Een reeks van vier beschouwingen over de overlevingskansen van de progressieve coalitie onder Pedro Sánchez
Spanje is een van de laatste Europese landen waar een progressieve regering aan het roer staat. Sommigen krijgen hierbij een bijna extatisch herbelevingsgevoel naar het Volksfront dat zich midden jaren dertig vorige eeuw opwierp als barricade tegen het opstormende fascisme. De regularisatie van migranten zonder papieren, de pro-Palestijnse houding en de consequente standpunteninnames van de regering tegen het Trumpisme maakten Pedro Sánchez razend populair in linkse Europese middens.
Het moet gezegd, sinds Spanje geleid wordt door een progressieve coalitie, boert het op vele vlak beter. Het wist Catalonië te kalmeren, de macro-economie doet het goed, energetisch wordt het steeds properder, de sociale rechten zijn verbeterd en Spanje is vandaag een toonbeeld van ethische vooruitstrevendheid, bescherming van minderheidsgroepen en de strijd tegen het geweld op vrouwen.
Een halve eeuw na Franco’s dood, lijkt het land de erfenis van de dictatuur van zich af te hebben geworpen en lijkt het eindelijk te hebben bereikt wat haar liberaal-progressieve vleugel gedurende eeuwen heeft nagestreefd: modern, Europees, geëmancipeerd. En ongelooflijk maar waar: dit Spanje krijgt onder de huidige paus Leo XIV zelfs de morele steun van de Kerk.
En toch ziet het er richting volgende verkiezingen niet bijster uit voor Sánchez en zijn coalitie. Intern en extern gekweld door oude reactionaire oerkrachten die streven naar het herstel van de patria, de manneneer en de sociale hiërarchie van vroeger, verliest het veel constructieve energie. Het weet al een tijd menig Spanjaard niet langer te bereiken of te overtuigen. Papa Staat lijkt ofwel tekort te schieten ofwel te ver door te drijven. Het feminisme heeft niet langer het vuur van enkele jaren geleden. In veel jonge Spanjaarden is de macho terug wakker geworden.
Immigratie, wat heel lang in Spanje geen issue was, staat plots bovenaan de agenda. De steden zuchten onder het gebrek aan betaalbare woningen. De democraat in de Spanjaard gaat hier en daar twijfelen. Was het vroeger toch niet beter?
Conservatief, patriottisch en ultrareactionair Spanje vindt in die twijfels en bezorgdheden de ideale voedingsbodem om de verwezenlijkingen van het progressieve Spanje tegelijk te minimaliseren als het te bombarderen met de corruptieschandalen rondom de socialistische partij en hun leider Pedro Sánchez.
In 2027 komen er verkiezingen. Zal de linkse barricade het houden?
Deze reeks van vier artikelen probeert daar een antwoord op te formuleren en zoemt in op de corruptieschandalen, de strategieën van rechts en extreemrechts om Sánchez van de troon te stoten, de migratiekwestie en de ‘uit het leven gegrepen’ besognes die de Spanjaarden in de weegschaal leggen wanneer ze zich politiek mogen uitdrukken.
De steeklansen in de nek van Pedro Sánchez
Of hoe uit eigen rangen een gewiekste ‘loodgietster’, een oud-premier, een buitenwipper, een voormalig minister, een gewezen partijsecretaris en zelfs zijn familie de Spaanse premier de arena des doods injagen.
In het Spaanse stierenvechten is er maar één manier waarop de toro zich kan behoeden voor de estocada, de laatste dodelijke steek vanwege zijn uitdager, de matador: zoveel moed tonen dat het publiek de jury kan overtuigen het dier te redden. Wanneer dit gebeurt, is het kwartier dat de toro in de arena heeft gestaan, niet meer dan vijftien minuten doodsangst in zijn leven. Want nooit voordien ziet een stier een arena, noch wordt hij er een tweede maal naartoe gebracht. De ervaring is zo traumatiserend, dat het beest nooit meer de bereidheid zou tonen om te vechten. De Spaanse premier Pedro Sánchez heeft met de stier gemeenschappelijk dat hij uitblinkt in de overmoed die nodig is om zijn vel te redden. Alleen werd de politicus tijdens zijn regeerperiode niet eenmaal maar talloze malen losgelaten in de arena. Behendig baande hij zich telkens een weg naar de overwinningspoort. Maar vandaag staat hij gehavend in het duel, nu zes corruptieschandalen uit eigen rangen als steeklansen uit zijn nek bengelen. Zal Sánchez deze martelkrans overleven, of leidt de agonie hem naar de finale estocada, en valt daarmee een der laatste linkse Europese burchten?
Op 27 juni toonde de Spaanse premier Pedro Sánchez zich tijdens het Federaal Comité van de socialistische partij PSOE (Partido Socialista Obrero Español) in ieder geval nog weerbaar. We moeten een piña (letterlijk: ananas) vormen, zei hij, een gehechte groep die voor elkaar en het gemeenschappelijke doel door dik en dun gaat. De uitdrukking fer pinya (solidair één doel nastreven) wordt in Catalonië vaak gebruikt. De castellers (Catalaanse kasteelbouwers) beelden het letterlijk uit door de enorme mensentorens te stutten op een basis van mannen- en vrouwenkracht. Sánchez weet dat hij op de linkshartige Catalanen en de regionale socialistische minister-president Salvador Illa kan rekenen, en ook dat hij hen nodig heeft. Het hachje in ruil voor concessies. Die mogen weliswaar niet té ver worden doorgedreven. Want elders in Spanje grommen er wat socialistische old school baronnen, zoals de minister-president van de autonome regio Castilla-la-Mancha. Emiliano García-Page laat zijn tanden wel eens zien en doet het kasteel van tijd tot tijd wankelen. Het is een lastige evenwichtsoefening voor Sánchez, maar het is niet dat wat hem de nek om lijkt te doen. Als het kasteel zou stuiken, zal dat vooral zijn door rot hout uit de eigen achterban. En de eigen onoplettendheid of schuldig verzuim. Daar zullen niet alleen rechters over beslissen, maar zal ook het volk zich over uitspreken bij de volgende stembusgang.
Het rotste hout zat bij een gewezen Minister van Openbare werken en Transport, een ex-partijsecretaris, een Spaanse consultancy-ondernemer en een buitenwipper die in politieke genade was gevallen. Hun namen: José-Luis Abalós, Santos Cerdán, Víctor de Aldama en Koldo García. Van deze vier Spaanse Daltons, was Víctor het brein en Koldo de krachtpatser. Abalós en Cerdán hadden de juiste politieke functies om de machinerie in gang te zetten. Hun eerste wapenfeit: zwaar sjoemelen met de aanbesteding van mondmaskers tijdens de Corona pandemie. En daarna: gesjoemel in de aanbesteding van openbare werken en transportinfrastructuur. Hun doel: zich verrijken en positioneren. Hun misdaden: verduistering van overheidsgelden, omkoperij (geven en aannemen van smeergelden), machtsmisbruik, witwaspraktijken, schending van de ambtsplicht. Hun onderlinge communicatie: slangtaal op Whatsapp. Chistorras (soort Spaanse worstjes) voor briefjes van 500 euro, soles (zonnetjes) voor die van 200 euro en lechugas (slaatjes) voor de biljetten van ‘slechts’ 100 euro. Het hele verhaal, waarbij ook nog luxe-prostituees betrokken zijn, leest soms als een klucht, maar is een groot probleem voor Sánchez: want wie gelooft dat Pedro van toeten noch blazen wist?
Aanvankelijk werd Abalós door de partij ingedekt. Een corrupte minister-hoerenloper is niet fraai. Maar wat niet weet niet deert, dacht men. Maar toen kwam het tweede stuk rot hout boven drijven: la señora Leire Díez, alias la fontanera (de loodgietster). Het woord wordt in Spanje gebruikt voor politieke allrounders. Ze kunnen overal inspringen, zijn vaardig in brandjes blussen en wondjes zalven en worden om de haverklap ingezet onder het mom van een nieuwe functie. Partijen hebben de gewiekstheid van zulke loodgieters nodig om zich intern of extern uit de nesten te werken en te zorgen dat de kopstukken uit de wind blijven staan. Maar soms krijgt zo een allrounder een te grote carte blanche om het herstelwerk te verrichten. Dat was het geval bij Leire Díez. Cerdán, een van de hoofdspelers uit het bovenstaande mondmaskerschandaal, zou Leire hebben aangesteld om de openbaringen over de corruptieschandalen en omkooppraktijken vanwege enkele hoge pieten van de PSOE in de kiem te ‘helpen’ smoren. Leire werd niet toevallig gekozen. Binnen de Spaanse staatsholdingsmaatschappij SEPI was ze actief betrokken bij het deviëren van fondsen en het beïnvloeden van investeringen, liquidaties of reddingsoperaties van bedrijven waarin de Spaanse staat een belangrijk aandeelhouder is. Onthoud, voor dit verhaal, daarbij de vliegtuigmaatschappij Plus Ultra, een verlieslatende vloot van een handvol vliegtuigen die vaak op Caracas (Venezuela) vloog. Onthoud ook dat Abalós toen minister van Openbare werken en Transport was. Toen het potje nat het licht neigde te zien, kreeg Leire de opdracht haar rol als fontanera grondig uit te voeren. Wat volgde: spionage, intimidatie, chantage en omkoperij (of pogingen daartoe) van rechters en de anti-corruptiepolitie. De vermeende betaler? De kas van de PSOE, die Leire voor haar loodgieterswerk zou hebben vergoed aan de hand van onwaarachtige facturen. Het probleem voor Sánchez: wie gelooft dat Pedro van toeten nog blazen wist?
Vier Spaanse Daltons en een loodgietster maakten brandhout van het tot dan vrij ongeschonden parcours van de PSOE onder leiding van Pedro Sánchez. Tamelijk ongeschonden, want in april 2024 werd zijn echtgenote Begoña onder handen genomen door het collectief Manos Limpias (Propere Handen), een zelfverklaard ambtenarensyndicaat van ultrarechtse allooi, betreffende een vermeende beïnvloeding en machtsmisbruik in de redding van – en hier is ie weer – de vliegtuigmaatschappij Plus Ultra. Sánchez wimpelde de zaak lang af als laster en psychologische oorlogsvoering om hem en het progressieve project moreel te kraken door zijn echtgenote bij de ideologische battle te betrekken. Maar toen de vliegmaatschappij terug opdook in het Leire-schandaal en, misschien nog veel erger, Plus Ultra plots naar voor werd geschoven als een luchtbrug voor vermeende witwaspraktijken, illegale goudhandel en vieze onderonsjes met zowel het Venezolaanse regime als met malafide ondernemers, verloor het laster -en haat narratief aan geloofwaardigheid. Immers, niet alleen Leire en Begoña waren hierbij betrokken partij, maar ook oud-premier en voormalig partijhoofd José Luis Zapatero, alias Bambi, die zich na zijn politieke loopbaan toespitste op freelance-consultancy-werk. Dat deed hij onder meer voor het consultancy-bedrijf Análisis Relevante, die op haar beurt Plus Ultra bijstond in haar reddingsoperatie en daarvoor precies het bedrag gefactureerd zou hebben dat later aan Bambi werd vergoed voor zijn wijze raad. Dat de Spaanse Staat 53 miljoen euro betaalde om vijf vliegtuigen en een handvol cabinepersoneel boven water te houden, mag zeker in vraag gesteld worden. Dat het misschien 53 miljoen euro neertelde voor een strategische luchtbrug, mag evenzeer te berde worden gelegd. Het moet wel nog bewezen worden. Maar voor Sánchez is Zapatero, die ook nog eens voor een waarde van 1,3 miljoen euro juwelen uit Saoudi-Arabië in een kluis had liggen, geen probleempje, maar een problemón. Want wie gelooft dat Pedro van toeten noch blazen wist?
Minder pijnlijk, maar perfect in het rijtje, trof Sánchez nog een laatste steeklans. Zijn jongere broer David zou in 2017, ver van de hoofdstad, een tof postje hebben verworven als directeur van het departement Beeldende Kunsten aan de provincie Badajoz. Niemand die het zou opmerken, ware er niet Manos Limpias, die bewust van elk vuiltje aan de PSOE-lucht een stofwolk maakte in dienst, of toch tot grote vreugde, van Sánchez rechtse en extreemrechtse politieke rivalen, een groep ultraconservatieve rechters en alle mogelijke aanhangers van een ranzig Spaans patriottisme. Net als de verraderlijke fontanera interpreteren zij alle wetten van het Machiavellisme als een vrijgeleide om de al gewonde stier de doodsarena in te jagen. Op het socialistische federale comité van 27 juni schitterde het actuele lemma van de PSOE: ahora más que nunca, vandaag meer dan ooit. We moeten meer dan ooit een piña vormen tegen de reactionaire krachten die de democratie en de welvaarstaat aanvallen, wordt daarmee bedoeld. Maar het lemma leidt ook makkelijk tot spot: nog nooit zoveel corruptieschandalen als vandaag. Hoelang kan Pedro blijven volhouden dat hij van toeten noch blazen wist? En kan hij nog wat overmoed uit zijn toverhoed halen zodat het publiek hem vergiffenis wil schenken? Of staat hij ditmaal in de arena voor de finale slachtpartij?
Sarah De Vlam
La Seu d’Urgell
1 juli 2026

