De ideeënrijkdom van een warhoofd

Op het eerste gezicht is dit ongelooflijk: een revolutionaire tekst uit het begin van de twintigste eeuw, die destijds veel ophef veroorzaakte en nog lang nazinderde, is nu- anno 2021 – in Nederlandse vertaling verschenen. Nu pas ?! Of … waarom nu nog ?!

Want de ‘Réflexions sur la violence’ (1908) van de Franse ingenieur Georges Sorel (1847-1922) zijn ongetwijfeld voor een groot deel erg tijdsgebonden en nu gedateerd. Maar zij blijven daarnaast ook een heel leerrijke bron van informatie én inzichten voor wie de ontwikkeling van de socialistische arbeidersbeweging in Europa in àl haar menigvuldige strekkingen wil kennen en begrijpen. En, zegt de uitgever, “het is goed dat sommige basiswerken beschikbaar zijn in het Nederlands, ook al is dat gedachtegoed niet bepaald het mijne”. Een uiterst loffelijk standpunt.

Dat het meer dan een eeuw heeft geduurd vooraleer dit “basiswerk” van Sorel naar het Nederlands werd vertaald is bij nader inzien niet zo verwonderlijk. Hij mag zeker worden beschouwd als een ‘maître à penser’ van wat hij en zijn medestanders het ‘revolutionaire syndicalisme’ noemde, en dat in de anarcho-syndicalistische variant vooral opgeld maakte in Zuid-Europa maar meer noordelijk nauwelijks een voet aan de grond kreeg.

In Nederland bleef het gros van de sociaaldemocratie (militante linkervleugel incluis) grotendeels op de Duitse zusterparij gericht; anarchistische geesten bleven de charismatische Domela Nieuwenhuijs achternalopen; ‘zuivere’ marxisten (als bijvoorbeeld Gorter) zochten vanaf 1909 hun heil in een eigen partij(tje) waaruit na WO I de communistische partij ontstond, en later het dissidente typisch Nederlandse radencommunisme. In België was de anarchistische invloed in de brede arbeidersbeweging ongetwijfeld sterker, en had de sociaaldemocratische partijleiding het vaak moeilijk om een woedende basis in toom te houden. Ook hier zou de onvrede van de radicalen tot uiting komen in dwerg-organisaties en na WO I in een (en vanaf de late jaren ‘twintig twee) communistische partij(en). Maar in België konden de schaarse linksen die belangstelling hadden voor theorie Sorel natuurlijk in het Frans lezen.

Warhoofd

Over Sorels politieke ideeën en ontwikkeling, en zijn zeer talrijke én uiteenlopende publicaties valt aardig wat te zeggen. Georges Sorel, in 1847 geboren in Cherbourg in een niet bepaald rijke familie, studeerde in Parijs aan de Ecole Polytechnique maar volgde ook colleges filosofie bij Henri Bergson, en begon vanaf 1869 als ingenieur te werken voor de diensten van ‘Ponts et Chaussées’. De verschillende standplaatsen in ‘de provincie’ lieten hem kennelijk veel tijd om op zeer uiteenlopende terreinen veel te lezen, en vanaf halfweg de jaren ‘tachtig begon hij de vruchten van die lectuur – én zijn beschouwingen daarbij – te publiceren: van hydrologie tot antieke, Franse en godsdienstgeschiedenis, van architectuur tot meer en meer filosofie.

Nauwelijks 45, nam hij in 1892 ontslag uit overheidsdienst en vestigde zich als zelfstandig publicist in de buurt van Parijs. Hij profileerde zich toen ook openlijk als “socialist en marxist” … maar ging daarin vrij spoedig zijn eigen weg. Het is wellicht overdreven hem af te schilderen als de man die het marxisme introduceerde in Frankrijk; in elk geval vond hij zichzelf sterk genoeg in zijn schoenen staan om sommige marxistische stellingen ook te kritiseren op grond van eigen ervaring en denken, maar zonder (in eigen ogen) ontrouw te worden aan de kern van de marxistische ‘methode’.

Enkele van zijn werken sinds 1893 (als ‘L’avenir socialiste des syndicats’; ‘La décomposition du marxisme’; ‘Matériaux d’une théorie du prolétariat’; maar ook ‘Les illusions du progrès’ en ‘De l’utilité du pragmatisme’ én uiteraard de ‘Réflexions sur la violence’) illustreren – naast essays over Proudhon en Vico – de brede waaier die hij met zijn theoretisch werk bestreek. De uiteenlopende titels verraden de uiteenlopende wijzen waarop Sorel gelezen kon worden én werd. Ze laten ook zien hoe hij probeerde enkele basisideeën uit te werken in verschillende richtingen nadat hij keer op keer in de politieke praktijk door een of andere richting was teleurgesteld.

Door tijdgenoten of auteurs nà hem werd hij nu eens “serviteur désintéressé du prolétariat” of “théoricien de l’idéologie ouvriériste” genoemd, dan weer gesitueerd “tussen burgerlijk cesarisme en socialisme”, of bestempeld als “anti-intellectualist”, “anti-staats” denker, of zelfs ideeënleverancier voor het fascisme.

Hij was uiteraard ‘dreyfusard’, en circuleeerde rond 1910 even in de periferie van de ‘Action Française’; maar in exclusief nationalisme zag hij geen heil, en tijdens de hele wereldoorlog bleef hij overtuigd oorlogstegenstander. Op het eind van WO I werd hij een groot bewonderaar van Lenin, en bleef communistische sympathie koesteren tot aan zijn dood in 1922. Een schrijnend staaltje ironie van de geschiedenis wou dat hij nadien uitbundig lof kreeg toegezwaaid door Mussolini, die zei dat hij van Sorel veel had geleerd. Terwijl uitgerekend Lenin die hele Sorel maar “een warhoofd” vond.

Geweld

In leven en werk van Sorel ontbreekt het inderdaad niet aan paradoxen … al is soms een behoorlijke dosis exegese nodig om uit te maken of het nu om schijnbare dan wel om echte of zelfs fundamentele tegenstellingen gaat. Sorels vermoedelijk meest bekende werk, de ‘Réflexions sur la violence’ is daarvan een uitstekend voorbeeld.

Geweld. Daarover is al heel lang en heel veel geschreven, evoluerend in breedte en in diepte, voor en na Sorel. Het is niet de bedoeling dat hier allemaal in kaart te brengen; maar twee elementen uit het denken over geweld verdienen toch bijzondere aandacht.

Er is allereerst de vaststelling dat al vrij vroeg ook werd gezocht naar rechtvaardigingen voor geweld dat men zelf toepast of tolereert. Van het bijbelverhaal over Judith en Holofernes of de filosofie van de tirannenmoord in de Oudheid, tot de (onder meer religieuze) stellingen over ‘rechtvaardige oorlogen’ die tot op heden worden aangewend. Op dergelijke grondslag werd ook het gebruik van geweld gerechtvaardigd in de Franse Revolutie, in de ‘bevrijdingsoorlogen’ die daarop volgden, en – welhaast a fortiori – in de klassenstrijd die een goed deel van de negentiende en twintigste eeuw tekende..

Daarnaast zorgde voortschrijdend inzicht in de voorbije honderdvijftig jaar ook voor een uitbreiding van het begrip geweld. In de verhouding tussen mensen of collectiviteiten kan ook geweld voorkomen dat niets met lijfsdwang of bloedvergieten te maken heeft (bijv. psycho-terreur). Op een veel omvattender schaal kunnen de machtsverhoudingen in de samenleving van die aard zijn dat vele miljoenen sterven door uitbuiting en onderdrukking, terwijl dat in een rechtvaardiger samenleving niet het geval zou zijn.

Dat werd al in 1889 door Mark Twain in een van zijn politieke satires aangeklaagd in een pakkende diatribe tegen de traditionele geschiedschrijving die slechts één soort ‘Terreur’ voor het voetlicht haalt. Iedereen, aldus Twain, krijgt de huiver ingelepeld voor de terreur van de Franse revolutie waaraan enkele duizenden ten offer vielen; maar alle kerkhoven van Frankrijk zouden niet de lijken kunnen herbergen van hen die slachtoffer waren van uitbuiting en onderdrukking.

Die gedachte werd zeventig jaar later in een meer wetenschappelijk betoog ontwikkeld door de befaamde Noorse polemoloog Johan Galtung, die daarvoor de term ‘structureel geweld’ smeedde. Nog een kleine halve eeuw later bedoelt Slavoj Zižek in zijn ‘zijdelingse beschouwingen’ eigenlijk hetzelfde wanneer hij spreekt over ‘systemisch’ geweld, zonder evenwel naar Galtung te verwijzen.

Beweging

In zekere zin hangen die beide aspecten samen: het sluipende structurele geweld moet dan het direct tastbare geweld rechtvaardigen dat daartegen ingaat. Eigenlijk is het zelfs merkwaardig dat dit verband zelden of nooit uitdrukkelijk werd naar voren geschoven door publicisten die – met name rond de vorige eeuwwisseling – de verdediging van de Fanse Revolutie op zich namen, zoals bijvoorbeeld Jean Jaurès.

Sorel heeft die lacune opgemerkt en er ettelijke bitter-boze bedenkingen aan gewijd. Meteen werd en wordt hij door vrijwel alle media én academici uitgeroepen tot dé auteur die zich niet beperkt tot het verklaren of zelfs rechtvaardigen van geweld, maar die het ‘verheerlijkt’. Dat is een (bewust of onbewust ?) malafide vereenvoudiging.

Maar waar – op het continuum tussen verheerlijken en verafschuwen – bevindt Sorel zich dan wel? Dat zou uit zijn ‘Réflexions’ moeten duidelijk worden. Alleen is dat – zoals ongeveer alles bij Sorel – niet zó eenvoudig. De auteur erkent trouwens zelf dat de “onsamenhangendheid” van zijn argumenten de lezer in verwarring kan brengen, en dat sommige van zijn ideeën volstrekt verkeerd begrepen werden.

Het boek (1908) is namelijk de (niet of nauwelijks bewerkte) verzameling van een reeks artikels die in 1906 verschenen in ‘Le Mouvement Socialiste’, een ‘serieus’ tijdschrift aan de uiterste linkerzijde van het Franse socialisme, dat aanvankelijk zelfs ruimte bood aan rivaliserende strekkingen, maar van 1904 tot 1909 duidelijk de spreekbuis was van de revolutionaire syndicalisten, en in die jaren dus ook van Sorel.

Nu was het Franse socialisme al geruime tijd over verschillende partijen verdeeld, die alle op een of andere manier bereid waren te werken binnen het kader (ofte: de grenzen) van de burgerlijke parlementaire democratie, en die geen van alle konden pretenderen dé arbeidersbeweging te vertegenwoordigen. Integendeel: nogal wat syndicalisten ergerden zich aan het feit dat de elkaar beconcurrerende partijen in feite van het ene compromis naar het volgende strompelden om toch maar enkele beperkte materiële lotsverbeteringen in de wacht te slepen … die dan bovendien het strijdvaardige élan van de arbeidersmassa’s lieten afbrokkelen. In de Confédération Générale du Travail (CGT) opteerden – mede onder de invloed van (voormalige) anarchisten – steeds meer kernen voor ‘revolutionair syndicalisme’, en Sorel werd al snel de belangrijkste theoreticus van die beweging.

In zijn ‘Réflexions’ probeerde hij de grondslagen van de revolutionaire syndicalisme te verduidelijken en uit te werken. Maar het boek is geen ‘bijbel’. Niet alleen omdat Sorel zoiets zeker niet wou, of omdat het boek voor de lezende arbeider toch een erg zware dobber was, maar veeleer omdat de toch al niet bijster eenvoudige samenhang van het betoog om de haverklap werd onderbroken door allerlei uitweidingen. De lezer mag / moet zich verwachten aan uitvoerige beschouwingen over de Griekse en Romeinse Oudheid, en oude en recentere Franse geschiedenis, over natuurkundige verschijnselen en over economie, allemaal bedoeld om het politieke betoog te illustreren. Daarnaast ging Sorel in uitgesproken polemische fragmenten scherp tekeer tegen andere socialistische opvattingen, en met name dan tegen de ‘parlementaristen’ die met radicale retoriek de socialistisch georiënteerde kiezers voor zich wilden winnen maar daarbij vooral op de eigen carrière bedacht waren. Op zijn lezers zullen die uitweidingen wel indruk hebben gemaakt, omdat ze ook getuigden van de enorme belezenheid van de auteur.

Essentie

Eigenlijk kan men de ‘Réflexions’ ook lezen als de zoveelste (en breed meanderende) bijdrage tot de eeuwenoude discussie over de ethische én praktische verhouding tussen doel en middelen. Voor de theoreticus van de revolutionaire syndicalisten was het ultieme doel niet zomaar de materiële lotsverbetering voor het proletariaat, maar (niets minder dan) een fundamentele regeneratie van de hele samenleving – arbeiders én burgerij – door de bevrijding uit het kapitalisme. Die fundamentele ommekeer zal niet bereikt worden door een beroep te doen op ‘goede bedoelingen’ maar zal geweld vereisen. Wie dus het doel wil bereiken, moet ook het middel accepteren.

In wezen is dit nog niet veel méér dan een rationele rechtvaardiging van geweld. Of minstens een verklaring daarvan, zoals men die ook vindt bij eerder conservatieve denkers als bijvoorbeeld Hannah Arendt, voor wie elk waarachtig ‘nieuw begin’ een gewelddadige breuk met het verleden impliceert. Maar Sorel gaat verder.

Niet omdat hij het gebruik van geweld zou ‘verheerlijken’, want hij poneert juist dat de revolutionaire syndicalisten weliswaar niet zullen (of mogen) aarzelen om geweld te gebruiken, maar dat zij dat zullen doen met mate en beheerst door hun nobel ideaal. Waarin Sorel (en het revolutionair syndicalisme) verschilt van de ‘klassieke’ rechtvaardiging is de draagwijdte die hij toekent aan geweld.

Om de zo noodzakelijke fundamentele ommekeer te bewerkstelligen is het wapen bij uitstek: de algemene revolutionaire staking, waarvan geweld een essentieel kenmerk is. In die zin is geweld mede de dragende mythe van ‘echte’ – d.w.z. van “absolute en onherroepelijke” – verandering, als tegengesteld aan ‘partiële hervormingen’. Daarmee wil Sorel niet alleen de syndicalistische algemene staking onderscheiden van de politieke algemene staking, zoals die ook door de ‘parlementaire socialisten’ wordt geaccepteerd … én geaccapareerd. Hij beklemtoont ook het grote belang van zo’n dragende mythe: in alle grote sociale bewegingen in de geschiedenis is dat een constructie, waarin zowel voorvechters als voetvolk hun strijd zien als “een oorlog waarin hun zaak zegeviert” en die hen in staat stelt tegenslagen te incasseren en grote offers te brengen.

Tegelijk geeft hij ruimschoots hun plaats aan (massa-)psychologische en emotionele elementen in de revolutionaire arbeidersbeweging. Merkwaardig is daarbij wel dat hij nergens expliciet verwijst naar de ruim tien jaar eerder verschenen ‘klassieker’ van Gustave Le Bon (‘Psychologie des foules’, 1895) terwijl hij toch diens ‘Psychologie du socialisme’ (1898) lovend vermeldt. Evenals Le Bon zou Sorel trouwens later worden opgezadeld met de bedenkelijke – maar onverdiende – reputatie als zou hij het intellectuele bedje hebben gespreid voor het fascisme. Maar de combinatie van massapsychologie én dragende mythe moest wel een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefenen op figuren als (onder meer) Mussolini.

Dat Sorel – als geschoold maar kritisch (en dus dissident?) marxist – voor het ontwikkelen van het proletarisch bewustzijn en voor het élan van de revolutionair-syndicalistische strijd zoveel belang hecht aan de ‘dragende mythe’ herinnert ironisch genoeg aan de worsteling tussen wetenschap en voluntarisme bij Marx zelf. Die ironie ontging ook de ‘proudhonist’ Ousty niet, die Sorel omschreef als een “véritable moine mystique et guerrier”, een monnik-krijger, die tegen ideologie ten strijde trok met ideologie, tegen utopie met utopie.

Het boek

Sorels ‘Réflexions’ laten hem kennen als een van de denkers die het marxisme probeerden te verrijken door het te ontdoen van starre dogma’s en aan te passen aan de politieke en sociale omstandigheden van een kwart eeuw later, maar ook als een auteur waarin (zoals een andere tijdgenoot het formuleerde) ideeën die zich zestig jaar lang hadden opgehoopt tot uiting kwamen als “une richesse en vrac”. De vele polemische uitweidingen doen zeker ook geen goed aan de samenhang en ‘verteerbaarheid’ van het geheel. Alleen al om ze voor een lezer anno 2021 voldoende begrijpelijk te maken zou aan de tekst (en vooral de noten) heel veel achtergondkennis moeten worden toegevoegd. Dat zou allicht ettelijke tientallen extra pagina’s hebben gevergd; maar het lijkt toch wel erg onwaarschijnlijk dat in Nederland of België niemand kon gevonden worden die dat deskundig – én ‘leesbaar’ – kon aanpakken.

Daartegenover staat dat de inleidende ‘brief aan Daniel Halévy’ en de drie bijgevoegde latere teksten – waaronder een onverbloemd enthousiast betoog ‘Voor Lenin’ – deze uitgave nóg nuttiger maken om het soms verwarrende maar vaak ook stimulerende denken van Sorel beter te leren kennen.

Vertaalster Zsuzsó Pennings heeft de zware tekst méér dan behoorlijk vertaald, in een soms ietwat ouderwets aandoend taalgebruik, dat hier echter perfect op zijn plaats is in een vertaling die meer dan honderd jaar op zich heeft laten wachten…

Naast passende lof dient hier echter ook een ernstige kritiek geformuleerd, die helaas ook voor andere en grotere uitgevers geldt: in computer-tijden zou het echt niet meer mogen dat een non-fictie-boek nog verschijnt zonder register. Iets voor de heruitgave bij de honderdste verjaardag van het overlijden van Sorel?

Over geweld
Geroges Sorel
Uitgeverij IJzer, Utrecht
2021
377, € 24,5
978-90-8684-224-7
(Visited 112 times, 1 visits today)
Deel dit artikel