De Irakese oppositie: corruptie, rivaliteit en verdeeldheid

Sinds oktober 1998 is ‘regime change’ de officiële politiek van de Verenigde Staten. Op 31 oktober 1998 werd die beleidslijn formeel vastgelegd in de ‘Iraq Liberation Act’ (ILA). Een van de centrale elementen daarin is de steun aan de Irakese oppositie. Die is echter tot vandaag hopeloos verdeeld, al moeten allerlei bijeenkomsten het tegendeel aantonen.

Sinds het aantreden van Bush lijkt Washington zijn hoop te vestigen op een aantal gevluchte officieren. Die hebben stuk voor stuk een mensenrechtenreputatie die niet moet onderdoen voor die van hun voormalige president.

Toen de ILA werd goedgekeurd verklaarde VS-president Clinton: “We kijken uit naar een nieuw leiderschap dat de steun heeft van de Irakese bevolking. De Verenigde Staten voorzien in steun aan oppositiegroepen uit alle sectoren van de Irakese gemeenschap wat kan leiden tot een populair gesteunde regering”.(1)

Sindsdien is de politieke koers ten aanzien van Irak niet meer veranderd en staat alles in dienst van ‘regime change’. Met andere woorden, de massavernietigingswapens zijn slechts het breekijzer om tot de val van het regime van Saddam Hoessein te komen.(2) Waarom dan deze omweg? Het agenderen van ‘regime change’ ligt binnen de VN-Veiligheidsraad veel moeilijker, wegens absoluut niet in overeenstemming het principe van niet-inmenging (soevereiniteit van naties), zoals bepaald in het VN-charter.

De ILA moet de oppositie helpen klaarstomen voor het post-Saddamtijdperk. De grote zorg daarbij is niet alleen de vrees voor een machtsvacuüm. Washington doet enorme inspanningen om de oppositie te stroomlijnen zodat gegarandeerd wordt dat de toekomstige machthebbers rekening houden met de verzuchtingen van Washington. Onder de ILA erkent Washington 6 oppositiegroepen die dan ook kunnen rekenen op financiële steun (verderop een portret van deze organisaties). Het gaat om het Irakees Nationaal Congres (INC), het Irakees Nationaal Akkoord (INA), de twee Koerdische fracties in de ‘Koerdische Autonome Regio’, PUK (Patriottische Unie van Koerdistan) en KDP (Koerdische Democratische Partij), de Hoge Raad van de Islamitische Revolutie in Irak (SCIRI) en een smalle Hasjemitische monarchistische groep (Movement for Constitutional Monarchy). De VS heeft voor de oppositie jaarlijks 98 miljoen dollar veil.

Steun aan de oppositie is niet nieuw. Na de Golfoorlog kwam er heel wat steun via de CIA. Maar dat liep uit op een sisser. Verschillende oppositiegroepen kregen het in 1996 militair zwaar te verduren. Tussen 1996 en 1998 was er dan ook weinig enthousiasme om de zwakke en sterk verdeelde oppositie te steunen en koos de regering Clinton eerder voor een politiek van ‘containment’. Maar de discussies over de inspecties van massavernietigingswapens en het mislukken van UNSCOM (de speciale inspectiecommissie) deed Washington opnieuw teruggrijpen naar de ‘coup strategie’. Ditmaal zou het veel openlijker gespeeld worden en steun niet langer voornamelijk via de CIA verlopen.

Nog voor de goedkeuring van de ILA stroomde er opnieuw geld voor allerlei activiteiten van de oppositie. In het voorjaar van 1998 werd 5 miljoen dollar voorzien als ‘Economic Support Funds’ (ESF).(3) Nog eens 5 miljoen dollar werd gestort voor de werkzaamheden van ‘Radio Free Iraq’, een propagandazender die vanaf oktober 1998 vanuit Praag uitzendingen verzorgt onder de directie van Radio Free Europe/Radio Liberty. Ook werden de mensenrechtenschendingen in Irak voor propagandadoeleinden gebruikt. Een van de organisaties die vanaf 1998 geld ontvangt uit Washington is de ’International Campaign to Indict Iraqi War Crimininals’ (INDICT). In totaal zou 9 miljoen dollar gespendeerd worden naar onderzoek en publicaties rond oorlogsmisdaden. Ook na de goedkeuring van ILA blijft ESF als apart financieel kanaal bestaan. In de periode 1998 tot 2002 gaat het over in totaal 78 miljoen dollar.

President Bush zou nog consequenter de politiek van ‘regime change’ nastreven en naast de uitbouw van een brede oppositiebeweging zijn hoop vestigen op voormalige officieren die voldoende ervaring hebben om militair het terrein te effenen en daarbij zelfs in staat worden geacht om het nieuwe regime in Bagdad te leiden. Washington is op zoek gegaan naar een mogelijke opvolger onder de hoge officieren die er de laatste 15 jaar in geslaagd zijn Irak te ontvluchten. Resultaat is een groep van 62 officieren die van Washington een nieuwe bestuursraad moeten vormen.(4) De meesten zijn lid van de Iraqi National Coalition (opgericht in maart 2000 door Tawfiq Al-Yasseri, een voormalig hoofd van de Irakese Militaire Academie), dat nauwe banden heeft met het Irakees Nationaal Congres (INC) van Ahmed Chalabi (zie verder). Anderen zitten in dubieuze clubjes als de Iraqi National Movement (opgericht in 2001, met mensen als Hassan Al-Naqib en Hatim Mukhlis), de Free Officers’ Movement (opgericht in 1996 door ex-officier Najib Al-Salhi) en de Higher Council for National Salvation (opgericht in augustus 2002 met aan het hoofd Wafiq Al-Samarra’i, een voormalig hoofd van de Irakese inlichtingendiensten). Stuk voor stuk organisaties waarin de hoofdrolspelers met elkaar gemeen hebben dat ze een belangrijke plaats bekleedden in een dictatuur die door Washington al jaren wreedaardig wordt genoemd. Nu ze in de oppositie zitten blijken ze wonderwel te passen in Washington’s ‘coup scenario’ en worden enkelen onder hen zelfs naar voor geschoven als mogelijke opvolger van Saddam Hoessein.

Een naam die frequent wordt genoemd, is die van Generaal Nizar Al-Khazraji (vermoedelijk lid van de Higher Council of National Salvation – zowel hij als de organisatie bevinden zich in Denemarken). Maar een streep door de rekening is dat hij in Denemarken onder huisarrest is geplaatst. De Deense minister van Justitie heeft een onderzoek tegen hem geopend naar vermeende oorlogsmisdaden. Al-Khazraji verliet Irak in 1996. Hij was stafchef van het Irakese leger van 1980 tot 1991. Volgens mensenrechtenorganisaties was hij verantwoordelijk voor de ‘Anfal’, een grootschalige militaire operatie waarbij duizenden Koerden werden vermoord, 2.500 dorpen verwoest en 182.000 mensen ‘verdwenen’. Maar toch blijven de VS Al-Khazraji steunen als hoofdkandidaat voor de opvolging van Saddam Hoessein.(5) David Mack, de VS-diplomaat die de bijeenkomsten van de Irakese oppositie coördineert, zegt dat Khazraji een “goede militaire reputatie” heeft en de “juiste ingrediënten” bezit van een toekomstig leider van Irak.(6)

Een andere kandidaat van Washington is Najib Al-Sahli van de Free Officers’ Movement. Volgens het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken is hij de ‘snel rijzende ster’.(7) Al-Sahli was commandant van een gepantserde divisie van de Republikeinse Garde tijdens de Golfoorlog. Hij speelde een belangrijke rol tijdens de invasie van Koeweit en bij het neerslaan van de opstand in het sjiitische zuiden na de Golfoorlog. De uitermate repressieve wijze waarop dit gebeurde zorgde voor honderdduizenden vluchtelingen. Al-Sahli schreef daarop een boek over de volksopstand getiteld, Al-Zilzal (‘De Aardbeving’). Zijn nog relatief jonge leeftijd (50 jaar) maakt hem tot een erg aantrekkelijke kandidaat.

Verdeelde oppositie

De regering Bush heeft grote inspanningen geleverd om deze ex-militairen met elkaar, maar ook met het INC en andere groepen in contact te brengen. In juli 2002 kwamen op een bijeenkomst van de oppositie voor het eerst meer dan 70 ex-militairen af.

Maar vooralsnog zit Saddam Hoessein stevig in het zadel en lijkt het maar niet te lukken om de oppositie op een lijn te krijgen. Niet alleen is een deel ervan sterk gekant tegen VS-bemoeienissen of tegen een door de VS geleide oorlog (zoals de historisch belangrijke Irakese Communistische Partij). Ook binnen de door de VS erkende en gesteunde oppositie is het alles behalve koek en ei. Dat bleek nogmaals tijdens de door de VS gesponsorde bijeenkomst van de Irakese oppositie in Londen van 14 tot 16 december 2002.

Deze conferentie kon rekenen op ruime belangstelling van de internationale pers en werd bijgewoond door 330 delegatieleden van de oppositie. Onder druk van de VS kwam het tot een gemeenschappelijke verklaring.(8) Daarin heet het dat er gestreefd wordt naar een staatsbestel dat democratisch, pluralistisch en federaal is. Dit volgens een concept gebaseerd op gelijkheid en zonder discriminatie op grond van religie of ras – het gelijkheidsbeginsel tussen man en vrouw staat er niet in. Islam zou staatsreligie moeten worden. Opmerkelijk is dat de olie niet vergeten wordt. De ‘internationale gemeenschap’ wordt gevraagd om Irak na de val van het regime van Saddam Hoessein, het land in staat te stellen “om de maximum capaciteit te bereiken van de olie-export.” Verder stelt de verklaring: “De conferentie roept de nieuwe regering op om alle olie-, commerciële en economische akkoorden die Irak heeft getekend sinds 1991 met buitenlandse bedrijven en landen te herzien (…)”. Daarmee wordt aan een eis van Washington tegemoet gekomen, waar met lede ogen wordt gekeken hoe Frankrijk en Rusland economische relaties blijven onderhouden met Bagdad.

Hoewel de verklaring onderstreept dat men zich kant tegen elke buitenlandse militaire bezetting spreekt het document zich niet expliciet uit tegen een oorlog. Wel staat er volgende dubbelzinnige zinsnede: “De conferentie vraagt de internationale gemeenschap om de Irakese bevolking te steunen zodat het bevrijd wordt van het dictatoriaal regime.”

Er werd in London een ‘follow-up committee’ gevormd bestaande uit 65 leden(9), dat op 15 januari in de Koerdische Autonome Regio opnieuw bijeenkomt.

De hele ‘eenheidsshow’ kon niet verhullen dat er grote meningsverschillen bestaan tussen de verschillende oppositiegroepen. Vooral de virulente pro-VS politiek van de leider van INC, Ahmed Chalabi stuit op groeiend ongenoegen van de meeste andere groepen, niet in het minst van de door Teheran gesteunde SCIRI, een oppositiepartij van het Shi’itische zuiden. SCIRI weigerde trouwens tot augustus 2002 openlijk elke samenwerking met de VS.

INC

Het Irakees Nationaal Congres is wellicht de meest gekende oppositiegroepering, maar ook de meest controversiële, niet in het minst omwille van de dubieuze en corrupte leider, Ahmed Chalabi. Het INC werd in 1992 opgericht als een koepel van hoofdzakelijk oppositieleden uit de sjiitische en Koerdische regio. In de beginperiode beschikte het INC nog over een vrij goed uitgebouwde militaire structuur met residentie in het door de VS beschermde Koerdische noorden. Maar een in 1996 slecht georganiseerd offensief van een legermacht van 1.000 INC-strijders – met partiële steun van de CIA – liep met een sisser af en zou een einde maken aan de militaire aanwezigheid van het INC. Chalabi ging er ten onrechte van uit dat het offensief zou leiden tot een opstand vanuit het Irakese leger. Bovendien ging een bondgenoot van het INC, Barzani’s KDP, een plotse alliantie aan met Bagdad, en liet daarbij het Irakees leger toe in de Koerdische regio. Ondanks dit debacle kon Chalabi blijven rekenen op de steun van Washington. Een groot deel van de bijna 100 miljoen Euro die via de ILA sinds ’98 gereserveerd werd voor de Irakese oppositie is voorbestemd voor het INC.

Ahmed Chalabi is ongetwijfeld een sleutelfiguur in de Irakese oppositie. Hij kan rekenen op de steun van een belangrijk deel van het Amerikaans Congres en delen van het Pentagon, meer bepaald de rechtse en extreem-rechtse vleugel ervan. Washington’s Chalabi team telt mensen zoals onderdefensieminister Paul Wolfowitz en het hoofd van het ‘Defence Policy Board’ van het Pentagon, de superconservatieve Richard Perle.(10) Dat team wordt verder omkaderd met even rechtse Midden-Oosten mensen in de rest van het Pentagon, zoals Peter Rodman en Michael Rubin. Verder horen de Defensieminister Donald Rumsfeld zelf en voormalig CIA-directeur Jim Woolsey in het lijstje thuis. Via deze club onderhoudt Chalabi ook zeer goede contacten met de rechter zijde in Israël (Sharon en Netanyahu). Zo verzorgt hij geregeld spreekbeurten voor JINSA (Jewish Institute for National Security Affairs).

Chalabi is geen onbesproken figuur. Sinds 1985 staat Chalabi in nauw contact met Richard Perle, toen adjunct defensieminister (voor internationale veiligheid) onder president Reagan. Sinds 1992 is Chalabi samen met de conservatieven in Washington onverdroten aan het werk om de VS in een nieuwe oorlog te krijgen met Irak. Maar onder Clinton was de officiële VS-politiek lange tijd ‘containment’ en afbouw van massavernietiginswapens. Op dat ogenblik was het mislukte militair avontuur van Chalabi’s INC in 1996 blijven nazinderen in militaire en CIA-kringen. Het voormalige hoofd van het centrale commando van de VS-strijdkrachten in het Midden-Oosten, Generaal Anthony Zinni, deed smalend over wat hij die “zijdegeklede en Rolex-dragende gasten in Londen” noemde. Het militair establishment had geen zin in een avontuur dat “de varkensbaai kon veranderen in een geitenbaai”.

Chalabi, geboren in Bagdad (1945), is de zoon van een welvarende sjiitische familie met hechte banden met de hasjemitische monarchie die de Britten na WOI in hun mandaatgebeid installeerden. Na de val van Faisal II en de linkse machtsovername door Qassem, vlucht hij naar het buitenland. Na studies in de VS, haalt de Jordaanse kroonprins Hassan Chalabi naar Amman om de Petrabank op te richten. De bank wordt de tweede van het land. Maar in 1989 moet hij hals over kop het laat verlaten omdat hij 70 miljoen dollar zou verduisterd hebben (hij wordt daarvoor trouwens bij verstek veroordeeld tot 22 jaar gevangenisstraf). Het INC deed het hele voorval af als een politieke plot. Toch zou Chalabi ook de jaren daarop achtervolgd worden door gelijkaardige corruptieverhalen.

Na de oprichting van het INC in 1992 staat Chalabi in rechtstreeks contact met de CIA die tot aan het debacle in 1996 tegen de 100 miljoen dollar aan hem besteden. Chalabi zorgde er ook mee voor dat via zijn contacten met het conservatieve deel van het Amerikaans Congres de ILA wordt goedgekeurd, waarna de fondsen ervan voornamelijk naar zijn beweging worden doorgesluisd. Er bestaat inmiddels veel controverse over het besteedde geld. Chalabi wordt beschuldigd een groot deel van het geld in eigen zakken te stoppen. De voormalige VS-ambassadeur in Saudi-Arabië, James Akins, noemt hem een ‘criminele bankier’. “Wetende dat Chalabi de man van Amerika is, doet ons lijken op gekken, niet alleen in Irak, maar in de hele regio”, aldus Akins.(11)

Chalabi’s agenda gaat veel verder dan louter ‘regime change’ en maakt de werkelijke bedoeling van de VS duidelijk. Midden oktober had Chalabi een aantal ontmoetingen met drie belangrijke Amerikaanse oliebedrijven. Wat hij van plan is hoeft weinig verbeelding: “Amerikaanse oliebedrijven zullen een ‘big shot’ krijgen in Iraakse olie”, aldus Chalabi in The Washington Post.(12) Economisten verbonden aan INC plannen de ‘denationalisering’ van de Irakese olie-industrie om die onder controle te plaatsen van Amerikaanse oliebedrijven. Hetzelfde artikel in The Washington Post laat uitschijnen dat het einde van het Saddam-regime wel eens een aanval op OPEC kan worden, wanneer het nieuwe regime er voor kiest buiten de OPEC te werken. James Akins drukt het plastisch uit: “We nemen Irak over, installeren ons regime, produceren olie tot de maximum capaciteit en vertellen Saoedi-Arabië om naar de hel te lopen”.(13) De conservatieve think tanks in de VS laten er geen twijfel over verstaan. De olie-industrie moet met de hulp van een nieuw regime geprivatiseerd worden ter meerdere eer en glorie van de Amerikaanse oliebedrijven en de Amerikaanse energiebehoeften.(14) Het INC staat het meest garant voor deze agenda.

SCIRI

In politiek opzicht een veel belangrijkere oppositiepartij is de SCIRI. Niet alleen omdat zij pretenderen de in aantal belangrijkste bevolkingsgroep, de sjiieten, te vertegenwoordigen, maar ook omdat ze gesteund worden door Teheran en beschikken over een strijdmacht van 5.000 tot 15.000 manschappen (naargelang de bron), de fameuze Badr Brigade. SCIRI werd in 1982 met de hulp van Iran opgericht op het ogenblik dat Irak in een bloedig conflict met Iran verzeild was geraakt. Hoewel SCIRI zich gedeeltelijk heeft losgemaakt van Iran, wordt het vermoedelijk nog altijd voorzien van wapens door de Iraanse Revolutionaire Garde.(15) SCIRI wordt geleid door Ayatollah Mohamad Baqir Al Hakim, zoon van Muhsin Al Hakim die van 1955 tot 1970 de spirituele leider was van de sjiieten. SCIRI is zelf een coalitie van Islamitische intellectuelen en groeperingen die gestuurd wordt door een Algemene vergadering met 70 leden.

SCIRI verhoudt zich nogal dubbelzinnig ten aanzien van de VS. Dat er een zekere afkeer bestaat ten aanzien van Washington, hoeft niet te verwonderen, sinds Bush in zijn State of the Union Iran indeelde bij de ‘axis of evil’. Maar helemaal afkerig voor oorlog is leider Al Hakim ook niet. In een interview met de Christian Science Monitor verwerpt hij het ‘Afghaanse model’.(16) Maar zegt hij: “Het beste wat de VS kan doen is het Irakese regime te verplichten om niet zijn zware wapens tegen de mensen in te zetten, zoals zij dat deden in Kosovo. Dan kunnen de Irakezen verandering brengen. Het moet gedaan worden door de Irakezen zelf”. Lange tijd heeft SCIRI zich gedistantieerd van het INC. Pas eind augustus van dit jaar vervoegde Al Hakim andere oppositieleden tijdens een bijeenkomst in Washington.

Niet iedereen in het sjiitische kamp is daar even blij mee. Tijdens de onlangs gehouden bijeenkomst in Londen verlieten verschillende sjiitische fracties de conferentie van de oppositie uit protest tegen de monopolisering van hun kamp door SCIRI.

De Koerdische partijen

De Koerden zijn door hun jarenlange strijd voor autonomie (en bijwijlen ook onafhankelijkheid) het best georganiseerd. Sinds de mislukte opstand vlak na de golfoorlog genieten ze bescherming van de VS die het luchtruim boven Noord-Irak uitriepen tot No-Fly-zone. Twee Koerdische partijen oefenen het gezag uit in een niet-erkende ‘Koerdische Autonome Regio’, die in twee stukken is verdeeld tussen de KDP en PUK. Nog maar sinds kort gunnen beide fracties het licht in mekaars ogen. De PUK is een afsplitsing (1961) van de KDP van ‘vader’ Mustafa Barzani. In de jaren negentig voerden beide groepen een bloedige strijd uit die draaide rond territorium en olie-inkomsten (oliesmokkel van Irak richting Turkije). Dat ging zover dat op een gegeven ogenblik de KDP de hulp inriep van Bagdad om te strijden tegen de rivalen van PUK.

Nu streven beide partijen samen naar een federaal Irak. Militair zijn ze de enige echte tegenstander van formaat. Zij beschikken over 35 tot 50.000 peshmerga’s. Daarnaast zijn er nog twee smalle Islamitische Koerdische fracties, de IMIK (de Islamitische beweging van Irakees Koerdistan) van sjeik Ali abd-al Aziz, die sinds 1998 samenwerkt met de PUK. IMIK heeft haar thuisbasis in Halabja, bekend van de gasaanval door het Irakese leger met 5.000 doden tot gevolg. Een radicale fractie scheurde zich af van IMIK en gaat sinds kort door het leven als Ansar al-Islam (Partizanen voor de Islam). Deze fractie staat onder leiding van Mullah Krekar die volgens de VS samenwerkt met Al Qaida. Na de val van het Taliban-regime zouden een aantal Al Qaida strijders zich in Noord-Irak bevinden. Geregeld verschijnen er berichten over gevechten tussen PUK en Ansar al-Islam.(17)

Zowel KDP als PUK lijken niet echt afkerig van een VS-oorlog tegen Irak. Hoewel Massoed Barzani, de leider van KDP zegt dat hij geen oorlog noch een invasie wil in Irak, zijn er heel wat aanwijzingen dat Amerikaanse troepen aanwezig zijn in de Koerdische regio. De doorgaans goed ingelichte Turkish Daily News spreekt van 500 Amerikaanse militairen.(18) Koerdische bronnen hebben in elk geval bevestigd dat militaire planners en CIA-mensen actief zijn in door hen gecontroleerd gebied. KDP en PUK gaan in hun toekomstvisies impliciet uit van een oorlogsscenario, maar lijken iets minder blindelings de VS daarin te vertrouwen: “We kunnen niet spreken over het omverwerpen van het regime zonder een duidelijk akkoord over een alternatief”, aldus Barzani in een AFP-bericht.(19) De KDP-leider verzet zich bovendien tegen een Pentagon-scenario dat uitgaat van een voorlopige militaire bezetting. Daarmee lijkt hij toch lessen te hebben getrokken uit de mislukte opstand na de Golfoorlog. Die kwam er op vraag van Bush senior. Maar toen Irakese troepen in de tegenaanval gingen, weigerden de VS-troepen in te grijpen. De VS vreesde een opsplitsing van Irak en de daarin liggende olievelden. De Koerdische belangen en die van de VS zijn duidelijk niet altijd dezelfde

INA

Het INA werd een tijdlang gezien als een alternatief voor of minstens een noodzakelijke aanvulling bij het INC en als een mogelijke motor voor een ‘coup strategie’. Al in de herfst van 1991 bestudeerden Britse en Amerikaanse inlichtingendiensten diverse scenario’s met als doel Saddam Hoessein ten val te brengen. Ook toen zocht men al naar officieren uit het leger of veiligheidsdiensten – al dan niet in ongenade gevallen – ook al ging het telkens om dubieuze figuren. Zo benaderde de CIA in 1991 Saddam Hoesseins halfbroer Barzan die ballingsschap leefde in Génève.(20) Dat deze man als hoofd van de Mukhabarat verantwoordelijk was voor het wegzuiveren van kaderleden van de Irakese Communistische Partij en van de eigen Baath-kringen was blijkbaar geen probleem. Maar het zou kenmerkend zijn voor alle latere initiatieven van de VS binnen een coup scenario. Het INA, oorspronkelijk in 1990 opgericht onder impuls van Saoedi-Arabië, bestaat voornamelijk uit deserteurs van het Irakese leger en veiligheidstroepen. Aan het hoofd staat Dr. Iyad Allawi, een sjiiet. Toen Saddams schoonzoon, Hussein Kamil al-Majid – gezien als de architect van het programma voor massavernietigingswapens – eveneens deserteerde richting Jordanië, werd dat in Washington gezien als een teken dat Saddams greep op het Irakese veiligheidsapparaat aan het verslappen was met nieuwe perspectieven voor het INA. Maar INA leek volledig geïnfiltreerd door de Irakese veiligheidsdienst, wat leidde tot de arrestatie of executie van een honderdtal INA-sympathisanten in het leger. Er was ook rivaliteit met het INC. Naar verluidt zouden zij de hand hebben gehad in de bomaanslag op het INC-hoofdkwartier in Noord-Irak (oktober 1995).

(Uitpers, nr. 37, 4de jg., januari 2003)

Noten

(1) Statement by the president. The White House. Office of the Press Secretary, 31 Oktober 1998 (zie http://www.monde-diplomatique.fr/cahier/irak/iraqliberationact). De tekst van de Iraq Liberation Act (P.L. 105-338 van 31 oktober 1998) is te consulteren op: http://www.fcnl.org/issues/int/sup/iraq_liberation.htm
(2) Ludo De Brabander. Hypocrisie rond massavernietigingswapens in het Midden Oosten. In Uitpers nr. 34, oktober 2002
(3) Kenneth Katzman. Iraq: US Efforts to change the regime. Report for the Congress. Congressional Research Service, 3 oktober 2002
(4) Guido van Leemput. Irak heeft nieuwe leider al democratisch verkozen. In: De Koerden, nr 7, juli-augustus 2002
(5) Nick Cohen. The last thing the US wants is democracy in Iraq. In: The Observer, 28 juli 2002; Effort To Oust Saddam Out In Open. in: CBS news, 12 maart 2002(zie: http://www.cbsnews.com/stories/2002/03/12/world/main503501.shtml op 6 september 2002); Zie ook: On US preparations to topple Saddam Hussein. In: Arabic News.com, 15 februari 2002 (zie: http://www.arabicnews.com/ansub/Daily/Day/020215/2002021507.html op 6 september 2002)
(6) The Sunday Herald, 22 september 2002
(7) ibidem
(8) The political statement of the Iraqi Opposition Conference in London. In: Kurdistan Observer (http://www.kurdistanobserver.com), 20 december 2002.
(9) Oorspronkelijk was er sprake van 50 leden, dan werden het 65 en sommige bronnen zeggen dat er uiteindelijk is beslist om een 75 koppig comité te vormen. De SCiRI zou daarin het grootst aantal zetels hebben gekregen.
(10) Robert Dreyfuss. Tinker, Banker, NeoCon, Spy. Ahmed Chalabi’s long and winding road from (and to?) Baghdad. In: The American Prospect, 18 november 2002
(11) Why is Saddam Hussein still sitting in office in Baghdad? Interview met James Akin. In: Frontline (niet gedateerd)
(12) Dan Morgan and David B. Ottoway. In Iraqi War scenario, oil is key issue. The Washington Post, 15 september 2002
(13) Robert Dreyfuss. ibidem
(14) Zie bijvoorbeeld het in dat opzicht uiterst verhelderend document van de ‘Heritage Fundation door Dr. Ariel Cohen and Gerald P. O’Driscoll, Jr. The Road to Economic Prosperity for a Post-Saddam Iraq. 25 september 2002 (via: http://www.heritage.org/research/middleeast/bg1594es.cfm)
(15) Zie het portret van SCITI van de American Federation of Scientists: http://www.fas.org/irp/world/para/sciri.htm
(16) CSM, 14 februari 2002
(17) Up to 30 Kurds killed in battle with Islamic militia. Bericht van Reuters op 4 december 2002
(18) Ilnur Cevik. Kurds deny US military buildup. Turkish Daily News, 17 december 2002
(19) Kurdish leader implicily rejects US plans for post-Saddam Iraq. AFP, 27 november 2002
(20) Con Coughlin. Saddam. Biografie van een dictator. Het spectrum/Manteau, Utrecht, 2002

Deel dit artikel

Visited 141 Times, 1 Visit today

Tags :
Ludo De Brabander

Ludo De Brabander is redactielid en medeoprichter van Uitpers. Hij is tevens woordvoerder van Vrede vzw. De meeste van zijn geschreven bijdrages gaan over militarisme en conflict (NAVO, bewapening, wapenhandel, militaire interventies,...) en de regio van het Midden-Oosten. Hij is medeauteur van 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009) en auteur van 'Oorlog zonder Grenzen' (EPO, 2016), 'Het Koerdisch Utopia' (EPO, 2018) en 'Weg van Oorlog. Over militarisme en antimilitarisme' (EPO, 2019).

zie ook