De lange arm van Boudewijn in Centraal-Afrika<br>Een spectaculair document uit het Koninklijk Archief(*)

Laken speelde een grote rol in de Congo-crisis, zo is nu ook bevestigd door de Lumumba-commissie. Koning Boudewijn had voorkennis over een moordplan dat Mobutu en Tshombe tegen premier Lumumba beraamden, en hij vond het niet nodig de Belgische regering daarover officieel in te lichten. In een brief moedigde Boudewijn Tshombe zelfs indirect aan, door Lumumba politiek te veroordelen. De moord op Lumumba doet ons bijna vergeten dat België in die dagen ook twee voogdijgebieden had, Rwanda en Burundi. En dan rijst er een interessante vraag: welke rol speelde Brussel daar? Er ligt alleszins een merkwaardige vaststelling voor het grijpen: zowel in Congo, Rwanda als Burundi zijn de voorvechters van de de kolonisatiebeweging een vreemde dood gestorven. Een hartaanval velde de Rwandese koning Mutara, nadat een Belgisch dokter die zijn lijfarts verving, hem een onschuldige penicilline-spuit had toegediend. Dat gebeurde op 25 juli 1959. Op 17 januari 1961 stierf Lumumba een gewelddadige dood in handen van Belgen en Katangezen. En op 13 oktober 1961 werd de Burundese nationalist Rwagasore vermoord; de opdrachtgevers kwamen uit een anti-nationalistische Burundese partij die door Brussel werd gesteund.

Men mag veronderstellen dat het Belgische neokolonialisme van die dagen en de grote rol van het hof daarin niet aan de Congolese grenzen eindigde, en dat ook de voogdijgebieden Rwanda en Burundi hun deel kregen. Maar speelde Brussel ook een rol in de dood van Mutara en Rwagasore? Op die vraag kan ook vandaag niet ondubbelzinnig worden geantwoord. Maar een document dat door de Lumumba-commissie uit het Koninklijk Archief is opgediept, en bijna toevallig in een van haar rapporten is terechtgekomen, is in dat verband intrigerend.

Het document is een nota van 24 oktober 1960 van de grootmaarschalk van het Hof, Gobert d’Aspremont Lynden, en is gericht aan koning Boudewijn. De neef van de grootmaarschalk was graaf Harold d’Aspremont Lynden, die als minister van Afrikaanse Zaken de oorlog tegen Lumumba tot een goed einde moest brengen. In de nota heeft de grootmaarschalk het over de wens van koning Mwambutsa van Burundi om te worden uitgenodigd op het huwelijk van Boudewijn met Fabiola, op 15 december. In de nota lezen we dat minister d’Aspremont Lynden met koning Mwambutsa had gesproken, en had vastgesteld dat de koning ‘positief ingesteld’ was. Maar: ‘Zijn zoon daarentegen neemt een verdachte houding aan; dat zou een bijkomende reden zijn om gunstig te staan tegenover de vader. Op het eerste gezicht zie ik geen groot nadeel aan een uitnodiging voor Mwambutsa.’

Dit voorstel is merkwaardig. De zoon van Mwambutsa was prins Louis Rwagasore. Wat maakte Rwagasore in Laken verdacht, dat het subtiele spel van het geven en nemen van prestige via de uitnodigingen voor het koninklijke huwelijk tegen hem moest worden ingezet? Rwagasore, die goede relaties onderhield met Lumumba, had zich aan het hoofd gezet van de onafhankelijkheidsstrijd in Burundi, en, wat belangrijk is, hij verenigde zonder onderscheid Tutsi en Hutu in een nationalistisch perspectief. Uit telexen van de Belgische algemeen-resident Harroy blijkt dat Rwagasores politieke activiteiten de Belgen irriteerden. Hij kreeg huisarrest opgelegd. Begin december zou Harroy minister d’Aspremont Lynden voorstellen om Rwagasore vrij te laten als… hij zich van politieke activiteiten zou onthouden. De populaire Rwagasore zal in augustus 1961 een verpletterende verkiezingsoverwinning behalen en premier worden, maar kort nadien vermoord worden.

De laatste zin van de nota van de grootmaarschalk is ronduit onthutsend: ‘Wat de koning van Rwanda Kigeri betreft, stelt het probleem [van het al of niet uitnodigen] zich niet want hij zal worden opzijgeschoven.’ Op het ogenblik dat de grootmaarschalk dit schreef, verbleef koning Kigeri, die Mutara was opgevolgd in juli 1959, in het buitenland. De politieke toestand in Rwanda was gespannen. De Belgen trokken voluit de kaart van de Hutu. De Hutu-partij Parmehutu had medio 1960 de gemeenteraadsverkiezingen gewonnen. Maar de Tutsi en de multi-etnische partij RADER hadden de verkiezingen geboycot, en ook koning Kigeri betwistte de uitslag. Koning Mutara, de voorganger van Kigeri, had een constitutionele monarchie in het vooruitzicht gesteld die Tutsi en Hutu zou kunnen verenigen, maar Kigeri scheen meer en meer onder invloed van aanhangers van radicale Tutsi te komen en radicale Hutu stelden zijn positie in vraag. In het publiek bepleitten Brussel en de VN een vreedzame, democratische regeling. Op 17 oktober 1960 had minister d’Aspremont Lynden wetgevende verkiezingen voor januari 1961 aangekondigd. Die volksvertegenwoordiging moest dan beslissen over de plaats van de monarchie in het bestel en de rol van koning Kigeri, zo had de minister beloofd. Op 20 december 1960 zou de VN aanbevelen dat de verkiezingen in het voogdijgebied zouden worden uitgesteld en dat onder VN-auspiciën een referendum zou worden georganiseerd over de toekomst van de monarchie.

De Hutu-leiders en de militaire resident, de Belgische kolonel Logiest, namen echter het heft in handen. Ze organiseerden op 28 januari 1961 een bijeenkomst van de Hutu-burgemeesters in Gitarama. Met Belgische paracommandos op de achtergrond werd de monarchie afgeschaft en een wetgevende vergadering verkozen: de prognose (of was het een vonnis ?) in de nota van de grootmaarschalk was gerealiseerd – zij het zes weken later dan verwacht. De afkondiging van de republiek was de culminatie van de ‘democratische’ revolutie van de Hutu-meerderheid. Dat proces was georganiseerd door de Belgische administratie en de katholieke kerk, die decennialang ongegeneerd de Tutsi-elite hadden gesteund, maar sinds kort het geweer van schouder hadden veranderd: ze mobiliseerden de Hutu-meerderheid als politiek wapen tegen de progressieve Hutu en de radikaliserende Tutsi.

Er is dikwijls gesuggereerd dat kolonel Logiest eind januari 1961 alleen zou hebben gehandeld in wat sommigen niet helemaal ten onrechte de ‘coup van Gitarama’ noemen. De nota van de grootmaarschalk suggereert dat Logiest minstens de impliciete steun had van Laken en de regering, die niet hadden gewacht op een democratische consultatie van de Rwandese bevolking om Kigeri af te schrijven. We schrijven wel degelijk ‘Laken en de regering’, want uit de notities van Boudewijn en zijn kabinetschef bij de nota blijkt dat Boudewijn over het al dan niet uitnodigen van Mwambutsa het advies van zijn ministers vroeg, maar niet over het njet voor Kigeri. De lijst van aanwezigen op het huwelijk was niet echt geheim te houden, wat laat veronderstellen dat Boudewijn er zeker van was dat ook de Belgische regering Kigeri had opgegeven – ondanks de publiek beleden trouw aan het respect voor de democratische volkswil in Rwanda en ondanks de opdracht die de VN aan Brussel als voogdijoverheid had toevertrouwd om over de monarchie een referendum te organiseren. Is het in dat verband niet intrigerend dat het ministercomité voor Afrika van de regering voor het eerst in maanden opnieuw samenkwam op 26 januari 1961, amper twee dagen voor de coup van Gitarama?

Zoals in Congo de democratie werd opgeofferd om de legitieme regering van Lumumba omver te kunnen werpen, zo werd in Rwanda de monarchie geliquideerd om de ‘democratische revolutie’ van de Hutu-meerderheid te voltooien en werd in Burundi de nationalist Rwagasore bestreden om een neokoloniaal bewind aan de macht te helpen. In de drie gevallen was het einddoel een stabiel neokoloniaal bewind, dat de strategische belangen van Brussel moest veilig stellen. In de drie gevallen was het eindresultaat desastreus, want de onthoofding van de nationalistische beweging leidde tot de Mobutu-dictatuur in Congo en tot de politiek-etnische verscheurdheid van Rwanda en Burundi. De nota van de grootmaarschalk toont alleszins het belang aan van het opengooien van de archieven van de Lumumba-commissie voor verder onderzoek over deze scharnierperiode in de geschiedenis van Centraal-Afrika en van België.

(*) Nota van de grootmaarschalk aan Boudewijn en notities van Boudewijn en zijn kabinetschef, in de nota van de experts van de Lumumba-commissie ‘Koning Boudewijn en de Congo-crisis’; telexen Harroy aan d’Aspremont Lynden van 28/10/1960 en van begin december 1960, in het Archief van het ministerie van Buitenlandse Zaken.

(Uitpers, december 2001)

 

Bijlage :

[ Nota van de grootmaarschalk aan koning Boudewijn, 24/10/60; AKP-Grootmaarschalk ]

“Au Roi Baudouin

Le Mwami de l’Urundi, Mwambutsa, a dit au Ministre des Affaires Africaines, au cours d’une conversation, qu’il avait le très vif désir d’être invité au mariage du Roi. Le Ministre souhaite qu’il soit répondu favorablement à cette aspiration.

Le Mwami M[w]ambutsa lui a paru bien disposé. Par contre son fils a une attitude douteuse; ce serait une raison de plus de montrer de la faveur au père.

A première vue, je ne vois pas d’inconvénient grave à inviter Mwambutsa.

Quant à Kigeri, le Mwami du Ruanda, la question ne se pose pas puisqu’il sera écarté (s)”

(Visited 6 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 106 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook