De mensen achter de gemediatiseerde euforie

De redding van de drieëndertig mijnwerkers die geblokkeerd zaten in de San José-mijn is op woensdag 13 oktober begonnen met behulp van een nieuw geboorde schacht. Duizenden journalisten van over de hele wereld kwamen samen op de plaats van het ‘mirakel’. Sinds het bekendmaken van het ongeval heeft de Chileense president Sebastián Piñera zich geen moeite bespaard om aan te tonen dat hij persoonlijk de werkzaamheden superviseerde: zijn populariteitscijfer is met tien punten gestegen vanaf het lanceren van een operatie die hij ‘als zonder vergelijking in de geschiedenis van de mensheid’ beoordeelt. Maar eens de tijd van feestelijke vreugde achter de rug zal Chili zich natuurlijk vragen moeten stellen hoe zo’n ongeval is kunnen gebeuren.

(bron: de Volkskrant van 14/10/10)

22 augustus 2010, 14.30 u. Copiapó, woestijn van Atacama in het noorden van Chili. Enkele woorden in rode inkt geschreven geraken boven via een geboorde pijp in de San José mijn, één van de droogste streken van de wereld: “Het gaat goed met ons drieëndertig in onze schuilplaats.” Tweeëndertig Chileense kompels en één Boliviaan zitten vast op ongeveer zevenhonderd meter diepte, levend begraven in de ingewanden van een koper- en goudmijn. Sinds de ineenstorting van meerdere steunmuren onder duizenden tonnen steen en modder, overleven ze zo goed en zo kwaad mogelijk in een van de nog toegankelijke schuilplaatsen. Ze drinken het water dat van de muren druipt, ze rantsoeneren hun magere voedselvoorraad en ze lijden onder de drukkende hitte. Maar hun berichtje toont aan: ze zijn in goede gezondheid. Die ontdekking wordt door iedereen met grote vreugde onthaald: een gans volk communiceert met ‘zijn’ kompels in een geest van solidariteit die over heel de Andes en tot in de zuidelijke provincies van het land verspreid wordt. “Ja, er bestaan wel degelijk helden,” kopte Las Ultimas Jornadas, een Chileense krant met grote oplage, in een speciaal nummer op 23 augustus 2010. Het kamp van San José waar de familie van de mijnwerkers zich geïnstalleerd heeft, wordt herdoopt tot ‘kamp van de hoop’. De reddingswerken kunnen beginnen.

Op 13 oktober, de dag dat de eerste kompels boven komen, worden ze te midden van Chileense vlaggen opgewacht door zeventienhonderd journalisten van over heel de wereld. Om zich voor te bereiden op ‘de grote dag’ hebben de mijnwerkers onder de grond zelfs lessen in mediatraining moeten volgen om zich te kunnen voorbereiden op de lawine aan interviews en televisie-uitzendingen (zonder de voorstellen meegerekend om hun verhaal in verschillende talen te verfilmen).

Gedurende twee maanden heeft de minister van Mijnbouw – en oud-kaderlid van het Chileense filiaal van Exxon Mobile – Laurence Golborne een vedetterol gespeeld. In zijn eeuwige jas met de vaderlandse kleuren en de festiviteiten daaraan verbonden naar aanleiding van het tweehonderdjarige bestaan van het onafhankelijke Chili omhelsde hij de familieleden van de slachtoffers en becommentarieerde hij de kleinste vorderingen van de reddingswerken. Maar voor D-day kwam de president himself in de volle schijnwerpers te staan.

(bron:AP 14/10/10)

Elf over vijf ’s morgens: de eerste mijnwerker komt uit de evacuatieschacht. Hij omhelst zijn kind, zijn vrouw en dan…de president. Vier minuten later doet deze laatste zijn eerste publieke verklaring waarin hij God dankt “zonder wie de redding niet mogelijk zou geweest zijn”. En hij voegt er aan toe: “Vandaag kunnen we ons meer dan ooit trots voelen Chileen te zijn.” Voor de president bracht dit drama ongetwijfeld zekere voordelen met zich mee. Sebastián Piñera, president en multimiljonaire ondernemer, op 17 januari 2010 gekozen, kende een moeilijke start.(1) Zijn catastrofale benadering van de gevolgen van de aardbeving van februari laatstleden veroorzaakte heel wat ontevredenheid, terwijl ook de mobilisaties en hongerstakingen van de Mapuche Indianen in het zuiden hem heel wat hoofdpijn bezorgden. De lijdensweg van de 33 waren voor hem dan ook een uitgelezen gelegenheid om gedurende twee en een halve maand een geweldig media-evenement te organiseren. Terwijl de 33 tot helden van het bicentenarium van de onafhankelijkheid werden uitgeroepen werd alles ondernomen om het solidariteitselan om te buigen tot een politieke consensus: iedereen samen achter president Piñera. Volgens de journalist Paul Walder is het ongeval van San José nochtans een allegorie van het huidige Chili, namelijk een land waarin de werkende klasse ‘begraven’ wordt in een systeem dat haar onderdrukt.(2)

In de regio van Antofagasta worden 277 van 300 mijnen geëxploiteerd zonder rekening te houden met enige norm

In werkelijkheid blijven de drieëndertig overgemediatiseerde kompels paradoxaal genoeg zonder stem. Noch zij, noch hun familie, noch de syndicale beweging – historisch sterk in deze sector, maar verzwakt door de dictatuur en de neoliberale hervormingen – hebben geen gelegenheid gekregen om hun analyse te geven over de oorzaken van de ramp. Op de bovengrond proberen zij die aan de instorting zijn kunnen ontsnappen het publiek eraan te herinneren dat hun lonen al gedurende weken niet werden gestort: “Stop met je show Piñera, wij staan ook met driehonderd buiten”.(3) Zij stoten echter op algemene onverschilligheid.

Chili is een van de speerpunten van het Latijns-Amerikaans mijnbouwkapitalisme. Delftstoffen vormen 58 procent van de export en 15 procent van het bruto binnenlands product. Het land wint steenkool, goud en voornamelijk koper waarvan het de belangrijkste producent op wereldschaal is (met 40 procent van de markt) onder meer door de grootste open pit ontginning van de planeet (Chuquiquamata). Chili zou zelfs over reserves beschikken die gelijk zijn aan tweehonderd jaar van exploitatie.

Op het ogenblik van de grote nationalisaties van 1971 schatte president Salvador Allende dat de exploitatie van koper het ‘salaris van Chili’ uitmaakte. Zijn regering had de grote Amerikaanse bedrijven onteigend en ondergebracht in het staatsbedrijf Codelco.

Vanaf de staatsgreep van 1973, de dictatuur en later de neoliberale democratie werd deze logica omgedraaid en werden een groot aantal concessies verleend aan privé bedrijven, zowel nationaal als internationaal. De taksen werden herleid tot een der laagste niveaus van de wereld en de veiligheidsmaatregelen waren zeer rudimentair, soms zelfs onbestaande.(4) In de regio van Antofagasta worden 277 van 300 mijnen geëxploiteerd zonder rekening te houden met enige norm. In een dergelijke context is mining een zeer lucratieve onderneming.

Eenendertig doden per jaar

Nochtans ging alles zogezegd goed in de sector omdat door die ontwikkelingen de mijnwerkers werden gepromoveerd tot de ‘aristocratie van de arbeiders’. Was hun loon immers niet drie keer hoger dan het bestaansminimum van 262 euro per maand? Sterker nog, voegde een avondblad er aan toe: “Het drama van de 33 van San José en de aan de gang zijnde reddingsoperatie mag ons niet afleiden van de essentie: het grootste gedeelte van de Chileense kompels werkt onder uitstekende veiligheidscondities.(5) Met gemiddeld eenendertig doden per jaar (op een totaal van 106.340 personen die in mijnen werken) kan men zich wel veiligere omgevingen voorstellen.

“San José is een nachtmerrie. Het was gevaarlijk, ik wist het, iedereen wist het,” verklaarde één der ontsnapte kompels. “Er is maar een ordewoord: productiviteit.”(6) Het mijnbedrijf San Esteban – die de ondergrond van het land al gedurende tweehonderd jaar exploiteert – behoort toe aan Alejandro Bohn (zestig procent van het kapitaal) en Marcelo Kemeny (40 procent), de zoon van de stichter van het bedrijf. Van de twee mijnen die zij bezaten hebben ze er een, uitgeput, moeten sluiten. San José moest dus verder alleen de levensstijl van de dirigenten van de maatschappij op pijl houden.

In San José vertaalt de hoogte van de koper- en goudprijs op de wereldmarkt zich in een toename van het werk, het kloppen van overuren (tot twaalf uur per dag) en een zekere nonchalance op het vlak van de veiligheid: wanneer op 4 augustus, op het ogenblik van de instorting de 33 zich naar een noodschacht haastten, ontdekten zij dat er geen enkele ladder was geplaatst. Was dat een verrassing? Neen: sinds 1999 heeft het aantal accidenten zich vermenigvuldigd. In 2004 dienden de vakbonden naar aanleiding van de dood van een arbeider een klacht in, maar die werd door de rechter verworpen. Uiteindelijk werd de mijn in 2005 op bevel van de arbeidsinspectie gesloten. In 2009 ging ze weer open zonder dat het geheel van de exploitatie beantwoordde aan de voorgeschreven normen. In juli 2010 gebeurde er een nieuw ongeval: een mijnwerker liep verbrijzelde benen op. Ondanks alles stond de nationale geologische dienst van de mijnen (Sernageomin) toe dat de productie drie weken later gewoon verder ging. Verscheidene syndicalisten namen het woord ‘corruptie’ in de mond. Zesentwintig families van mijnwerkers besloten om klacht in te dienen tegen de eigenaars en tegen de staat. Nestor Jorquera, voorzitter van de Chileense mijnwerkersfederatie (waarbij 18000 loontrekkenden zijn aangesloten ) betreurt het dat Chili conventie 176 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) op de veiligheid en gezondheid in de mijnen niet heeft ondertekend. Hij constateert ook een achteruitgang in de arbeidswetgeving die werd ingezet tijdens de dictatuur. Het stakingsrecht bijvoorbeeld werd gelimiteerd. Ondanks enkele programma’s om risico’s te voorkomen erkent de dienst Sociale Zekerheid van het ministerie van Arbeid dat in 2009 443 personen zijn overleden aan een arbeidsongeval (282 voor de eerste semester van 2010), terwijl er vorig jaar 191.685 niet dodelijke ongevallen werden geregistreerd (op een actieve bevolking van 6,7 miljoen). Op 28 augustus 2010 heeft president Piñera een superbeheer van de mijnen in het leven geroepen (waarin de syndicaten niet vertegenwoordigd zijn), verder de directeur van Sernageomin ontslagen en een verhoging van de controles en het aantal inspecteur beloofd. Op dit ogenblik zijn dat er …zestien om meer dan vierduizend mijnen in heel het land te controleren.

Noten

  1. Zie Franck Gaudichaud, Tremblement de terre politique et retour des Chicago boys, Recherches internationales, juillet 2010-10
  2. Paul Walder, La sepultada clase obrera, Punto Final nr 717, Santiago, septembre 2010
  3. José Luis Córdova, Diarioreddigital.cl, 8 octobre 2010
  4. In juni 2010 gaf de minister van Mijnbouw toe dat de mijnfiscaliteit in Chili de derde zwakste ter wereld is (Radio Cooperativa, 1 juni 2010)
  5. ‘Au Chili, les mineurs forment une aristocratie ouvrière enviée, Le Monde, 21 septembre 2010
  6. Cf Jean-Paul Mari, La malédiction de San José, Le Nouvel Observateur, nr. 2395, 30 septembre 2010
  7. Andrés Figueroa Cornejo, Treinta y tres mineros, uno tras otro, Agencia latinamericano de información, 10 septembre 2010

 

(*) Uit: Le Monde Diplomatique van 14/10/10 – vertaling Walter Lotens

(Uitpers nr. 125, 12de jg., november 2010)

(Visited 3 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 56 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook