil zeggen superioriteit in slagkracht, militair materieel, in snelheid van handelen, in bevelstructuur en communicatie, in informatieverzameling. Daarom is het beheersen van de ruimte cruciaal. In dit kader moeten we de ontwikkelingen rond het rakettenschild zien. Een dossier als bijvoorbeeld dat van munitie-met-verarmd-uranium maakt ook deel uit van deze superieure first strike : een hogere penetratiekracht van de projectielen om efficiëntie te verhogen; de bijkomende toxische gevolgen is geen boodschap voor deze plannenmakers. Ook de nucleaire strategie van de VS (7 punten om een atoombom te gebruiken) past hier volledig in.

Er spelen ook nog volop interkapitalistische tegenstellingen. De globalisering en de economische groei van Azië (vnl China en India), gekoppeld aan onze huidige technologische productiewijze, maken van controle over de fossiele energiegrondstoffen (petroleum en gas) het hoofdpunt van de strijd tussen regio’s en hun economische reuzen. De controle over het Midden-Oosten moet de energietoevoer naar economische concurrenten in eigen voordeel keren. Er is concurrentie wat betreft de ontsluiting van de ontginningen in Centraal Azië, er is een zoektocht naar olie in Afrika, Zuid-Amerika. Ook hier wordt er naar dekmantels gezocht om militaire interventies aan de bevolking te verkopen (strijd tegen drugshandel bijvoorbeeld in Colomibë, Peru).

Peter Gowan zegt het als volgt in zijn boek The Global Gamble : “De VS houden zich bezig met de grote structurele regelingen Dat is in de eerste plaats de dominantie van de dollar en de bewegingsvrijheid van VS-minister van Financiën om de wisselkoersen te manipuleren voor eigen belang, en een controle over de systemen van internationale financiën. Het open maken van de markten in sleutelsectoren waar de VS superieur zijn (technologie bijvoorbeeld, diensten), en de concurrentie voor blijven, zijn andere kernpunten. Dit noemen ze de economische globalisering. Mocht er geen kader bestaan van militaire en politieke bescherming, dan zou de Amerikaanse zakenklasse er onvoldoende op vertrouwen dat zij de belangrijkste institutionele regels van de wereldeconomie kan vastleggen.”.

Bewapeningsindustrie

Intussen slaan globalisering en corporate governance ook toe in de bewapeningsindustrie zelf: onmiddellijke en grote winsten worden een noodzaak. Vroeger was de wapenindustrie een element van de nationale zelfstandigheid van de natiestaat. Die productie moest ten allen prijze worden in leven gehouden om de eigen (militaire) onafhankelijkheid te garanderen.

Vandaag is deze industrie enorm gerationaliseerd, meer geprivatiseerd, geïnternationaliseerd. De legers van de westers landen worden ook steeds meer klaargemaakt voor multinationale missies, in kader van NAVO, Eurocorps, Euroleger. De politieke structuren (Europese Unie bijvoorbeeld) beantwoorden deze evolutie met de creatie van hun instrumenten voor het Militair Industrieel Complex : defensieagentschap, veiligheidscomités, ministerie (Minister van BZ in de tekst van de EU grondwet) uniformisering, etc. De druk op regeringen om militaire budgetten te verhogen wordt groter.

Fundamenteel blijft de Europese Unie veiligheid primordiaal als een militaire zaak beschouwen. De bedreigingen zijn volgens de Europese beleidsbrief: terrorisme, regionale conflicten, mislukte staten, internationale criminaliteit, verspreiding van massavernietigingswapens. Het antwoord: actiever, efficiënter optreden, in de eerste plaats militaire interventie, verder ook een krachtdadigere diplomatie en meer samenwerking onder de lidstaten en met andere partners in de wereld.

Deze nieuwe dwang tot winst voor de wapenfabrieken is een absolute push-factor voor export van wapens. De industrie wil zo weinig mogelijk “hindernissen”, ook geen wettelijke. De eis tot absolute transparantie en stringente internationale afspraken vanuit de vredesbeweging (verdieping van nationale wapenexportwetgeving, Europese gedragscode omzetten in wetgeving, internationaal wapenhandelsverdrag) legt ook de hypocrisie van de regerende elites bloot : ‘we’ leveren wapens aan regimes die we morgen als onverantwoordelijk, als failed states, of als terroristenvrienden bestempelen, wapens die ze eventueel morgen tegen ‘ons’ gebruiken.

De druk op de budgetten om dergelijke politiek (eigen efficiënt of superieur leger, wapenexport, interventies) te financieren is zeer groot. Een deel van de oplossing wordt gezocht door andere budgetten te « militariseren ». Ontwikkelingssamenwerking wordt daarvoor steeds meer genoemd. Ook bij ons, ook in de Europese Unie.

Besluit

Met andere woorden : in onze ogen kan de neoliberale globalisering zich maar verder ontwikkelen omdat ze de bescherming heeft van het militaire. Het militaire moet mee voor stabiliteit zorgen, om de politiek van het vrijmaken van de wereldhandel mogelijk te maken.

(Uitpers, nr. 70, 7de jg., december 2005)

Visited 9 Times, 1 Visit today

Tags :