De Irakezen hebben er een probleem bij: inflatie

Nadat het “Mission Accomplished “op 1 mei 2003, door een triomferende Bush van op een oorlogsschip de wereld werd ingestuurd, vroeg de president aan het congres 18 miljard dollar voor de heropbouw van Irak. Toen het voorlopige administratief bewind van Bremer zich na 9 maand uit Irak terugtrok bleek dat slechts 2% van de 18 miljard dollar was uitgegeven en dat slechts een klein deel van de reconstructieprojecten was opgestart.

Vandaag, herfst 2006, meer dan drie jaar later, krijgt Bagdad nog altijd minder dan 7 uur elektriciteit per dag. De inflatie maakt het dagelijks leven in Irak praktisch onmogelijk. Volgens officiële cijfers van de Iraakse regering stegen de prijzen voor benzine en elektriciteit met meer dan 270% ten opzichte van vorig jaar. Op sommige markten verviervoudigde de prijs voor thee. Eieren kosten nu twee keer meer dan vroeger. Over heel Irak worden de boodschappenlijstjes ingekort tot de hoogst noodzakelijk basisbenodigdheden.

Tijdens de eerste drie regeringsmaanden van eerste minister Nuri Kamal al-Maliki steeg de inflatie naar 70% (van 32% vorig jaar). De lonen stijgen niet, banken functioneren niet en zowel Iraakse als Amerikaanse ambtenaren zijn het erover eens dat de inflatie nog zal toenemen. Geweld en corruptie drijven de prijzen de hoogte in, vooral van olie en benzine wat de productiekosten doet toenemen voor goederen waarvan de prijzen al onder druk staan.

Het transport op de wegen is onveilig zodat de distributie mank loopt. De beveiliging voor de transporten is peperduur. Bendes bevechten elkaar en persen de handelaars af. Blokkades op de wegen vertragen het verkeer en de oogsten komen te laat aan en zijn dikwijls al verdorven voor ze op de markt aankomen. De zwendel duwt de prijzen verder omhoog.

“Geduld”

Eerste minister Maliki vraagt de burgers om geduld te oefenen. Maar dat brengt geen brood op de plank. De gemiddelde Irakees ontvangt een maandloon van 510$, als hij al een baan heeft. De werkloosheid bedraagt tussen de 40% en 60%. In november 2005 kostte een gallon

(ongeveer 4,5 liter) gas 4 dollarcent. Het Ministerie voor Olie moest onder druk van het IMF de subsidies afschaffen zodat de officiële prijs voor een gallon gas nu 67 dollarcent bedraagt. Wegens gebrek aan voorraden stijgen de prijzen op de zwarte markt tot 3,19$ per gallon (van 1,25$ enkele maanden geleden) zodat de meeste Irakezen veel meer betalen dan de officiële prijs.

De prijzen voor vlees, groenten en fruit gaan allemaal de hoogte in. De prijs voor een fles propaangas – die de meeste Irakezen gebruiken om te koken – is vervijfvoudigd, meer dan 15$. Van Basra in het Zuiden tot het meer landelijke gebied van Iraaks Koerdistan swingen de prijzen uit de pan. Er is geen enkele administratie in Irak die maatregelen kan nemen. De centrale bank is drie jaar oud maar totaal ineffectief. Vandaag is het leven van de meeste Irakezen er een van overleven zonder enig perspectief voor de nabije toekomst.

Op weg naar vrije markt

Op 26 juli 2006 schetste eerste minister Maliki echter voor het Amerikaans Congres wel een triomferend beeld van Irak, “een land op weg naar een vrije markt”. Hij wil immers de beperkingen op de buitenlandse investeringen opheffen en nieuw kapitaal aantrekken. De politiek en de economie in Irak doen het goed, zegt Maliki. Hij sprak daar trouwens op uitnodiging van zijn vriend Bush die hem gevraagd had om het imago van Irak wat op te poetsen gezien de verkiezingen in november.

“Naast de economie en de politiek zijn de strijdkrachten en de politie de derde belangrijke pijler waarop een voorspoedig Irak moet kunnen steunen”, zegt Maliki. En deze pijler is, volgens Maliki, goed op weg om het terrorisme te bestrijden zodat de buitenlandse troepen kunnen vertrekken. “Irak”, verkondigde Maliki triomfantelijk, zal het kerkhof voor terroristen worden”. Maar dat spreken de dagelijkse feiten in Irak voorlopig tegen. Het hoofd van het Amerikaanse leger sprak zelfs voor een Parlementaire commissie van een hangende burgeroorlog in Irak.

De vredesbeweging en de antioorlogsgezinden in de VS en de hele wereld eisen terugtrekking van de troepen vooraleer nog meer soldaten een nutteloze dood moeten sterven voor de fantasie van George Bush, het profijt van Dick Cheney en de incompetentie van Donald Rumsfeld. Ondertussen worden de plannen om de troepen in Irak te verminderen opgeborgen. Bush, Cheney en Rumsfeld sturen nu de reservisten de oorlog in: 7000 mensen in het zwarte gat van Bagdad. “Hoeveel troepen moeten er nog meer sterven voor een vergissing”, vroeg John Kerry zich tijdens de Vietnamoorlog af. Die vraag is ook vandaag relevant.

(Uitpers, nr.79, 8ste jg., oktober 2006)

Visited 5 Times, 1 Visit today

Tags :