De linkse beweging in de militaire periode van Suriname

Met het oog op de proces rond de zogenaamde decembermoorden dat einde november in Paramaribo van start moet gaan, maak ik in deze bijdrage een schets van de militaire periode (1980-1987) in de Surinaamse geschiedenis. Ik baseer me daarvoor op mijn boek “Omkijken naar een ‘revolutie’” (2004, Paramaribo: eigen beheer) waarin ik uitvoerige gesprekken voer met Surinaamse intellectuelen die kritisch terugblikken op die periode.(1)

Van de tweeëntwintig onafhankelijke landen die tot Latijns-Amerika behoren, zijn er slechts twee die een andere voertaal dan het Spaans of Portugees gebruiken. Dat zijn Guyana en Suriname. Met haar 163.000 vierkante kilometer en ongeveer 500.000 inwoners is Suriname, met Latino normen gemeten, een dwergland van het type ‘ons-kent-ons’. Historisch gezien is Suriname een kosmopolitische indringer in Latijns-Amerika, maar geografisch maakt de jonge republiek deel uit van hetzelfde continent van Fidel Castro, Che Guevara, Daniel Ortega, Salvador Allende en Hugo Chávez, maar ook van Anastasio Somoza, Hugo Banzer, Augusto Pinochet en Jorge Videla. Namen van vrijheidstrijders en dictators haalden op een bepaald ogenblik alle krantenkoppen. Latijns Amerika beleefde in de tweede helft van de twintigste eeuw een hele reeks zeer bloedige confrontaties tussen links en rechts. Vrijwel alle linkse stromingen, gaande van links populisme (Peron), over reformisme (Allende) tot communistische guerrilla-bewegingen (van trotskistische, maoïstische, Albanese of stalinistische inspiratie) waren aanwezig. Na de overwinning van Fidel Castro in 1959 werd de inzet vertienvoudigd: guerrillabewegingen zochten steun in het Oostblok en de VS gingen zich systematisch bemoeien met verzetsbestrijding. Nationale legers richtten het geweld naar binnen en voelden zich door de doctrine van ‘nationale veiligheid’ gerechtigd de macht te grijpen. ‘Vuile oorlogen’ en moordpartijen werden de norm. In alle landen, behalve in Mexico, Venezuela, Colombia en Costa Rica, zijn er militaire dictaturen geweest. Tot het einde van de jaren tachtig was het continent een slagveld in de Koude Oorlog. Na de val van de Berlijnse Muur verdween Latijns-Amerika van het wereldtoneel.

Oud Links voor 1975

De maatschappelijke stormen die het continent teisterden, gingen grotendeels aan Suriname voorbij. De Nederlandse kolonie aan de Wilde Kust kende een heel andere ontwikkeling dan haar Latino buurlanden die al in het begin van de 19de eeuw hun onafhankelijkheid verwierven. Suriname was een naar binnen gekeerd ‘vastelandseiland’, dat vooral aandacht had voor haar relatie met Nederland. Het Koninkrijksstatuut van 1954 waardoor Nederland, de Nederlandse Antillen en Suriname gelijke rijksdelen werden, was voor de Surinamers veel belangrijker dan het bericht uit 1953 van de mislukte aanslag van Fidel Castro op de Moncada-kazerne.

Suriname is een rustig land en haar bewoners gaan zich niet te buiten aan bloedvergieten zoals in de andere landen van Latijns-Amerika. Dat was – vóórdat de decembermoorden plaats vonden – het beeld dat de Surinamers van zichzelf hadden. Wapengekletter en geweld waren eerder uitzondering dan regel in de geschiedenis van de twintigste eeuw. De revolutie van 1910 vond geen doorgang en de inspirator ervan, Frans Pavel Killinger, wordt door Hans Ramsoedh eerder als een operettefiguur van een mislukte revolutie beschouwd dan als een revolutionair of antikoloniaal.(2)

Van meer betekenis voor de linkse beweging was de vakbond die een zeer belangrijke rol speelde en nog steeds speelt in de Surinaamse maatschappij.(3) De aanzet voor de eerste coöperatieve verenigingen werd gegeven aan het einde van de negentiende eeuw en was geïnspireerd op de arbeidersbeweging in Europa. Die Europese – lees: Nederlandse – invloed zal heel de twintigste eeuw de ontwikkeling van het linkse gedachtegoed in Suriname blijven bepalen. Dat blijkt ook weer tijdens de interbellumperiode. De internationale economische crisis begin jaren dertig, die ook Suriname trof, maakte een aantal krachten los. Louis Doedel, Marinus Lepelblad, Theo de Sanders, Anton de Kom, Heinrich Liesdek, Jacques van Eer en Sam Venoaks wierpen zich op als belangrijke voormannen van een stilaan opkomende arbeidersbeweging. Volgens Ben Scholten stonden deze leiders nauw in contact met (of behoorden tot) de Nederlandse S.D.A.P. (Sociaal-Democratische Arbeiders Partij), de C.P.H. (Communistische partij Holland) en het N.V.V. (Nederlands Verbond van Vakverenigingen).(4) Dat leidde zelfs in 1933 tot de oprichting van de Surinaamsche Democratische Arbeiderspartij (SDAP) die onder leiding stond van Heinrich Liesdek.

Het koloniale bestuur keek met argusogen naar dergelijke politieke activiteiten, die door gouverneur Rutgers als het opdoemend gevaar van het communisme in Suriname werden bestempeld. (5) Het gevaar werd de kop ingedrukt. Na een rel in 1933 waarbij twee doden en 23 gewonden vielen onder een regen van politiekogels wees het koloniale bestuur Anton de Kom het land uit. Ook Louis Doedel maakte men onschadelijk, want in 1937 werd hij opgesloten als psychiatrisch patiënt.

De Nederlandse staatsveiligheid, met name de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) en de Centrale Inlichtingen Dienst (CID), maakten zich vanaf de jaren vijftig behoorlijk wat zorgen over het Surinaams nationalisme dat op Nederlandse bodem welig wortel schoot. John Jansen van Galen snuffelde via het algemeen Rijksarchief in rapporten van die diensten en kwam zeer vaak de naam Eddy Bruma tegen. De stichter van de culturele vereniging Wie Eegie Sanie wilde samen met geestgenoten als Jules Sedney, Waalwijk, Eugene Gessel, Hein Eersel en andere jonge Surinaamse studenten “onze eigen dingen” gaan doen in Suriname.(6) Algauw kreeg Bruma het Koude Oorlogs-etiket ‘communist’ opgeplakt. Eens terug in Suriname deed zich dezelfde stigmatisering voor. Bij de oprichting van de Nationalistische Beweging Suriname (NSB) in 1959 sprak De Ware Tijd schamper van een ‘handjevol linkse figuren’, dat zich voor ‘een kar met onbekende bestemming’ had laten spannen, want ‘het extreme en het nationalisme en het communisme waren immers loten van dezelfde stam’.(7)

In de Koude-Oorlogssfeer van toen was er geen ruimte voor nuancering, want anders zou men zeker onderscheid gemaakt hebben tussen de overwegend cultureel georiënteerde Bruma en de veel radicalere De Kom die de klassenstrijd als uitgangspunt nam. In het programma van de Partij Nationalistische Republiek (PNR), de partij van Bruma, werd trouwens volgens Peter Meel de klassenstrijd verworpen en de ‘vernietiging van de particuliere sector van de economie’.(8)

Volgens de Surinaamse historicus Maurits Hassankhan beleefde Eddy Bruma Bruama zijn

’Hetenachtsdroom’ in een andere tijd. Hassankhans generatie, waartoe ook de linkse intellectuelen behoorden die voor en tijdens de staatsgreep van 1980 op de voorgrond traden, bestudeerde in het voetspoor van Bruma de geschiedenis van Suriname, maar dan op een andere, meer radicale manier. “De golden sixties en mei ’68 brachten een kentering teweeg in het denken over mens en maatschappij. De tijdgeest bood meer opening voor een nationalistisch en socialistisch discours of voor een combinatie van beide.” Volgens Hassankhan was deze generatie progressiever dan de generatie van Bruma. “Vanuit hun marxistische inspiratie streefden zij naar radicale veranderingen in de klassenstructuur van de maatschappij. Bruma, ondanks het feit dat hij voor ‘communist’ versleten werd, ging lang niet zo ver. Zijn generatie was geen wereldverbeteraar; hun ambitie reikte niet verder dan het kunnen bewandelen van een eigen weg in een eigen staat.”(9)

In het spoor van mei ‘68

Voor het typeren van die nieuwe generatie waarover Hassankhan spreekt, is 1975 waarschijnlijk niet de enige belangrijke datum. De onafhankelijkheid van Suriname is wel een zeer important scharniermoment geweest voor de nieuwe linkse beweging die zich begint te formeren, maar mei ’68 was waarschijnlijk een even belangrijke gebeurtenis.

Omstreeks mei ’68 begint een nieuwe lichting jonge Surinamers te studeren in Wageningen, Amsterdam, Delft, Leiden, Groningen, Utrecht en andere Nederlandse universiteitssteden. Zij kwamen niet alleen in aanraking met de wetenschap, maar ook met de geest van ‘68 die aan de Nederlandse universiteiten aanwezig was. Het traditionele onderwijs, de opvoeding, het gezin en de seksuele moraal kwamen zwaar onder vuur te liggen. Mei ’69 declareerde de ‘Verbeelding aan de macht’ en ‘Verboden te verbieden’. Het was de tijd van de korte rokken, plateauzolen, bakkebaarden, broeken met wijde pijpen, met bloemen beschilderde Volkswagenbusjes, maar ook van Che Guevara posters, Dolle Mina’s, Black Panthers en Roze Actiefronten. Het moet een flinke cultuurschok geweest zijn voor Ruben Liew Paw Sam, Iwan Krolis, Eddy Jharap, Edward Naarendorp, Frank Playfair, Winston Caldeira, Chandra van Binnendijk, Henk Goedschalk, Harold Jap-A-Joe, Cynthia Rozenblad, Marie Levens, Henk Herrenberg en al die andere Surinaamse jongeren die ineens in een andere wereld werden gestort. Het was ook de tijd dat studenten bij de fabriekspoorten pamfletten uitdeelden, waarin de klassenvijand de wacht werd aangezegd. In Nederland ontstonden niet alleen Sjaloom, wereldwinkels, de X min Y beweging, Vietnam-, Chili, Angola-, Nicaragua- en El Salvador-comités, maar ook Suriname- en aluminiumcomités die zich afzetten tegen wat zij als de uitbuiting van Suriname beschouwden.

De jonge geologiestudent Eddy Jharap, een eenvoudige jongen afkomstig uit de Bomapolder die er studeerde tussen 1964 en 1970, getuigt: “In Nederland was de provobeweging al eerder ingezet. Ook de studenten, voornamelijk in Amsterdam, lieten zich niet onbetuigd. Denk aan de bezetting van het Maagdenhuis. Leiden was nogal conservatief, maar binnen de Surinaamse studentenbeweging was er toch een vrij links georiënteerde groep. De ontwikkelingen in Vietnam, in Zuid-Afrika en in Midden-Amerika lieten ons niet onberoerd. Ze oefenden een enorm politiserende invloed uit op ons. Er was ook een aantal progressieve hoogleraren aan de universiteit – ik herinner mij nog de professoren Wertheim en Zürcher die ons bewust maakten van de nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen in de derde-wereldlanden.”(10)

Jharap ontwikkelde zich naar eigen zeggen in die periode tot een geëngageerde exacte wetenschapper. “Die maatschappelijke oriëntering haalde ik niet uit mijn studie. Ik werd eerder geïnspireerd door de Surinaamse studentenkring, waar we discussieerden over wereldvraagstukken en we nadachten over de toekomst van Suriname. Op die manier kwamen wij ook in contact met studenten van heel andere disciplines. Zo gingen we in de faculteit van de sociologie luisteren naar lezingen van progressieve hoogleraren die de situatie in Midden-Amerika, Cuba, Indonesië en China belichtten. Op een bepaald moment was de studie geologie voor mij bijna een aanhangsel geworden. Ik ging weg uit Suriname om mijn studie af te ronden. Dat heb ik uiteindelijk gedaan, maar het grootste deel van mijn tijd besteedde ik toch aan politieke activiteiten.”(11)

De Binnenlandse Veiligheidsdienst kreeg de handen vol met het volgen van die jonge Surinamers, die in woord en geschrift getuigden van hun anti-imperialistische instelling. In heel Nederland verrezen de Suriname comités als paddenstoelen uit de grond.(12) Ook de Vereniging Ons Suriname radicaliseerde mee en lag, samen met de Bond voor wetenschappelijke Arbeiders, aan de basis van het Aluminium-comité, dat nadien Suriname-comité ging heten.

Vaak ging het bij zo’n initiatieven om wat men toen eerder eufemistisch ‘eenheid in verscheidenheid’ noemde, want de verschillen tussen nieuw links waren zeer groot. De contouren van wat later de ( meer pragmatische) PALU en de (meer ideologische) VP en vooral de RVP zouden worden, waren toen al zichtbaar.

De Palu-man en EBG’er Harold Jap-A-Joe zegt daarover: “In onze Nederlandse periode sloten wij als sociologen meer aan bij de landbouwingenieurs van Wageningen. Zij werden als de dissidenten beschouwd binnen de Surinaamse studentenbeweging. Zij waren wel links, maar niet zo dogmatisch als de jongens van Leiden. Daarom ging ik graag naar Wageningen. Daar kon je tenminste zeggen dat iemand als Jopie Pengel toch óók een belangrijke bijdrage had geleverd voor de maatschappelijke emancipatie van de zwart Creoolse bevolking. Het marxistisch jargon hoorde je nauwelijks bij de Palu. En als je het dan al hoorde was het eerder grappend bedoeld. Op zaterdag lieten wij nogal eens een kist bier aanrukken en als er iemand wat te veel op had dan zeiden we dat hij het hoogste stadium van het imperialisme bereikt had. De Palu-jongens waren geen zwevers. Ze bleven, ook als ze wat bier op hadden, met hun twee voeten op de grond. Hun concrete, pragmatische benadering trok mij aan en die was zeer duidelijk aanwezig bij de oprichting van de Palu in 1977. Dat vond ik belangrijker dan al die theoretische discussies over Marx en Lenin. Op die bijeenkomst werd er helemaal geen marxistisch jargon gehanteerd. Er werd gesproken over Suriname en over de manier waarop wij de ontwikkeling van ons land op gang konden brengen.”(13)

Ondanks hun onderdompeling in de mei 68-sfeer werden de meeste Surinamers geen marxisten pur sang. Palu-vrouw Cynthia Rozenblad benadrukt: “In ons eerste manifest was het marxisme-leninisme zeker het uitgangspunt, maar binnen de partij heeft er zich al snel een ontwikkeling voorgedaan om niet te rigide om te springen met bepaalde ideeën, zoals dat wel gebeurde bij de groep rond Ruben Lie Pauw.” (14)

Hun nationalistisch streven, aangevuld met hun geloofsovertuiging en gekruid met een flinke dosis marxistische inspiratie, maakten dat er een typisch Surinaamse cocktail van drijfveren ontstond. Was Eddy Jharap bijvoorbeeld een overtuigd marxist? Zijn antwoord lijkt me typisch voor heel wat mensen van die generatie: “Ik ben christelijk opgevoed. Ook in Nederland heb ik nog aan catechisatie en belijdenis gedaan. Het christendom heeft een bijzonder indruk op mij gemaakt. Door dat geloof heb ik mijn ziekte beter kunnen verdragen. Toen ik in aanraking kwam met het marxisme zag ik daarin in de eerste plaats hetzelfde verhaal als in het christendom: rechtvaardig zijn, werken voor de armen, helpen. Dat was voor mij een zeer herkenbare boodschap, die mij meer aansprak dan de scherpe ideologische invalshoek van het marxisme. Ik wilde me niet inlaten in de discussie of God nou dood was of opium voor het volk kon worden genoemd. Die gesprekken vond ik minder relevant. Sommige mensen hebben een God nodig, andere niet. Het samen optrekken voor een meer rechtvaardige maatschappij leek mij veel belangrijker. Daarom kon ik me wel vinden in de marxistische opvattingen over sociale strijd en klassentegenstellingen.”(15)

Nieuw links in Suriname

Het zijn deze geradicaliseerde Surinaamse studenten die na hun studie in Nederland met veel idealistische ideeën over de maakbaarheid van de maatschappij naar hun geboorteland terugkeerden. Zij wilden hun verworven kennis en hun – meestal – radicale politieke opvattingen inzetten om de nieuwe republiek te helpen ontwikkelen. “Tot voor kort was de PNR de enige uitlaatklep voor alle radicale elementen in Suriname,” berichtte het hoofd van de BVD, drs. Kuipers, in 1970 aan vice-premier Bakker, ‘doch mede door de betrekkelijk gematigde houding van Bruma verliest de partij thans een deel van haar aanhang aan organisaties als het Marxistisch-Leninistisch Centrum Suriname”.(16)

De geradicaliseerde terugkomers klaagden de praktijken aan van de rijke foetoebois of compradores die optraden als loopjongens van buitenlandse bedrijven in Suriname. Met deze term werd zeer goed het nationalistische én socialistische sentiment aangegeven, waaruit deze nieuwe groep haar inspiratie putte.(17) Tijdens de ‘oude politiek’ was deze elite, die als pleitbezorger optrad van het buitenlands kapitaal, sterk aanwezig in kringen van de regering. De grote partijen (VHP en NPS) en hun cliëntelistische politiek waarmee zij hun etnische achterban in de watten probeerden te leggen, kregen het hard te verduren van deze nieuwkomers in het politieke veld. Vooral de oude rotten Lachmon en Arron waren voor hen de schietschijven van de traditionele politiek. Die oude schoenen wilden zij uitschoppen, niet op een revolutionaire manier maar volgens de regels van de parlementaire democratie. Ondanks het marxistische jargon overwoog toch een sociaal-democratische reflex. Dadelijk bij hun terugkeer begonnen zij politieke partijen op te richten om te kunnen deelnemen aan de verkiezingen, die eerst in juli 1976 hadden moeten plaatsvinden, maar omdat Arron niet zeker was van politieke winst door onder meer de opkomst van progressieve partijen, uiteindelijk pas in 1977 werden gehouden. Edward Naarendorp beleefde die periode van heel nabij: “Er werden dagelijks acties gevoerd tegen wat toen de ‘kliek Sedney-Lachmon’ werd genoemd. De VHP-PNP-regering die in 1969 aantrad, werd in 1973 op de knieën gedwongen door langdurige stakingen van alle vakbonden.(18) De regering trad toen zeer hardhandig op: een van de betogers, Ronald Kitty, ook Abaisa genoemd, werd doodgeschoten en Fred Derby, ikzelf en nog vele anderen belandden als oproerkraaiers in de gevangenis. Die reactie tegen de oude politiek vertaalde zich niet dadelijk in nieuwe politieke formaties, maar leidde wel, naar Europees model, tot de oprichting van een aantal politiek georiënteerde comités. Mensen als Humphrey Keerveld, Frank Ranada, Winston Caldeira en ook Wim Bakker als tekenaar van De Rode Surinamer beijverden zich om heruitgaven van boeken te verzorgen in de geest van de linkse uitgeverijtjes in Nederland die we kenden. Drukken, kopiëren, stencilen deden we om het werk aan de basis te ondersteunen: jongeren, vrouwen, buurtwerk, vakorganisaties. Het is toen ook dat het comité Vrienden van Mariënburg werd opgericht. Wij wilden door het verrichten van gemeenschapswerk de arbeiders van dat noodlijdende suikerbedrijf steunen en politiek bewust maken. We ontvingen steun van onder meer het Surinamecomité in Nederland.”(19)

Vooral de Volkspartij (VP) van de arts Ruben Lie Pauw Sam was behoorlijk populair, voornamelijk onder jongeren. In 1977 ontstond de progressieve Arbeiders en Landbouwers Unie (Palu), voortgekomen uit een politieke bundeling van voornamelijk in Wageningen opgeleide landbouwingenieurs en andere pragmatisch ingestelde academici. Vanaf haar ontstaan heeft de Palu kritiek geleverd op het ontwikkelingsbeleid van de ‘oude politiek’ en dan voornamelijk op het megaproject in West-Suriname. Daarnaast ontstond ook de Oskom (Organisatie van Surinaamse Kommunisten), het Democratisch Volksfront (DVF) van Humphrey Keerveld, de Progressieve Socialistische Partij (PSP) van sport- en radioman André Kamperveen, de Surinaamse Socialistische Unie (SSU) van de flamboyante Henk Herrenberg en de Communistische Partij Suriname (CPS) van Bram Behr. De journalisten Rudi Kross en Jozef Slagveer kozen voor een andere strategie en trachtten binnen de NPS – en Kross ook binnen de Moederbond – linkse standpunten binnen te brengen.

Klein-links werkte zich uit de naad om in de volkswijken van Paramaribo aan invloed te winnen. Er werden volkscomités opgericht en de stencilmachines en drukpersen draaiden op hoog toerental om de nieuwe tijdschriften (‘Pipel’, ‘Mokro’, ‘Sonde Spikri’ en ‘De Vrije Stem’) en brochures aan de man te brengen. Even zag het er naar uit dat de nieuwkomers de twee grote politieke blokken behoorlijk wat stemmen zouden kunnen afsnoepen, maar de politieke tegenstellingen bleken al snel zo groot dat er vaak onderling een steriel politiek gebekvecht ontstond. De kleine partijen waarin alle scala’s van links tot extreemlinks vertegenwoordigd waren, brachten vaak hun rivaliteiten en vetes mee uit Nederland.

De periode om agitatie te voeren was nochtans uitstekend, want op het einde van de jaren zeventig ging het bar slecht in Suriname, zowel economisch als politiek. Een kleine toplaag bleef zich verrijken terwijl het grootste gedeelte van de bevolking armoede leed, ondanks de honderden miljoenen guldens aan ontwikkelingshulp. Nog steeds kwam er geen druppel water uit de kraan en bij elke tropische regenbui kwamen straten en erven onder water te staan. De ouderdomsvoorziening werd niet op tijd uitbetaald. Om de armoede te bestrijden en om de migratie tegen te gaan nam Henck Arron steeds meer staatsambtenaren in dienst waardoor lanti onwelvoeglijke proporties aannam. De staat werd een melkkoe en een sociaal vangnet. “57 procent van het totale staatsbudget ging in 1978 naar ambtenarenlonen en in 1979 was het zelfs 63 procent, schrijft Rudie Kagie.” (20)

Omkijken naar een ‘revolutie’

Over de militaire periode is heel wat geschreven. Voornamelijk dan van Nederlandse zijde.(21) Ik ga er dus van uit dat de feiten gekend en goed beschreven zijn.(22) Ik wil naar de militaire periode kijken vanuit een Latijns-Amerikaanse invalshoek, en dan voornamelijk vanuit een vergelijking met Nicaragua.(23) Dat was trouwens ook mijn insteek bij het schrijven van “Omkijken naar een ‘revolutie’”. Mijn gesprekken met tien Surinaamse intellectuelen waren voor mij ook een geschikte aanleiding om na te denken over processen van maatschappelijke verandering.

Het kom me voor dat de politieke situatie in de jaren tachtig gelijkenis vertoonde met wat ik zelf in Sandinistisch Nicaragua had meegemaakt: een corrupte elite, moedige militairen, Cuba-fanaten, CIA-watchers en de voortdurende dreiging van een VS-interventie. Kortom, een geweldig gepolariseerde samenleving. Op het ogenblik dat Ronald Reagan ostentatief rondliep met een T-shirt I’m a contra, maakte ik aanstalten om me voor het eerst – niet voor het laatst – aan te sluiten bij een solidariteitsbrigade met het Sandinistische Nicaragua. Er bestond eenzelfde enthousiasme, vooral in links-intellectuele kringen, om een revolutionair proces van maatschappijverandering te ondersteunen. De feiten waren duidelijk: een arrogante Noord-Amerikaanse inmenging en fanatieke contra’s probeerden een prille revolutie de nek om te draaien. Dat was voor mij tevens een antwoord op het dilemma dat Salman Rushdie voorlegde via een anonieme Nicaraguaanse limerick in zijn Nicaraguaans reisverslag De glimlach van een jaguar.(24) Natuurlijk, dacht ik, staat het meisje voor de nog frisse revolutie en is de jaguar het yankee-imperialisme. Dat het jonge meisje ook wel eens Sandinistisch Nicaragua had kunnen zijn en de jaguar de revolutie was op dat ogenblik ondenkbaar.

Dilemma van links

In de eerste bestuursfase werden ‘onze jongens’ als volkshelden onthaald. Ondanks de militaire coup ging het er aanvankelijk niet echt grimmig aan toe. Thea Doelwijt en Henk Tjong brachten op 18 april 1980 in theater Talia “Ba Uzi”, een satirische muzikaal cabaret op de coup, maar broeder uzi – aanwezig in de zaal – liet het allemaal rustig betijen.

De boodschap van Ba Uzi werd enkele maanden later trieste werkelijkheid. We zijn militairen, we marcheren van links, rechts; links, rechts, links…” zei Bouterse die meer en meer op de voorgrond trad. Wie was die man? Door zijn eerder gemakkelijk leventje als beroepsmilitair in Nederland en Duitsland kon hij zeker niet vergeleken worden met Latijns-Amerikaanse revolutionairen en guerrilleros van het type Fidel Castro, Che Guevara of Daniel Ortega worden genoemd. Hij was ook geen ideoloog.(25) Hij kon niet, zoals Pinochet, beschikken over een machtige achterban. De denktank van intellectuelen die zich rond hem verzamelde, bestond uit vreemde vogels van diverse pluimage van wie de meeste behoorlijk wat rood, made in Holland, in de veren hadden zitten. Tussen de populaire bink en zijn linkse ideeënleveranciers ontstond een aantal kortstondige, maar heftige vrijages die niet alleen door de binnenlandse elite, maar ook door de CIA met argusogen werden gevolgd. Zou een tamelijk onschuldige, uit de hand gelopen vakbondsactie alsnog, in een tweede fase dan, een revolutionair elan krijgen? Zou links van het ideologisch vacuüm na de staatsgreep kunnen gebruik maken om alsnog een revolutionair proces op gang te brengen? De voormalige sportinstructeur werd dan maar de Surinaamse Pele of Cruyf: schijnbewegingen makend met de bal aan de voet, veinzend om naar links te gaan, maar dan ineens naar rechts uitwijkend en tegelijk keihard uithalend.

De schermutselingen tussen links en rechts met Bouterse als onberekenbare scheidsrechter namen stilaan toe en vanaf einde 1981 ontstond een definitieve scheiding der geesten. Op 17 december van dat jaar proclameerde Bouterse het Revolutionair Front en begon de ‘revolutie’ een linkse koers te varen. 1982 werd the year of living dangerously voor Suriname en in december van dat jaar gingen ‘onze jongens’ helemaal uit de bocht.

Na de decembermoorden stond Surinaams links voor een groot dilemma.(26) Edward Naarendorp formuleert het zo: “In die periode stonden we als RVP voor een ontzettend dilemma. Een dilemma dat zich ook heeft voorgedaan bij de Sandinisten in Nicaragua waar het revolutionaire proces van buiten uit steeds meer bedreigd werd. Het beschermen van de verworvenheden van de revolutie heeft waarschijnlijk tot een verstrakking in de houding van de comandantes geleid. Het FSLN heeft daarvoor veel water in zijn revolutionaire wijn moeten doen om het hoofd boven water te houden. Ook in Suriname einde 1982 stonden wij voor een moeilijke beslissing. Kun je op een of andere manier nog verder werken met mensen die zoiets gruwelijks hebben gedaan? Stoppen en weer in het politieke isolement gedrukt worden of náást de militairen aanwezig blijven en perspectieven op maatschappelijke verandering openhouden? Dat was een moeilijke keuze. Uiteindelijk opteerden we voor de tweede mogelijkheid. Dat betekent echter niet dat wij die moordpartij goedkeurden. Het betekende alléén dat wij vanuit onze analyse van de krachtsverhoudingen voldoende elementen aanwezig achtten om het revolutionaire proces voort te zetten.”(27) Joop Vernooij die als priester die periode van zeer nabij heeft meebeleefd, geeft een verklaring waarom na de decembermoorden een aantal mensen zijn blijven verder gaan. “De militairen waren op dat ogenblik het enige kanaal voor progressiviteit, om een ander geluid te laten horen. Op die manier kon men ook een punt zetten achter de raciale politiek van die oude partijen. Een aantal progressieve parochianen van Latour zijn nu nog bij Bouterse om te kunnen afrekenen met dat oude gedoe.”(28)

Versmalde focus

Er was in de periode vóór de decembermoorden van alles gaande. Er waren demonstraties en stakingen, geruchten over interventieplannen en geheime gesprekken in verband met eventuele verkiezingen. De ongenuanceerde links-rechtspolarisatie werd steeds groter. Het wederzijdse wantrouwen, het vijandbeeld – wij en de anderen – stak de kop op en verziekte de sfeer. Via de media werd er ook een sterke ideologische oorlog uitgevochten.(29) De Vereniging voor Progressieve Mediawerkers (VPM) waartoe journalisten als Edward Naarendorp en Chandra Van Binnendijk behoorden, probeerden op te tornen tegen de ideologische beïnvloeding van de grote persagentschappen maar dat maakten hen in de ogen van vele Surinamers – waaronder ook de Surinaamse Vereniging van Journalisten (SVJ) tot communistische propagandisten. Chandra Van Binnendijk: “De manier waarop de nieuwsvoorziening het wereldbeeld van mensen kan helpen bepalen en versterken, intrigeerde mij in hoge mate. Het nieuws kwam toen voor tachtig procent van vier grote westerse persbureaus. Zij interpreteerden nieuwsfeiten en drukten daardoor een bepaalde beeldvorming door. Denk maar aan de manier waarop de Amerikaanse pers berichtte over Nicaragua in de jaren tachtig. De Sandinisten waren terroristen en vormden een communistische dreiging. De contra’s, notabene betaald door de CIA, waren de zogenaamde vrijheidsstrijders.”(30)

De polarisatie was in die jaren van dreigende Noord-Amerikaanse interventie zo groot dat elke kritiek in contra- of CIA-hoek werd gesitueerd. Deze diepe scheiding der geesten blies elke kritiek op tot een regelrechte oorlogsverklaring. Men was voor of tegen de revolutie. Wegens de oorlogssituatie werd alle nuancering achterwege gelaten. Er was geen ruimte voor kritische distantie, want dan belandde men aan de andere kant. Het onderscheidingsvermogen van heel wat geëngageerde mensen, ook dat van mij, werd vernauwd. Zeker in het midden van de jaren tachtig, toen de agressie het grootst was, was er weinig of geen plaats voor kritische solidariteit. Linkse kritiek op het FSLN zou de rechtse propaganda munitie verschaffen in haar moddercampagne rond het Sandinisme. Iedereen legde zijn ei in hetzelfde nest en wilde het, om de kansen van de revolutie intact te houden, niet bevuilen.

Deze gevaarlijke focusvernauwing die elke kritische attitude onmogelijk maakt, heb ik zelf als brigadist in Nicaragua te laat onderkend. Om te kunnen reageren op de sabotage van de CIA, op contra-aanvallen, op de economische boycot van de VS, op de tendentieuze artikelen in het liberale dagblad La Prensa en op de donderpreken van de conservatieve bisschop Obando y Bravo moest men ook autoritair kunnen optreden. Wij, brigadisten, hadden het volste vertrouwen in de Sandinistische comandantes. Er was geen plaats voor twijfel. Nicaragua libre. Patria libre o morir. Dat was de slogan van het heroïsch voluntarisme van de revolutie.

Dat psychologisch mechanisme heeft zich naar mijn gevoel ook in Suriname voorgedaan, zeker in de loop van 1982 en later ook nog. The year of living dangerously in Suriname leidde tot een oververhitte sfeer van wantrouwen en verdachtmakingen ten opzichte van een machtige binnen- en buitenlandse vijand. In Managua heette die vijand de Somozistische contra’s en de CIA, in Paramaribo de ‘oude partijen’, geruggensteund door Nederland en de CIA. In de voortdurende keuze die RVP en Palu moesten maken tussen loyaliteit aan de ‘revolutie’ en kritiek leveren op ontwikkelingen in dat proces week de naald van de balans steeds uit naar loyaliteit – of noem het een steeds hernieuwd voordeel van de twijfel – waardoor er amper sprake was van een keuze. De brede kritische zin – niet de ideologisch-maatschappelijke – verdween daardoor onder tafel.

Evenals in Nicaragua probeerde de Surinaamse linkerzijde met beperkte middelen (vlugschriften, muurschilderingen, brochures, alternatieve persagentschapjes) hun waarheid bekend te maken. De brochure De revolutie overwint! is daar een goed voorbeeld van. Ze gaat over de poging van Rambocus tot staatsgreep op 11 en 12 maart 1982. De brochure blinkt uit in gespierde, polemische taal in de aard van ‘de meest reactionaire laag in de maatschappij’, ‘een barbaars regime’, ‘contrarevolutionaire gusanos’ en ‘lakeien van het kapitalisme’.(31)

Linkse kritiek op links

De RVP en de Palu waren niet de enige linkse formaties in Suriname. Zij gingen wel het verst in hun samenwerking met de militairen. Vooral dan door hun aanwezigheid vanaf begin 1983 in de regering-Alibux. In het Suriname van toen werd er van linkse zijde ook heel wat kritiek geleverd op links en de militairen. De meest bekende vertegenwoordigers ervan waren Bram Behr, Leslie Rahman, André Kamperveen en Jozef Slagveer die hun optreden met hun leven hebben moeten bekopen. Aanvankelijk onthaalden zij de coup met veel enthousiasme(32), maar gaandeweg ontpopten zij zich tot felle critici van de militairen. Vooral Bram Behr, woordvoerder van de Communistische Partij en journalist van “Mokro” ging daar heel ver in. (33)

De Cubaan Oswaldo Cárdenas, die toen ambassadeur in Paramaribo was, drukte achteraf in zijn memoires zijn verontwaardiging uit: “Het in koelen bloede vermoorden van gevangenen en de executie van politieke tegenstanders kan niet worden gerechtvaardigd en deze gebeurtenissen hadden niets te maken met het gedrag van revolutionairen.”(34)

De linkse journalist Rudi Kross die ooit ook door Bouterse was opgevist verlaat na de decembermoorden het land en levert bikkelharde kritiek op links; “Kritiek op links mag nooit om rechts niet in de kaart te spelen. Daar hebben ze misbruik van gemaakt. Links heeft bij mij geen privilege. Ik heb mij in de laatste 25 jaar daar ook in bewogen en gezien wat de warhoofden met linkse ideologie van verkeerd begrepen grote geesten als Max en Engels te weeg brengen. Het handjevol intellectuelen van de Palu en de RVP maakten gebruik van het leger die de staat gekaapt had en zei de legertop wat ze er mee moest doen.”(35) De Surinaamse sociologe Maureen Silos benadrukt dat Surinaams links nooit de intellectuele verfijning bereikt heeft die wel in werken van andere Caribische en Latijns-Amerikaanse marxisten te vinden is. “De Surinaamse linkse partijen vatten het marxisme op als een wetenschappelijk systeem dat, indien krachtig toegepast, de meest onoverkomelijke problemen te boven kan komen. Dit is een religieuze, anti-wetenschappelijke houding.”(36)

Ook Sandew Hira, de medeoprichter van de Beweging van Surinaams Links (BSL), gaf vanuit zijn toenmalige trotskistische visie zware kritiek op de Palu, de VP en de RVP: “Zij hebben hun politieke lijn vóór de coup gebaseerd op de ontkenning van het revolutionair potentieel van de arbeidersklasse. Hun propaganda richtte zich niet op een versterking van de strijdbaarheid van de massa’s, maar op het instandhouden van de parlementaire illusies.” Volgens Hira maakte de Surinaamse linkse beweging twee belangrijke strategische fouten. “De linkse beweging had als alternatief voor een coup de leuze van een algemene staking naar voren moeten brengen. Het klimaat voor een algemene staking was beslist aanwezig, aangezien ook de vakbeweging in conflict was gekomen met de regering. Indien de regering – net als in 1973 – door een algemene staking ten val zou zijn gebracht, dan zou de ruimte voor de groei van de linkse beweging sterk zijn toegenomen.”(37)

Hira is ook niet mals over het ontbreken van interne democratie binnen de linkerzijde. “In de organisatieopbouw hebben sommige leiders zich meer bezig gehouden met de vraag hoe ze zich als een nieuwe Lenin, Fidel Castro, Mao Tse Tung of Enver Hoxha konden ontpoppen, dan met het opbouwen van een team werk(st)ers die op grond van politieke principes de leiding van een organisatie kunnen vormen.”(38)

Ook in een vergelijking met het revolutionaire Nicaragua komt Suriname er volgens Hira bekaaid van af. “In Nicaragua zijn de Sandinistische verdedigingscomitees daadwerkelijke volksorganisaties die terecht de ogen, handen en oren van de revolutie worden genoemd. In Suriname zijn de volkscomitees verworden tot de tong en billen van de revolutie. Carrièremakers en gatlikkers hebben daar hun plaats gevonden. In Grenada is de Vereniging van Progressieve Mediawerkers een organisatie van journalisten die eerlijke nieuwsvoorziening over de derde wereld en de revolutie wil organiseren. In Suriname is de Vereniging van Progressieve Mediawerkers een propagandadienst van Bouterse geworden die door niemand geloofd wordt.”(39) Sandew Hira schreef deze tekst in 1983 en hij kon natuurlijk niet weten dat volksorganisaties als de Comites de defensa Sandinista even later hun revolutionair elan kwijt speelden.

Paranoia of reëel gevaar?

Was links nu vanuit die focusversmalling, een beetje paranoia of waren er goede gronden om contrarevolutionaire activiteiten van buiten, maar misschien ook van binnenuit te verwachten?

Volgens een aantal bronnen zouden er wel degelijk plannen gelegen hebben om het Cubaans georiënteerde Suriname terug aan de leiband te leggen. Op 12 december 1982 ontmoette André Haakmat, een zekere Bob Hogan in Hotel Babylon te Den Haag. Dat schrijft hij in zijn politieke herinneringen ‘De revolutie uitgegleden’.(40) Haakmat laat deze CIA-man zeggen: “Het punt is, de Verenigde Staten kunnen niet toestaan dat Cuba bepaalt wat in Suriname gebeurt. De Cubanen hebben genoeg ellende veroorzaakt in onze regio. Ze moeten gestopt worden. Suriname mag niet hun gateway to the South American hinterland worden. Nooit!”

In de periode voor en na de decembermoorden gingen er voortdurend geruchten over een mogelijke Amerikaanse interventie. Wat was waarheid, wat was fictie? Marten Schalkwijk die toen op Buza werkte: “Enkele jaren geleden kwam ik toevallig in contact met een voormalig veiligheidsadviseur op topniveau van Ronald Reagan. Toen hij vernam dat ik uit Suriname kwam, wilde hij me iets toevertrouwen dat hem blijkbaar dwars zat. Eigenlijk verontschuldigde hij zich dat de Verenigde Staten toen inderdaad plannen hadden om Suriname binnen te vallen. Dat leek me een oprechte ontboezeming van die man, die nogmaals bevestigde dat al die geruchten niet zonder grond zijn geweest.”(41) De Amerikaanse onderzoeksjournalist Bob Woodward beaamt in zijn boek dat er in de periode 1981 tot 1987 CIA-plannen zijn geweest om Suriname te destabiliseren. Volgens Woodward gebeurde dit echter pas na december 1982 en op verzoek van Surinaamse bannelingen in Nederland.(42)

Er moeten ook al eerder plannen geweest zijn, want in begin 1982 – nog voor de decembermoorden dus – stuurde de toenmalige Nederlandse minister van defensie Hans Van Mierlo in het diepste geheim kolonel A.W.Schulte naar de USA om het Pentagon ervan te weerhouden zijn spierballen in Suriname te tonen. De Landmachtinlichtingendienst (Lamid) had immers serieuze aanwijzingen dat president Ronald Reagan bezorgd was om het geflirt van Bouterse met Castro. Hij vreesde voor een ‘nieuw Cuba’ in de achtertuin van de VS.(43)

Schalkwijk bladert even in zijn boek. “Ik geloof dat ik over die plannen iets geschreven heb.

Er blijven in elk geval heel veel vragen bestaan rond de rol van de inlichtingendiensten van verschillende landen. Volgens Blickman is Suriname een strijdterrein geweest waarop de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD, de Inlichtingendienst Buitenland (IDB), de Centrale Inlichtinge Dienst (CID) , de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) en de Militaire Inlichtingen Dienst (MID) rechtstreeks of onrechtstreeks actief zijn geweest.(44) Welke rol speelde de Nederlandse missie – en meer bepaald kolonel Hans Valk – voor de staatsgreep? (45) What about de rol die paracommandant Bram van Tussenbroek speelde als militair attaché en later tijdens de Binnenlandse Oorlog?(46) Was Ronny Brunswijk alleen maar een enfant terrible met Robin Hoodachtige trekken te vergelijken met Eden Pastora, commandante zero in Nicaragua, of was hij ook gelinkt aan een of verschillende inlichtingendiensten? Welke rol speelde de Franse veiligheidsdienst tijdens de Binnenlandse Oorlog? Hoe kwam het dat een zekere dokter Bonnot zo snel ter plaatse was na de moorden in Moiwana, enz, enz ? Wie waren al die geheimzinnige huurlingen die aan de overzijde van de Marowijne opereerden? Wat over de vermeende aanwezigheid van Libiërs in Suriname? Het aantal vragen waarop tot nu toe geen bevredigend antwoord is gegeven is zeer groot. Het wordt hoogtijd dat rond deze vragen gedegen wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan.

Caudillismo

Tussen Simón Bolívar, de meest bekende Latijns-Amerikaanse vrijheidsstrijder en de huidige Venezolaanse president Hugo Chávez die de “Bolivariaanse revolutie” in zijn land uitriep, bestaan enkele opvallende overeenkomsten. Het zijn beiden echte caudillos: charismatische, paternalistische figuren, omringd door een schare van supporters die hun leider door dik en dun verdedigen. Dat caudillismo is ook aanwezig in de recente Surinaamse geschiedenis. Een figuur als de charismatische volksjongen Jopie Pengel, die ontzettend veel macht naar zich toe trok en zijn achterban binnen lanti onderbracht, beantwoordde in grote mate aan de kenmerken van het caudillismo. Hij is de verpersoonlijking van de Latijns-Amerikaanse caudillo in een Surinaamse politiek-economische setting. Comandante Daniel Ortega, eens de grote leider van de Sandinistische revolutie, heeft misschien zonder het te willen een aantal wezenstrekken van de verfoeide dictator Somoza overgenomen. Hij werd een linkse caudillo, een Latijns-Amerikaanse grand seigneur met een groot aantal volgelingen. Ook de demagogisch getalenteerde Bouterse past in dit rijtje. Zijn verzet tegen de oude etnische patronagesystemen heeft ertoe geleid dat er in Suriname een nieuwe machtspiramide ontstond, waarvan hij nog steeds de onbetwiste leider is. Deze mentaliteit is volgens Maureen Silos het ‘commandisme’, een overblijfsel uit de plantagetijd, met nadruk op paternalisme, autoritarisme en elitisme.(47) Silos noemt Suriname –ook het huidige – een‘commandodemocratie’ in plaats van een parlementaire democratie.

Al de elementen van de autoritaire persoonlijkheid zitten op een zeer ingewikkelde psychologisch-historische manier ingebakken bij het grootste deel van de Surinaamse bevolking.(48) Het gezin, de school, de jeugdbeweging, de kerk, het leger en de politiek zijn doordrongen van de autoritaire reflexen. Het wordt met de moedermelk, de klappen van vader en de lat van de onderwijzer doorgegeven. Voordat je het beseft ben je een ja-knikker geworden. Iedereen die zich niet conformeert, heet al snel ‘vrijpostig’. Wie niet buigt voor de geborgenheid van die grote familie die Suriname heet en waarin iedereen zijn plaats kent, wordt sociaal uitgespuwd. Volgens Silos is het Bouterse-regime slechts een extreme uiting geweest van het commandisme dat in Suriname als normaal wordt ervaren. Ook de revolutionairen van de jaren tachtig zaten in datzelfde stramien van caudillismo en machismo. In mijn gesprek met Chandra van Binnendijk drukte zij haar ‘onbehagen binnen revolutionaire lijnen’ uit. “Ook de houding tegenover vrouwen was vaak niet voorbeeldig, maar dat bedek je ook maar met de mantel der liefde. Praten over gevoelens en emoties ging helemaal niet. Dat was ook zo bourgeois. Alles werd teruggebracht tot de vraag of het wel goed was voor de strijd en of het wel paste binnen het marxismeleninisme. Dat vond ik allemaal nogal kil en koud. Mijn feministische en bij momenten anarchistische houding maakte dat ik als leuk en bruikbaar werd beschouwd, maar ik was geen echte kameraad. Toen ik op een gegeven moment kennis maakte met de Cubanen werd ik door hen ineens wél als een volwaardig kameraad beschouwd. Dat was voor een aantal RVP’ers die opkeken naar de Cubanen een complete verrassing en daardoor veranderde hun houding tegen mij ook.”(49)

Maureen Silos die geen hoge pet op had van de progressieve intellectuelen in Suriname tijdens de militaire periode, zoekt een psycho-sociale verklaring voor dit fenomeen. “Alleen in hun sociale presentatie waren deze intellectuelen progressief, maar in hun werkelijk handelen, denken en voelen zijn zij conservatief. Zij hebben een enorme angst voor afwijkingen omdat zij geen zekerheid van binnen hebben. Wij praten nooit over emoties in dit land. Dat is jammer, want alleen op die manier kan men zichzelf als object nemen van eigen waarneming. De meeste mensen zitten nog volledig ingebed in hun emoties. Er is geen afstand tussen het denkend ik en zijn gevoelsleven.”(50)

Het kromme hout waaruit de mens gemaakt is

De Amerikaanse antropoloog Gary Brana-Shute vraagt zich af hoe het komt dat het Surinaamse gewone volk zich tijdens de jaren tachtig niet massaal achter een regime schaarde dat opkwam voor meer sociale rechtvaardigheid. Hij constateert dat de inspanningen om te komen tot een revolutionaire Volksmobilisatie weinig effect hadden omdat de nieuwe structuren als volkscomités en volksmilities niet aansloten bij de traditionele sociale organisatie van het gemeenschapsleven. (51) De Amerikaanse historica Rosemary Brana-Shute stelt dat de meeste stadscreoolse vrouwen tot een groot gamma van clubs en verenigingen behoren die van op het niveau van het huishouden verticaal geïntegreerd zijn tot in de hoogste middens van de nationale politieke macht.(52) Deze onderzoeker constateert dat die vrouwen onderling met elkaar verbonden zijn via allerlei netwerken van wederzijdse ondersteuning. Ze hebben eigen begrafenisverenigingen (fonsoe), roterende kredietorganisaties (kasmoni) en sociale clubs (straati vereniging) om gemeenschappelijk overgangsriten te vieren. Volgens Gary Brana-Shute dropte Volksmobilisatie top down volkscomités boven op deze traditionele buurtgroepen. Dat lukte niet onder meer omdat die volkscomités zeer mangericht waren. Gelijkaardige reacties heb ik ook opgevangen tijdens de Nicaraguaanse verkiezingen van 1996 die door Alemán werden gewonnen. Sandinistische volksvrouwen hebben toen goed hun boterham verdiend. Voor honderd córdoba liepen ze in hun wijken rond met bordjes van politieke tegenstrevers. Het maakte niet uit voor wie: als ze maar betaald werden. Deze vrouwen speelden vrolijk voor politieke sandwichman, maar in het stemhokje brachten zij een stem uit voor wie zij werkelijk wilden. Dat is ook in 1987 gebeurd in Suriname.

Dat onvoorspelbare gedrag is een vorm van inherent passief verzet. Het is niet alleen diep gegrift in de Nicaraguaanse en Surinaamse ziel, maar doet zich voor bij alle volkeren die langdurig onderdrukt zijn geweest. Overleven is een vorm van verzet. De homo colonicus heeft zich noodgedwongen een masker moeten aanmeten. Zijn janushoofd waarmee hij ja knikt en nee denkt, vertegenwoordigt een doordachte strategie van passief verzet en plantrekkerij. De fratsen van de spin Anansi zijn daarvan een mooi voorbeeld.

De maatschappelijke context wordt niet alleen bepaald door macro-economische en politieke omstandigheden, maar ook door cultureel-psychologische elementen, die in het traditionele marxisme amper of niet aan de orde kwamen. Marx was geen psycholoog en zeker geen antropoloog. Dat kon natuurlijk niet in de tijd waarin hij zijn economische analyses van de 19de-eeuwse kapitalistische maatschappij maakte. Marx, die de bestaande maatschappij niet alleen wilde interpreteren maar ook veranderen, leverde ongetwijfeld een waardevol analyse-instrument om maatschappelijke mechanismen te begrijpen, maar niet om ze te transformeren. Lenin als theoreticus én practicus van de revolutie vulde dit manco in het marxisme verder op en leverde de politieke instrumenten om maatschappelijke revoluties te kunnen doorvoeren. Het marxisme-leninisme is heel de twintigste eeuw de belangrijkste inspiratiebron geweest voor de revolutionaire linkerzijde. Binnen de verticale FSLN-partijstructuur in het revolutionaire Nicaragua werd het leninistisch voorhoedemodel gehanteerd. Ook in Suriname waren er vóór en tijdens de militaire periode kleine partijen actief die het marxisme-leninisme, van Albanese of een andere strekking, hoog in het vaandel voerden.

Radicale structurele veranderingen houden echter onvoldoende rekening met, zoals Immanuel Kant het uitdrukt, ‘het kromme hout waaruit de mens is gemaakt’. Psychologische en culturele barrières zijn al vaker valkuilen gebleken voor de architecten van de nieuwe mens en de nieuwe maatschappij. Zolang men geen rekening houdt met dat ‘kromme hout’, met die specificiteit van mensen die beantwoordt aan een eigen logica, zullen revolutionaire veranderingsprocessen weinig aarde aan de dijk brengen. Daarmee hebben Bouterse en de linkse intellectuelen onvoldoende rekening gehouden.

Ik zei het al in mijn inleiding: Na 300 jaar Nederlandse overheersing is Suriname nog steeds een relatief vreemde eend in de Latijns-Amerika. Vanaf de militaire periode is Suriname zich echter meer gaan oriënteren naar een regio die ook af te rekenen heeft met de gevolgen van het optreden van haar eigen militairen. Hoewel landen als Argentinië, Chili, Uruguay en Peru op een veel grootschaligere manier met moorden en folteringen werden geconfronteerd, doen zij op dit ogenblik veel meer pogingen om met hun onverwerkt verleden in het reine te komen. Het proces rond de decembermoorden zou hierin verandering kunnen brengen.

(Uitpers, nr 91, 9de jg., november 2007)

Voetnoten

(1) Dit boek is ontstaan uit mijn interesse voor processen van maatschappijverandering vanuit mijn mei ’68 achtergrond. Mijn niet-Nederlander- zijn ( maar Belgische taalgenoot met een lange Latijns-Amerika achtergrond) is ook medebepalend geweest voor mijn invalshoek. Ik beschouw “Omkijken naar een revolutie” als een vervolg op mijn boek “Deuken in Sandino’s hoed, over intenationale solidariteit“, 1998, Mol:Libertas waarin ik probeer, samen met een aantal geïnterviewden, de Sandinistische periode en de rol van de solidariteitsbeweging daarin, op een eerlijke manier te evalueren. Ik had in 1996 o.m. een zeer lang gesprek met de Sandinist Adolfo Hernández. Een zinsnede uit zijn betoog heb ik als motto voor “Omkijken naar een ‘revolutie’”gekozen: “Natuurlijk hebben wij verkeerde dingen gedaan; Ik ben zeker niet te beroerd om dat toe te geven. Maar dan moet er niet alleen over vergissingen gesproken worden, maar ook over de omstandigheden van economische boycot en dreigende interventie; vergissingen zijn nooit absoluut, dat zou een zeer antidialectische manier van denken zijn.”

Dit artikel verscheen eerder , lichtjes gewijzigd, in OSO, Tijdschrift voor Surinamistiek, april 2006, p. 52-74

(2) Ramsoedh, Hans, De revolutie die niet doorging. OSO, Tijdschrift voor Surinaamse taalkunde, letterkunde, cultuur en geschiedenis 22(2),p. 209

(3) Sandew Hira, Van Priary tot en met De Kom. De geschiedenis van het verzet in Suriname 1630-1940, Rotterdam 1982:Futile

(4) Ben Scholtens, Louis Doedel, Surinaams vakbondsleider van het eerste uur, Paramaribo, 1987, Adek, p. 13

(5) Hans Buddingh’, Geschiedenis van Suriname, Utrecht, 1999:Het Spectrum, p.246

(6) John Jansen van Galen, Kapotte plantage, een Hollander in Suriname, 2001, Amsterdam: Contact,p. 125-126

(7) De Ware Tijd 1 en 4-5-1959, geciteerd in: Peter Meel, Tussen autonomie en onafhankelijkheid, 1999,Leiden: KITVL, p.211

(8) Peter Meel, op.cit. 1999, p. 226

(9) Walter Lotens, op.cit., 2004, p. 58

(10) Walter Lotens, op.cit. 2004, p. 72

(11) Walter Lotens, op.cit. p.72

(12) In 1970 verscheen bij de linkse uitgeverij SUN(Nijmegen) het boek “De uitbuiting van Suriname” waaraan werd meegewerkt door: Surinaamse Studenten Unie (Leiden), Rijstcomité (Wageningen), Surnaams Actiecomité SURACOM (Nijmegen), Surinaamse organisatie van Studenten (Leiden), Werkgroep Suriname (Groningen), Zeeuws Aluminium comité (Vlissingen) en Leden van de Bond voor wetenschappelijk Arbeiders en de van de vereniging Suriname (Amsterdam). Andere publicaties: Robert van Waesberge, Suriname, een stukje derde wereld, 1976, Den Haag: Landelijke Vereniging van Surinaamse Welzijnsstichtingen;

Een andere publicatie die behoorlijk wat ophef maakte was Eric Paërl, Nederlandse macht in de derde wereld, 1969,Amsterdam: Van Gennep. Het uitvoerige hoofdstuk zestien gaat volledig over Suriname, met speciale aandacht voor de situatie op plantage Mariënburg, en werd geschreven door de Surinamers Rudi Kross en Ernst Megens.

(13) Walter Lotens, op.cit., 2004, p. 130

(14) Walter Lotens, op.cit., 2004, p. 130

(15) Walter Lotens, op.cit. 2004, p. 73

(16) Die zinssnede viste John Jansen van Galen ( op.cit. 2001, p.112) op uit een BVD-rapport in het Algemeen Rijksarchief.

(17) De Sranan-term foetoeboi dateert uit de slavenperiode. Hij was de persoonlijke bediende van de meester die wanneer er gebeld werd, paraat moest staan.

(18) Door de onderwijzersstaking van 1966, de lerarenstaking van 1969 en de algemene ambtenarenstaking van 1973 dwongen de vakbonden twee regeringen op de knieën: de regering-Pengel in 1969 en de regering-Sedney in 1973

(19) Walter Lotens, op.cit. 2004, p. 106

(20) Rudie Kagie, Een gewezen wingewest: Suriname voor en na de staatsgreep, 1980, p.169

(21) Ik vermeld, naast de vele tijdschriften- en krantenartikels o.m.volgende boeken: M. Verstegen, Inpakken onder de schijnwerpers, Amsterdam, 1997: Soeren,; Jozef Slagveer, De nacht van de revolutie, Paramaribo 1980: Kersten; Henk Boom , Staatsgreep in Suriname, Utecht/Amsterdam 1982: Veen; Elma.Verhey en Gerard van Westerloo, Het legergroene Suriname, Amsterdam, 1983: Vrij Nederland; Sandew Hira, Balans van een coup, Rotterdam 1983:Futile; Jan Sariman, De decembermoorden in Suriname, Bussum 1983; Harmen Boerboom en Joost Oranje, De 8-decembermoorden, slagschaduw over Suriname, ’s-Gravenhage 1992:Bzztoh. Niet-Nederlandse publicaties zijn echter schaars: naast enkele internationale rapporten van de OAS en van Amnesty International vermeld ik alleen Oswaldo Cárdenas, De revolutie van sergeanten, Nijmegen 1988 en Edward Dew, The trouble in Surinam 1975-1993, Westport 1994:Praeger, en de Amerikaanse antropoloog Gary Brana-Shute in een aantal van zijn publicaties.

(22) Voor de indeling van de militaire periode baseer ik mij op de vier bestuursfasen: Revolutionaire leiding bijgestaan door burgers (1980-1982, Revolutionaire leiding en klein links (1983), Revolutionaire leiding bijgestaan door bedrijfsleven en vakbeweging (1984-1985) en revolutionaire leiding bijgestaan door het bedrijfsleven, de vakbeweging en de politieke partijen (1986-1987)i die Jules Sedney onderscheidt in zijn De toekomst van ons verleden, Paramaribo 1997: Vaco

(23) Toch neem ik hier de opmerking van Joop Vernooij mee: “Wanneer je over een militair regime praat of over ‘nationalisme’ en ‘socialisme’ dan moet je die termen bekijken tegen de specifieke Surinaamse context. De militairen in Suriname zijn niet te vergelijken met hun Colombiaanse, Chileense of Boliviaanse confraters.”De zogenaamde avondklok toen werd zeer soepel geïnterpreteerd. Als je oma jarig was mocht je ’s nachts toch rijden of kreeg je een briefje om, ondanks de schaarste, toch extra inkopen te kunnen doen. Het mechanisme van het regelen is in die verschillende periodes blijven voortbestaan.” (Walter Lotens, op.cit. p. 154)

(24) Salman Rushdie, De glimlach van een jaguar, een reis naar Nicaragua, Utrecht/Antwerpen 1987:Veen

Er was eens een meisje in Nicaragua

Dat glimlachend rondreed op een jaguar

Aan het eind van de rit

Zat het meisje achter het gebit

En de glimlach op het gezicht van de jaguar.

(25) Volgens Ludwich van Mulier, Desi Bouterse. Dekolonisatie en nationaal leiderschap ( Nijmegen/Paramaribo, 1990:Masusa) was er bij Bouterse vóór 1980 sprake van onverschilligheid voor politiek in het algemeen en van aperte weerzin tegen de wijze waarop Surinaamse politici staatszaken behartigden. In Nederland was hij geen lid van een politieke organisatie en hij had ook geen binding met het sterk gepolitiseerde Surinaamse studentenleven. De politieke ontwikkelingen in Suriname gaan zelfs geheel aan hem voorbij. Vijfentwintig jaar na de coup zegt hij zelf: “Natuurlijk zijn militairen niet in staat een land te besturen. Wij zijn geen administrateurs maar vechters en verdedigers.” (Nederlands dagblad van 25 februari 2005: Bouterse verdedigt ‘zijn’ revolutie)

(26) Het is opmerkelijk dat zeven (van de tien) geïnterviewden in”Omkijken naar een ‘revolutie” na de decembermoorden verder zijn gegaan

(27) Walter Lotens, op.cit., 2004, p. 98.

(28) Walter Lotens, op.cit., 2004, p. 153

(29) Die ‘oorlog’ is nog steeds aan de gang. Tijdens de coup van april 2003 tegen Hugo Chávez benadrukten de Venezolaanse media het geweld dat door de chavistas werd gebruikt. De Ierse documentaire Chávez, gedraaid tijdens de dagen van de coup, liet echter zien hoe de beelden gemanipuleerd werden.

(30) Walter Lotens, op.cit. 2004, p.44-45

(31) Anoniem, De revolutie overwint, de contra-revolutionaire poging tot staatsgreep in Suriname op 11 en 12 maart 1982, Paramaribo, maart 1982. Lees ook Censuur in Suriname, themanummer van Mutyama, jaargang 3, nummer 4 waarin de andere kant aan bod komt.

(32) Jozef Slagveer, De nacht van de revolutie, Paramaribo 1980:Kersten

(33) Bram Behr, Terreur op Uitkijk, over de moord op de landbouwer Mahes, Paramaribo, 1981:Surinaamse Arbeiders Publicaties

(34) Oswaldo Cárdenas, De revolutie van sergeanten, Nijmegen, 1987, p. 48

(35) Rudi Kross, Links heeft Suriname aan fascistische staat geholpen. In: Alerta van juni 1988, p. 5

(36) Walter Lotens, op.cit, 2004, p. 122

(37) Sandew Hira, Balans van een coup, drie jaar Surinaamse ‘revolutie’, Roterdam, 1983: Futile, p.63

(38) Sandew Hira, op.cit., 1983, p.166

(39) Sandew Hira, op.cit., 1983, p.168

(40) André Haakmat, De revolutie uitgegleden, Amsterdam, 1987, p. 201 e.v.

(41) Walter Lotens, op.cit., 2004, p. 92

(42) Bob Woodward, Veil, the secret war of the CIA, New York, 1987. President Reagan tekende de enabling finding that authorized a limited covert action…and several hundred thousand dollars was allocated to send a CIA team into Suriname to gather intelligence and do a coup-feasibility study…When the CIA team did return, they had little intelligence and reported that a coup was probably not achievable. The plan was dropped. Zowel in 1983 als in 1986 werden plannen voor een militaire interventie overwogen. Dat gebeurde nogmaals in 1987 maar de Nederlandse en Amerikaanse Veiligheidsdiensten dropten de plannen toen bleek dat er geen Surinaamse vrijwilligers werden gevonden om het regime omver te werpen.

(43) Jos Slats, Van Mierlo behoedde Bouterse voor een invasie. In: Vrij Nederland van 18 april 1998, p. 10

(44) Tom Blickman, Strijdtoneel Suriname. Uit: Opening van Zaken, Buro Jansen & Jansen, 1993,

(45) Elma Verhey en Gerard van Westerloo, De Nederlandse militaire missie bracht Bouterse aan de macht, Kolonel Hans Valk gaf de blauwdruk voor een staatsgreep aan een groep sergeanten, Vrij Nederland van 25 december 1982, p.3

(46) Gerard van Westerloo, Mijn wraak, portret van Bas van Tussenboek. In: Gerard van Westerloo, Sprekend ik, Amsterdam, 1996: De Bezige Bij

(47) Maureen Silos, Onderontwikkeling is een keuze, 1990, Paramaribo: Leo Victor

(48) De historicus Peter Meel stelt dat het mechanisme van de gekwetste trots een zeer belangrijk rol heeft gespeeld in cruciale fasen van de militaire periode. Dat mechanisme heeft sterke sociaal-culturele wotels en kan worden gerelateerd aan het fenomeen machismo. (zie Peter Meel, Het mechanisme van de gekwetste trots: Surinaamse revolutie in historisch perspectief. In:Internationale Spectator, mei 1991, p. 312-319)

(49) Walter Lotens, op.cit., 2004, p. 51-52

(50) Walter Lotens, op.cit., 2004, p. 120

(51) Gary Brana-Shute, Old shoes and elephants: electoral resistance in Suriname. In: Resistance and rebellion in Suriname, Williamburg, 1990, p.214

(52) Rosemary Brana-Shute, Lower Class Afro-Surinamese Women and National Politics: traditions and changes in an Independent State, Williamsburg, 1982

Visited 6 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).