De hedendaagse Nederlandse mensenrechtenprijs

Voor het slagen van het kwaad, Is niets anders nodig
dan dat goede mensen niets doen.

Als goede mensen niets anders doen dan voor hun gezinsleden zorgen,
hun sport beoefenen, televisie kijken,
kunnen kwade krachten ongestoord hun rampzalige praktijken uitvoeren.

De kwade krachten worden dan niet gehinderd
door de zogenaamde zwijgende meerderheid.

 

Martin Luther King

 

Inleiding:

 

Bijzondere woorden, die zijn geuit door  Dr Martin Luther King, de voorman van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. In feite vertolken zij een waarheid, die in de roerige dagen van de strijd om gelijke burgerrechten in de VS, toen eveneens het apartheidsregime nog intact was, evenzeer geldig was als in de huidige tijden.
 
Zij doen een appel op ons, een keuze te maken tussen een relatief risicoloos leven van dagelijkse beslommeringen met werk en gezin en een bestaan, waarbij de fundamentele rechten van ieder mens op een humane behandeling en een goed leven, al dan niet afkomstig uit Europa, centraal staan.
 
Dit spanningsveld tussen de eigen directe behoeften en het delen van de zorgen en verwachtingen van minder fortuinlijke mensen, die naar West-Europa gekomen zijn, hetzij vanwege oorlog en vervolging in eigen land, hetzij vanwege de hoop op een beter bestaan, is niet altijd even gemakkelijk te overbruggen, omdat ieder mens, hoe betrokken ook, te kampen heeft met zowel de eigen problematiek als de angst voor de confrontatie met een staatsapparaat, dat in deze tijd van toenemend racisme en xenofobie, grimmigere vormen aanneemt.
 
Maar Martin Luther King zei het al:
 
Een van de belangrijkste voorwaarden voor het voortduren van het onrecht is het gebrek aan betrokkenheid van de mensen in een samenleving, hetzij om aannemelijke redenen (angst voor de consequenties, de zorg voor het gezin), hetzij uit onverschilligheid.
 
Het is dan ook niet verwonderlijk, dat in extreme omstandigheden [dictatuur, oorlog, bezetting], een steeds kleinere groep stelling neemt.
 
Hoewel de huidige situatie in met name Nederland niet hiermee te vergelijken is, is er wel sprake van een sinds 11 september toegenomen politiek-maatschappelijke verharding in de samenleving, zowel tot uiting komend in de voortschrijding van het racisme in het algemeen en anti-islamisme in het bijzonder en de door de Overheid genomen anti-terreurmaatregen, die in steeds bedenkelijkere mate de rechten van terreurverdachten en veroordeelden aantasten.
 
Op grond daarvan kunnen verdachten met steeds minder daadwerkelijk en hard bewijs, veroordeeld worden tot relatief lange gevangenisstraffen (zie de veroordelingen in het Piranhaproces), met de zegen van een zich steeds meer verhardende publieke opinie, bang gemaakt door de door politiek en media bedreven anti/terreurhysterie.
 
Weer het gevaar van burgers, die om welke reden ook, niet in geweer komen tegen het onrecht.
 
Een van de gevaarlijkste ontwikkelingen acht ik echter het feit, dat het racisme als zodanig, dat zowel in geschreven als omgeschreven wetten als ”not done” werd beschouwd, niet alleen steeds gevaarlijkere vormen aanneemt, maar als maatschappelijk verschijnsel, zonder al teveel verzet, als min of meer geaccepteerd wordt beschouwd.
 
Was er in de negentiger jaren nog sprake van een juridische veroordeling van filmmaker en publicist T. van Gogh na het doen van antisemitische uitspraken (o.a. ”cipulerende Davidssterren in de gaskamer” en ”ruik je de geur van caramel? Er worden weer suikerzieke Joden verbrand”), in het jaar 2007 (18-3) wordt er ter nagedachtenis van diezelfde filmmaker een kunstwerk onthuld, dat de vrijheid van meningsuiting moet verbeelden, ondanks zijn uitspraken en columns van een discriminerend karakter, met name tav de Islam als religie, moslims in het algemeen en het Marokkaanse bevolkingsdeel in het bijzonder.
 
Kennelijk was het voor de gemeentelijke autoriteiten in Amsterdam van secundair belang, dat dit kunstwerk een overdrachtelijke klap in het gezicht is van de slachtoffers van zijn racistische uitlatingen.
 
Het mag dan ook geen verbazing wekken, dat er eveneens mensen van neo-nazistische signatuur bij deze onthulling aanwezig waren.
 
Zie:
 
http://www.indymedia.nl/nl/2007/03/43158.shtml
 
 
VERZET:
 
Het is reeds eerder gezegd, bij een dergelijk repressief geworden maatschappelijk en politiek klimaat zijn steeds minder mensen in staat en bereid, zich openlijk te verzetten
Wat werd beschouwd als een ludieke actie in de zeventiger/begin tachtiger jaren, wordt met toenemende juridische repressie de kop in gedrukt.
 
Deze ontwikkelingen lopen parallel met ontwikkelingen in België en daarom acht ik het van belang, mijn eigen ervaringen met u te delen:
  
A Hedendaagse in Nederland te betalen prijs voor de geweldloze strijd tegen het onrecht: ”voorwaardelijke gevangenisstraf”
 
Op 25-10-2006, een dag voor de herdenking van de Schipholbrand, namen ik en een aantal andere mensen deel aan een protestactie bij het cellencomplex Schiphol-Oost, met als doel zowel herdenking als verzet.
Wij herdachten de 11 ”illegale” vreemdelingen, die op 26-10-2005 in de cellen in het uitzetcentrum Schiphol-Oost bij een uitgebroken brand om het leven gekomen waren.
Uit het definitieve onderzoeksrapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid dd september 2006 is komen vast te staan, dat de hoofdoorzaak gelegen was in de brandgevaarlijke constructie van de cellen.
Een en ander werd nog gecombineerd met de handmatige ontgrendeling, waarbij de betrokkenen niet snel bevrijd konden worden en het feit, dat de te laat gealarmeerde brandweer aanvankelijk naar het verkeerde toegangshek gegaan was.
 
Het politieke resultaat: het aftreden van twee verantwoordelijke ministers, van Justitie [de heer Donner, nu minister van Sociale Zaken] en Volkshuisvesting [minister Dekker].
De minister van Vreemdelingenzaken en Integratie, mevrouw Verdonk, bleef als minister in functie [hoewel haar kort voor de nieuwe verkiezingen de post vreemdelingenzaken werd ontnomen].
 
Ondanks echter de door de Raad aanbevolen verbeteringen, die nog niet waren doorgevoerd, was een deel van het cellencomplex, nu voornamelijk gebruikt voor bolletjesslikkers (hoewel er nog enkele mensen in vreemdelingenbewaring zaten), nog in gebruik.
 
Ons protest was, zoals reeds gezegd, herdenking en een aanklacht tegen het nog in gebruik zijn van dit complex.
Een van de meest fundamentele bezwaren was echter het mi onacceptabele feit, dat mensen, die niet van een strafbaar feit werden beschuldigd en als enige ”misdaad” het niet in bezit hebben van geldige Nederlandse verblijfspapieren, kon worden aangewreven, werden gedetineerd.
 
 
Als protestmiddel werd het geweldloze middel, namelijk het vastketenen aan het hek, gekozen en werden er spandoeken ontrold.
 
Het vastketenen aan een hek is een van de oudste middelen van vreedzaam protest, die reeds werd toegepast door de suffragettes (vrouwen, die met name in Engeland, ijverden voor vrouwenkiesrecht en zich aan het hek van het parlement vastketenden) voor en ten tijde van de Eerste Wereldoorlog.
 
Op een dergelijke actie, die in het Nederland van de zeventiger en begin tachtiger jaren op algemene publieke sympathie had kunnen bogen en met weinig repressie van de kant van de Overheid te maken kreeg, werd nu, althans door de autoriteiten, geheel anders gereageerd.
 
Na de actievoerders aanvankelijk urenlang (vanaf kwart over zes in de ochtend tot elf uur ‘s morgens) ongemoeid gelaten te hebben, waardoor de indruk ontstond, dat er van de kant van de marechaussee (verantwoordelijk voor de handhaving van de orde op de luchtvaartterreinen) niet zou worden ingegrepen, werd alsnog tot arrestatie overgegaan.
 
Het merkwaardige hierbij was, dat er niet alleen geen sprake was van een persoonlijke sommatie aan alle aanwezigen individueel, maar dat na een aan enkelen gegeven sommatie, de gehele protestgroep werd gearresteerd.
 
Gehoor geven aan de sommatie was sowieso niet mogelijk, aangezien het gehele terrein was omsingeld, waardoor iedereen, die zich na de eerste sommatie naar de uitgang begaf, waaronder ik alsnog werd aangehouden.
 
Mijn aanhouding leidde tot enige verbazing bij de aanwezige pers, met wie ik net stond te praten over de redenen van de protestactie.
 
Na een variërende voordetentieperiode [ik werd nog dezelfde dag vrijgelaten] van een tot drie dagen, kreeg iedereen een dagvaarding mee met een rechtszittingsdatum dd 27-2.
 
Overigens was het een bizarre ervaring, gedetineerd te zijn, al was het voor korte tijd, in cellen, die nog steeds brandgevaarlijk waren en in de wetenschap, dat de volgende dag de officiële herdenking zou plaatsvinden, die een aantal gearresteerden vanuit hun cel hebben meegemaakt.
 
B  Rechtszitting
 
De tegen ons aangebrachte aanklacht was vernieling, volgens de bepalingen van artikel 141 a.
Onderin zal ik de links vermelden.
 
Het merkwaardige hiervan echter was, dat iedereen voor hetzelfde feit in beschuldiging gesteld was [openbare geweldpleging tegen personen en goederen, in vereniging] zonder dat individueel kon worden aangetoond, dat er iemand voor de vernieling [het onbruikbaar maken van een kaartlezer aan een van de hekken] verantwoordelijk was.
 
Opvallend was bovendien, dat op de videobeelden wel een vernielde kaartlezer te zien was, maar geen bewijs van vernieling door een van de  protestdemonstranten.
 
Ik reageerde dan ook zeer verbaasd, toen ik de aanklacht hoorde, met de opmerking ”ik heb niets vernield”.
 
Het is evident, dat het gevaar van een dergelijke aanklacht luidt in het collectieve karakter hiervan.
 
Opvallend was ook, dat ons werd aangewreven, dat wij en dan met name de mensen, die aan het hek vastzaten [o ironie, daartegen protesteerden wij juist!] de brandveiligheid in gevaar brachten, terwijl het wel mogelijk was voor de brandweer, via een andere ingang het terrein te betreden [nota bene de ingang, die gesloten was geweest bij de Schipholbrand!].
Bovendien konden de mensen aan het hek zichzelf op eenvoudige wijze losmaken, wanneer het nodig mocht blijken, hetgeen zij ook hadden aangegeven.
 
Een ander tegen ons aangevoerd argument was, dat wij geen gehoor gegeven zouden hebben aan een bevel tot verwijdering, terwijl dat aan mij en een grote groep anderen niet individueel gegeven was.
Eveneens heb ik reeds vermeld, dat wij reeds omsingeld waren en iedereen [waaronder ik] die het bevel niet wilde afwachten en het terrein wilde aflopen, alsnog werd aangehouden.
 
Zonder in detail te treden over alle op de rechtszaak naar voren gebrachte feiten is het voor de lezer interessant te vernemen, welke ruime interpretatie, althans in Nederland, volgens de wet aan het artikel ”vernieling” wordt gegeven.
 
Om ons toch te kunnen veroordelen liet de Officier van Justitie artikel 141 a vallen, aangezien voor “openlijke geweldpleging tegen personen en goederen, in vereniging” ook inderdaad sprake moet zijn van het gebruik van daadwerkelijk geweld.
Bovendien impliceert ”in vereniging” twee tot meer mensen, terwijl op de videobeelden weliswaar te zien was, dat een in het zwart gehuld persoon de richting van het hek van de kaartlezer uitrende en weer terug, maar geen vernieling door hem of haar was geconstateerd.
Ook al zou daarvan echter wel sprake zijn geweest, vernieling door een persoon is niet ”in vereniging” en kon de anderen niet worden aangewreven.
 
Wij waren echter eveneens subsidiair [wettelijk: als artikel 141 a  niet te bewijzen is, dan is de aanklacht op grond van een ander artikel] op artikel 350 aangeklaagd en daarvan maakte de Officier van Justitie handig gebruik, aangezien onder ”vernieling” eveneens wordt gecategoriseerd ”het onbruikbaar maken van enig goed”.
 
Onder onbruikbaar maken ressorteert tevens het blokkeren van een hek, ondanks het feit, dat het daarna weer in gebruik genomen kan worden.
 
Aangezien dit blokkeren vervolgens door meer dan twee mensen is geschied, voerde de Officier vernieling alsnog aan.
 
Nog afgezien van deze formeel juridisch juiste, maar mijns inziens toch enigszins gezochte redenatie blijft het collectieve karakter van de eis [hoewel juridisch dekkend] mij frapperen.
 
Tegen alle gedaagden werd namelijk hetzelfde geeist [40 uur taakstraf en bij onttrekking daaraan, 30 dagen hechtenis].
 
Alleen tegen een gedaagde werd meer geëist, vanwege specifiek aan de zaak gelieerde toegevoegde aanklachten.
 
Uiteindelijk is de uitspraak van de rechter geworden:
 
twee weken voorwaardelijke gevangenisstraf, met een proeftijd van twee jaar, voor iedereen gelijk.
 
In de Nederlandse juridische realiteit houdt dat allang niet meer in, dat je veroordeeld dient te worden voor hetzelfde feit [binnen twee jaar] wil de voorwaardelijke straf worden omgezet in een onvoorwaardelijke, maar dat ieder strafbaar feit reeds tot veroordeling kan leiden.
 
Het is evident, dat een dergelijke naar verhouding zware strafmaatregel in wezen neerkomt op een afschrikking, deel te nemen aan vreedzame protestacties tegen het onrecht.
 
Uiteraard is iedereen in beroep gegaan.
 
Epiloog:
 
Dat is wat ik bedoelde met de prijs, die in het hedendaagse Nederland voor geweldloos verzet tegen het onrecht betaald dient te worden.
 
Terwijl politieke haatzaaiers en pleitbezorgers voor racisme, zoals de heer Wilders [PVV] in de Tweede Kamer ongestoord hun gang kunnen gaan en ook daar niet stuiten op principieel verzet tegen hun gedachtegoed, worden diegenen, die zich bij het onrecht van mensenrechtenschendingen niet willen neerleggen, door voorwaardelijke straffen van verdere protestacties afgehouden.
 
Het zal echter weinig baten, aangezien ik en anderen hierdoor nog vastbeslotener geworden ben, de strijd niet alleen met woorden, maar eveneens met vreedzame acties, voort te zetten.
 
Om zo te voorkomen, dat er een klimaat ontstaat, waarbij iedereen, om welke reden dan ook, terugkruipt in het relatief veilige holletje van werk en gezin en zo de medemens, die eveneens recht heeft op een menswaardig bestaan en een humane behandeling, in de kou laat staan.
 
Afschrikking kan leiden tot intimidatie en intimidatie tot het opgeven van idealen.
 
Laten wij, juist in deze tijd, de strijd tegen het onrecht blijven voortzetten.
 
Anders zullen er slechts verliezers overblijven en kan het onrecht ongestoord zijn gang gaan.
 
 
Ik eindig met mijn in  de rechtszaal voorgelezen procesverklaring:
 
Geachte Edelachtbare, Officier van Justitie, aanwezigen,
 
Een dag voor de officiële herdenking van de Schipholbrand heb ik door deelname aan de protestactie Schiphol Oost willen protesteren .
 
Protesteren tegen het schandelijke feit, dat 11 mensen zonder vereiste papieren zijn omgekomen in brandgevaarlijke cellen door zowel nalatigheid van de ministeries Justitie,  Volkshuisvesting, alsmede Vreemdelingenzaken.
 
De verantwoordelijke ministers zijn afgetreden, maar de dood van deze mensen kan niet ongedaan worden gemaakt.
 
Ook vond ik het onacceptabel, dat ondanks deze brandgevaarlijkheid, dit cellencomplex nog in gebruik was.
Het argument, dat er vrijwel geen illegalen meer aanwezig waren, maar voornamelijk bolletjesslikkers, is voor mij van geen belang.
Geen enkele gedetineerde mag worden blootgesteld aan brandgevaarlijke omstandigheden.
 
Fundamenteel echter wilde ik protesteren tegen de detentie van mensen, die als enige misdaad verweten kan worden, dat zij hetzij vanwege een gevaarlijke situatie in eigen land, hetzij vanwege de hoop op een betere toekomst, naar Nederland gekomen waren.
 
De beschaving van een samenleving is zo sterk als zijn zwakste schakel.
 
Geen enkele vreemdeling zonder de vereiste papieren mag worden gedetineerd, zonder het plegen van een strafbaar feit.

Het vluchten of migreren naar een ander land is niet strafbaar, maar een elementair recht.

 

Astrid Essed

(Uitpers, nr 85, 8ste jg. , april 2007)

 

Bronvermelding:

 

Rapportage Onderzoeksraad voor de Veiligheid tav Schipholbrand

 

http://www.onderzoeksraad.nl/publicaties/ovv/rapport_schipholbrand.pdf

 

Artikel 141 a, Wetboek van Strafrecht

 

Tekst

Artikel 141

1. Zij die openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
2. De schuldige wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie, indien hij opzettelijk goederen vernielt of indien het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
3°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien dat geweld de dood ten gevolge heeft. ”

 

http://mpbundels.mindef.nl/11_serie/11_50/11_50_130.htm

 

 

Artikel 350, Wetboek van Strafrecht

 

Tekst

 

Artikel 350

1. Hij die opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie. 2. Gelijke straf wordt toegepast op hem die opzettelijk en wederrechtelijk een dier dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, doodt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt.”

 

http://mpbundels.mindef.nl/11_serie/11_50/11_50_130.htm

(Visited 3 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 94 Times, 1 Visit today