De jakhals, de tijger en de enkelband

Op vrijdag 6 juni landden Franse troepen onverhoeds in Bunia in Noordoost-Congo. De voorhoede van een Tijdelijke Multinationale Troepenmacht onder VN-voogdij, nu bekend als Operatie Artemis. Vier dagen later betitelde een kopstuk van de Amerikaanse regering de interventie als “highly inadequate”. Artemis is beperkt in tijd (tot 1 september), in ruimte (de stad en het vliegveld van Bunia) en bevoegdheid (demilitarizeren, niet ontwapenen). De troepenmacht gaat lokale jakhalzen temmen, maar laat de regionale tijger buiten schot.

Waarom komt het Westen nu ineens in actie? In augustus zal de invasie van Congo door troepen uit Rwanda en Uganda en hun bezetting van Oost-Congo vijf jaar oud zijn. Aan hoeveel Congolezen die militaire inval en bezetting het leven hebben gekost, weet niemand precies te zeggen. Schattingen variëren van 2,5 tot 4 miljoen mensen. Al die tijd was er van een militair-humanitaire tussenkomst vanuit Europa of de States geen sprake (de VN-observatiemissie Monuc niet te na gesproken).

Maar dramatische berichten uit Bunia deden de desinteresse omslaan. NGO’s blijven het herhalen: in Bunia en de Ituri-streek daarrond zijn sinds juli 2002 naar schatting 5000 burgers vermoord en sinds het begin van de oorlog zo’n 50.000 mensen. De zowat 700 blauwhelmen van MONUC

In Bunia keken machteloos toe.

Begin mei beginnen bij de Verenigde Naties de eerste contacten over een mogelijke VN-troepenmacht naar Noordoost-Congo. VN-baas Kofi Annan polst op 10 mei de Franse president Chirac. Op 13 mei laat Washington verstaan tegen een nieuwe militaire missie te zijn naar Oost-Congo. Richard Williamson, de VS-ambassadeur bij de VN, verklaart zelfs dat een herschikking (“realignment”) van de 4300 Monuc-militairen kan volstaan (“could be appropriate”).

De Europese Unie ziet haar kans. Op 19 mei zeggen de EU-ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie, bij monde van superminister Javier Solana dat een militaire interventie in Bunia “een nieuwe springplank zou zijn voor de Europese veiligheids- en defensiepolitiek” (de EU voert een militaire operatie in Macedonië en een politie-operatie in Bosnië-Herzegovina). België beslist op 23 mei “om positief te reageren op de vraag van de VN, de EU en Frankrijk om aan deze troepenmacht bij te dragen”.

Op 30 mei keurt de VN-Veiligheidsraad de Resolutie 1484 goed die een “tijdelijke multinationale troepenmacht” het mandaat geeft in Bunia orde op zaken te stellen. De Europese Unie trekt het mandaat naar zich. Franse troepen komen op 6 juni onverwacht in Bunia aan. Pas zes dagen later formaliseert de Europese Unie de zogenaamde Operatie Artemis. Doel is in Bunia de “veiligheidssituatie te stabiliseren, de humanitaire situatie te verbeteren, en vliegveld, vluchtelingen, lokale bevolking, VN-personeel en NGO’s te beschermen”. Operatie Artemis loopt tot 1 september. Frankrijk heeft de operationele leiding (met commando in Parijs). Er zullen zo’n 1800 militairen ingezet worden, waarvan 400 in Uganda. Een tiental landen belooft soldaten en materiaal te leveren, onder meer Canada, Zweden, België, Duitsland en Zuid-Afrika.

Artemis verdacht

Artemis komt er vooral omdat de Europese Unie zich klaar acht voor haar eerste (!) militaire operatie buiten Europa. Maar is de EU-operatie méér dan een Afrikaanse oefening? François Grignon van de International Crisis Group krijgt in Bunia van de Fransen een Fact-sheet en verklaart nadien dat hij van zijn leven nog nooit zo’n cynische briefing heeft meegemaakt. This intervention is totally insufficient to meet the needs of Ituri’s pacification”, aldus Grignon.

De onderhandelingen voor een nieuwe Belgische regering in juni 2003 geven aanwijzingen voor de Europese motieven. Op 26 juni maakt formateur Verhofstadt bekend dat België opnieuw gevechtstroepen naar conflictgebieden zal sturen. Daarvan was afgezien, na de moord op tien Belgische para’s aan het begin van de Rwandese genocide in april 1994. België neemt de principiële optie dat er opnieuw Belgische militairen naar Centraal-Afrika gaan. België zit in de kopgroep van de EU-lidstaten die aan een Europees leger sleutelen. De Belgische ommekeer ten aanzien van Afrika ligt helemaal in de lijn van het Europese militaire expansionisme. Ter verantwoording worden humanitaire aspecten ingeroepen.

Maar weegt bij de EU de humanitaire bekommernis zwaar door? Een hint, bij wijze van anekdote: op 16 juni vertrekt een Belgisch medisch detachement naar Bunia. Het neemt twee ambulances mee: geen gewone ambulances voor de mensen van Bunia, maar gepantserde Pandurs. De Belgen zullen immers instaan voor medische hulp aan Artemis-militairen. Weken later zijn er in Bunia nog altijd geen draagberries om gewonden te transporteren (Marti Waals van de NGO Memisa, op 23 juni).

Background

Bunia” wordt nu door de media gemakshalve gereduceerd tot een etnische oorlog tussen Hema en Lendu, waaraan dan meestal wordt toegevoegd dat de Hema kudden hoeden terwijl de Lendu boeren. Op zich klopt dat résumé. Maar in de context van de agressie-oorlog tegen Congo is het volkomen achterhaald. De huidige “etnische” oorlog begon niet per toeval bijna een jaar na de inval van Rwandese en Ugandese troepen, in juni 1999. Toen al bleek dat Ugandese militairen in Djugu in de Congolese Ituri-streek (vlak over de Ugandese grens) voor eigen oorlogsprofijt de oude landvete tussen lokale clans opfokten, en de kant van de Hema kozen. In oktober 1999 schatte een VN-missie in Djugu dat 100.000 mensen voor het geweld tussen milities uit de twee clans op de vlucht waren en 5000 tot 7000 mensen waren vermoord.

Van toen tot nu bleven bezettingstroepen het conflict naar hun hand zetten. Rwanda steunt sinds 2002 de UPC-milities van Thomas Lubanga (vroeger in het Ugandese kamp). De UPC van Lubanga is dit voorjaar eerst door Ugandese troepen uit Bunia verdreven, maar heeft de stad opnieuw ingenomen in de maand mei, nadat de Ugandese troepen zich die maand in het raam van het “alomvattende vredesakkoord” voor Congo uit het land hadden teruggetrokken. Toen Artemis in Bunia aankwam, stond de stad (via de UPC) strikt genomen onder Rwandese controle.

Windowdressing

De Congolese president Joseph Kabila – de voornaamste actor, zou men denken, vermits dit verhaal op “zijn” grondgebied plaatsvindt – ontvangt op 4 juni een Franse missie die hem de modaliteiten van Artemis komt meedelen. Kabila is pro-Artemis, maar toch maakt hij ernstig voorbehoud. Hij vindt de operatie namelijk veel té beperkt, in de ruimte (stad en vliegveld van Bunia) en de tijd (tot 1 september). Kabila vreest dat de handlangers van Uganda en Rwanda hun moordcampagnes tegen de Congolese bevolking systematisch zullen uitbreiden naar de rest van Ituri en naar de Kivu-provincies. Wat met gewelddaden buiten Bunia, vraagt Kabila, en vooral: wat na 1 september?

Rwanda – bondgenoot in de Coalition of the Willing! – is eerst tegen Artemis omdat het vreest de handen niet meer vrij te hebben in Oost-Congo. Kigali eist dat een troepenmacht in géén geval steun verleent aan het kamp van de Congolese regering (wiens lokale bondgenoot, de RCD-ML van Mbusa Nyamwisi, de streek van Beni-Butembo controleert). Om zijn condities door te drukken voert Rwanda een diplomatiek offensief samen met Britten en Amerikanen, “proches de Kigali” zoals dat heet. Het Rwandese voorbehoud tegen Artemis verdwijnt wanneer blijkt dat Artemis niets om het lijf zal hebben: de UPC-milities van Thomas Lubanga, Rwanda’s bondgenoot in Bunia, zullen niet eens ontwapend worden. Op 3 juni zegt de Rwandese minister van Buitenlandse Zaken Murigande bijgevolg verheugd te zijn over de nieuwe omschrijving van de troepenmacht.

De VS hollen eerst de EU-operatie uit en gaan dan van aan de zijlijn staan spotten. Amper drie dagen nadat de Fransen landden in Bunia, bestempelt John Prendergast (adviseur van het US-State Department en voormalig Afrika-directeur van de National Security Council) Artemis als “hopelessly inadequate”; “it’s like window dressing while the house burns down”, zegt Prendergast (Washington File 10 juni).

Rwanda vecht voort

Rwanda en de VS zijn beducht voor een kordate en uitgebreide interventie, omdat die hun militaire plan voor Oost-Congo zou kunnen dwarsbomen. De Congolese krant L’Avenir schrijft op 7 juni dat Rwanda ongeveer 15.000 manschappen in de buurt van Kanyabayonga in Noord-Kivu heeft. Volgens de krant wil Rwanda zijn beproefde taktiek toepassen en zijn eigen soldaten mengen onder de mannen van Lubanga. “Met het oog op die operatie heeft Lubanga trouwens verklaard dat zijn leger 15.000 manschappen telt”, aldus L’Avenir. Hun gezamenlijke objectief is de stellingen van de RCD-ML aan te vallen.

Vanaf begin juni zijn in Noord-Kivu – een stuk zuidelijker in Oost-Congo dan Ituri – troepen van de RCD-Goma, “bondgenoten van Rwanda” in opmars naar het Noorden. In feite, aldus het persbureau Misna, hervatten ze de campagne die ze enkele maanden geleden hebben aangevat. Dit keer heeft de RCD-ML van Mbusa Nyamwisi (Kinshasa-gezind) hun opmars tegengehouden. Misna meldt zware aanvallen van de RCD-Goma tegen posities van Mbsa in Mbingi, Alimbongo, Bunyatenge én Kanyabayonga. Het Rwandese leger heeft tijdens die aanvallen helikopters met vlammenwerpers ingezet, verklaart op 10 juni de bisschop van Butembo aan AFP. Mbusa toont in Kinshasa negen Rwandese militairen die nabij Lubero zijn gevangengenomen. Ze verklaren dat ze door het Rwandese leger zijn gerekruteerd in Hutu-transitiekampen in Rwanda.

Kanyabayonga valt in handen van de Rwandese (“RCD-Goma”) troepen. Hetzelfde lot valt Lubero tebeurt. Vervolgens komen Beni en Butembo in het vizier. Bisschop Melkisedek Sikuli van Beni-Butembo richt (gesteund door de “société civile”) een dringende protestboodschap aan de buitenwereld. De burgers van Butembo houden een protestmars tegen de oprukkende troepen van de RCD-Goma en Rwanda. Ze eisen dat er voor héél Oost-Congo een vredesmacht zou komen om de bevolking te beschermen. De VN-observatiemacht Monuc krijgt zware kritiek. Monuc heeft zich op 3 juni uit Kanyabayonga teruggetrokken en de lokaliteit in handen van het Rwandese kamp laten vallen.

Rwanda wil absoluut van Noord-Kivu doorstoten naar Ituri. Zegt RUG-onderzoeker Koen Vlassenroot: “Rwanda steunt sinds vorige zomer de UPC van Lubanga. Die alliantie is geconsolideerd toen de UPC in januari een akkoord tekende met de RCD-Goma, dat in feite een militair samenwerkingsakkoord is. Toen werd de rol van Rwanda duidelijk: het is een actor in Ituri, het controleert de RCD-Goma, en het plan van Kigali is ook de zone van de RCD-ML te veroveren. Begin 2003 heeft Rwanda dat plan onder sterke internationale druk opzij moeten leggen. Maar het is zich vandaag aan het voltrekken. De gouverneur van Noord-Kivu, een vertrouweling van Kigali, heeft vorige week nog verklaard dat als Artemis zich niet haast hij “territoriaal contact gaat maken met de UPC” (opgetekend op 23 juni 2003).

Verkeerde vijand

Terwijl de oorlog in Oost-Congo voortduurt, werkt Congo intussen de politieke, economische en militaire transitie af, volgens de ‘Roadmap’ die het in juli 1999 in Lusaka kreeg opgelegd en die nadien tijdens de ‘Intercongolese dialoog’ in Sun City en Pretoria is gedetailleerd. De inspiratie voor Lusaka en de DIC komt uit de Verenigde Staten en Zuid-Afrika. President Joseph Kabila werkt actief mee, al heeft hij verregaande concessies moeten doen. Hij heeft bij voorbeeld de ‘1+4’-formule moeten accepteren, dat betekent dat er vier vice-presidenten het staatshoofd zullen flankeren. Kabila benoemde als eerste Abdoulaye Yerodia tot vice-president voor het kamp van de Congolese nationalisten. Etienne Tshisekedi, die tegenwoordig voor Rwanda rijdt, werd als kandidaat voor de oppositie gepasseerd door Zahidi Ngoma. Jean-Pierre Bemba van de collaboratie-beweging MLC wordt nummer drie. Azarias Ruberwa van de pro-Rwandese collaboratiebeweging RCD-Goma is nummer vier. In die verschillende kampen staan ook kandidaten klaar voor het nieuwe parlement.

Blijft de militaire transitie, waarover op dit ogenblik een politiek gevecht van formaat aan de gang is. Congo moet een programma uitvoeren om de gewapende groepen te ontwapenen en zonodig te repatriëren (afgekort: het DR-programma), en de strijdende partijen in een nieuw leger te integreren. Volgens een recente studie (van 23 mei) van de International Crisis Group blijft het DR-programma dode letter. Eén reden is de versplintering van door Uganda of Rwanda gesteunde “proxy”-groepen. Een andere reden is volgens de ICG “de conceptuele zwakte” van het DR-programma. “Ontwapening wordt als een strikt veiligheids- en vooral als een strikt Congolees probleem beschouwd”, zegt het ICG-rapport. En dan komt het: “de interne politieke dimensie in Rwanda is nooit ernstig in rekening gebracht”. Het militaire programma zal altijd vastlopen op de sabotage van Rwanda.

Rwanda evolueert snel naar een éénpartij-dictatuur van het FPR, de partij van president Paul Kagame. Kagame liet dat proces einde mei per referendum bezegelen. In augustus vinden er in Rwanda presidentsverkiezingen plaats, in september verkiezingen voor het parlement. Maar de FPR heeft onlangs de MDR-partij verboden, de enige overgebleven andere regeringspartij. De oppositie vlucht sinds jaren het land uit en groepeert zich in een “concertation permanente”, de CPODR. Kopstukken van die democratische oppositie betitelen Kagame’s bewind als de alleenheerschappij van een militair-affairistische kliek.

Die kliek is ook in Oost-Congo bijzonder actief, en via de RCD-Goma van Ruberwa hoopt ze opnieuw hoge posten in te nemen in de nieuwe Congolese instellingen en het Congolese leger. Twee Rwandese vluchtelingen verklaarden in een interview met Colette Braeckman dat zulks het (fysieke) einde van president Kabila zou betekenen.

De twee zijn geen kleine vissen. Het betreft generaal Emmanuel Habyarimana, tot 15 november 2002 de Rwandese minister van Defensie, en kolonel Ndengeyinka, die in de Nationale Assemblee zetelde. Braeckman citeert hen als volgt: “Het vredesakkoord voorziet dat RCD-officieren geïntegreerd worden in het toekomstige nationale leger van Congo. Maar men moet weten dat de RCD-officieren die naar Kinshasa zullen gaan echte Rwandezen zijn, die bij ons zijn opgeleid. (…) Als Kabila aanvaardt dat afgevaardigden van de RCD bevoegd worden voor defensie en veiligheid en aan het hoofd van de generale staf komen, dan is hij binnen de twee maanden dood; dan steken ze een coup tegen hem in elkaar”. De RCD-Goma staat immers onder controle van Rwandezen: “degenen die de RCD als toekomstige generaals wil aanduiden, zijn voor honderd procent Rwandees (…) Het leger van de RCD krijgt al zijn voertuigen en al zijn logistieke middelen van Rwanda” (Le Soir van 13 juni).

Het ICG-rapport bevestigt die zienswijze. “Voor MONUC (de VN-observatiemissie in Congo) is de verleiding groot bondgenoten van Rwanda in de Congolese overgangsregering op te nemen. Dat zou een misrekening van formaat zijn, omdat de bondgenoten van Rwanda de gevechten op het terrein voortzetten”.

De fameuze “internationale gemeenschap” stuurt heel andere signalen uit. Om te beginnen, dat ze sancties tegen Rwanda omwille van de oorlogsmisdaden in Ituri en de Kivu-provincies niet ziet zitten. Daarover door de Congolese president Kabila ondervraagd, antwoordt de Franse ambassadeur de la Sablière (in zijn hoedanigheid van chef van een missie van de VN-Veiligheidraad) dat “wij als opdracht hebben de buurlanden ertoe te brengen dat ze een positieve invloed uitoefenen op de situatie in Congo” (AFP 11 juni).

Maar welke houding neemt deze missie aan tegenover de Congolese regering? Ze wijst de Congolese regering en president Kabila in het bijzonder op hun bijzondere verantwoordelijkheid. Een (anoniem) lid van de missie verklaart zelfs aan AFP dat “Kabila na een ingewikkelde procedure als president is aangeduid en dat hij nu maar eens moet beginnen handelen als een president”. De la Sablière voegt eraan toe: “wij zijn hier om u op te roepen het vredesproces, dat u hebt onderschreven, toe te passen”.

Extra-druk op Kinshasa komt er van het internationaal comité dat de transitie begeleidt, het CIAT, dat bestaat uit de VS, Frankrijk, Groot-Brittannië, Rusland en China en landen “die meetellen in de regio”, met name België, Zuid-Afrika en Canada. Die groep stelt zonder meer dat in het nieuwe Congolese leger de verantwoordelijkheden “integraal en solidair” verdeeld moeten worden. Voor het Westen moeten dus ook RCD-Goma-officials in het leger worden opgenomen.

In de loop van de maand juni stuurt het Westen nieuwe topdiplomaten naar Kinshasa om die thesis kracht bij te zetten. Het betreft de Senegalees Moustafa Niasse, gewezen bemiddelaar in de Intercongolese dialoog, en de Canadese generaal Maurice Baril (niet te verwarren met de Franse huurling en veiligheidexpert Paul Barril!). Tot slot wordt ook William Swing naar Kinshasa gezonden. Deze Amerikaanse diplomaat (VS-ambassadeur in Haïti ten tijde van de Amerikaanse invasie en bezetting in de jaren 1990) moet vanaf 1 juli de Camerounees Amos Ngongi opvolgen en wordt dan de hoogste VN-gezant in Congo.

Terwijl Artemis de jakhals Lubanga buiten de stad Bunia “kantonneert”, en de regionale tijger Rwanda in Oost-Congo zijn militaire opmars voortzet, zou Joseph Kabila in Kinshasa nieuwe, cruciale toegevingen moeten doen. Volgens het plan van de Canadese generaal Maurice Baril zou de RCD-Goma drie topfuncties krijgen in het nieuwe leger én het commando over drie militaire streken.

Maar Joseph Kabila weigert het commando over de landmacht uit handen te geven. Op de nationale feestdag, 30 juni, laat hij bovendien zijn Forces Armées Congolaises defileren in Mbandaka, aan de rand van Jean-Pierre Bemba’s rebellengebied. Sinds hij aan de macht is, staat Joseph Kabila onder internationaal toezicht. Maar binnen enge marges blijft de “president met de enkelband” bewegen.

(Uitpers, nr. 44, 4de jg., juli-augustus 2003)

(Visited 3 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 62 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook