De groeten aan de koningin

Karin Anema. De groeten aan de koningin. Reis door Suriname. Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2006, 287 blz., ISBN 90-450-1206-5

Karin Anema draagt dit boek op aan Ischa. Haar fascinatie voor Suriname begon eigenlijk met de ziekte van haar zoon. Deze twaalfjarige jongen had ‘de ziekte van Perthes’: een proces van botsterfte, bij hem leidend tot afbraak van de heupkop. Anema hoorde spreken over Pake jr, een beroemde bottendokter uit het Surinaamse binnenland die met kruiden de meest ingewikkelde breuken kon genezen.

Ze trok er met Ischa naartoe en hij kwam zonder rolstoel terug. Dat was een ingrijpende ervaring voor de wetenschapsjournaliste die Anema ook is. Voor haar zeker een goede reden om het land grondiger te gaan verkennen. In 2005 trekt zij opnieuw – en alleen deze keer – naar de ex-Nederlandse kolonie aan de Wilde Kust van Zuid-Amerika.

“De groeten aan de koningin” is het resultaat van haar reis door Suriname en dan voornamelijk naar en door het binnenland. De hoofdstad Paramaribo is niet haar verblijfplaats, maar eerder haar uitvalsbasis om het uitgestrekte land naar vrijwel alle windrichtingen te verkennen. Oostelijk naar de Caraib-indiaanse dorpen van Galibi, maar ook zuidelijk naar de bovenloop van de Marowijne en de Surinamerivier waar marrons, nazaten van de vrijgevochten slaven, en kleine inheemse groepen wonen.

Anema reist niet op de comfortabele manier van de doorsnee toerist, die betaalt om zich lekker te laten verwennen – op tijd en stond een koel biertje – maar zoekt zeer bewust naar geschikte journalistieke invalshoeken die een meerwaarde aan de reis kunnen bieden. Zo belandt ze na een vermoeiende tocht over een geaccidenteerde laterietweg voorbij het Brokopondo-stuwmeer aan de Boven-Suriname vanwaar ze met een korjaal naar het Saramaccanerdop Jaw-Jaw vaart, dat ontstaan is in de jaren zestig nadat de bewoners uit hun ondergelopen dorp Ganzée zijn moeten vertrekken. Dat verhaal tekent ze op uit de mond van enkele oudere bewoners van Jaw Jaw. In plaats van lui in haar hangmat te liggen in een toeristische resort op een eilandje voor Jaw Jaw kiest ze voor gesprekken met oudere dorpelingen. Soms met behulp van een tolk, want hoe verder ze het binnenland ingaat, hoe minder Nederlands zij hoort spreken. Met deze benadering gaat ze voorbij aan het reizen om te reizen. Zij registreert en reconstrueert op een bekwame journalistieke manier wat zij hoort en ziet.

In Jaw Jaw botst ze met die werkwijze niet op noemenswaardige weerstanden, maar tijdens haar bezoek aan de Caraib-dorpen van Galibi loopt het even goed fout. In het hoofdstuk “Euro’s zoeken in Galibi” beschrijft zij zeer uitvoerig wat zij meemaakt tijdens haar bezoek aan Christiankondre waar zij deelneemt aan een pur’ blakka, een indiaans rouwfeest. Daar wordt zij geconfronteerd met de lange tenen en het wantrouwen van het dorpshoofd Ricardo Pané die, al dan niet onder invloed van te veel kasiri (kasave-alcohol), in haar alleen maar een schrijvende Nederlander wil zien die een verborgen programma heeft om er zelf beter van te worden. De verbolgen man verwijst naar Peter Kloos die veertig jaar geleden antropologisch veldwerk in Galibi had gedaan. “Die is professor in Leiden geworden door de kennis die Galibi hem jaren heeft bijgebracht! Wetenschappers stelen de kennis van inheemsen en verdienen daar veel geld aan.” Zijn woedende tirade eindigt met volgende uitsmijter: “Bij jullie denkt Beatrix de macht te hebben, dat is niets, je kunt haar de groeten doen! Ik heb hier de macht! Niemand die mij dat ontneemt” (p. 112)

Bij haar terugkeer in Nederland checkt Anema dat verhaal bij de ex-vrouw van de intussen overleden antropoloog Kloos. Zij zegt: “Nederland zagen de bewoners als een dorp waar iedereen elkaar kende, net als in Galibi. Zij veronderstelden dat wij ook de koningin kenden. Peter moest alles over hun dorp opschrijven en dat aan de koningin laten lezen.” (p. 125)

Dat was duidelijk in een andere tijd, want het respect voor de Nederlandse koningin is lang niet zo groot meer. Anema wordt, in het spoor van Kloos, afgerekend op haar Nederlander-zijn. “Wat betaal je me? Als je naar Suriname kunt reizen, zoveel euro per ticket, en de bus en boot hiernaartoe, waarom zou je dan ook niet rijk genoeg zijn om me te betalen voor mijn informatie?” (p. 107) Die redenering krijgt ze voortdurend onder de neus geschoven. Hoe spring je daarmee om? Anema – en bij uitbreiding iedere journalist en/ fotograaf – heeft het daar moeilijk mee.

Het grootste gedeelte van het boek is een zeer uitvoerige beschrijving van een avontuurlijke expeditie per boot naar met Wayana’s over de Tapanahoni-rivier tot aan de Kasikasimatop, een naakte rots niet zover van de Braziliaanse grens. Anema beschrijft nauwkeurig de zware inspanningen die al de expeditieleden – zij ook – moeten leveren om de korjalen met buitenboordmotor en bagage over en vaak rond de soela’s (stroomversnellingen) te krijgen. Het sterkst is Anema wanneer zij gewoon notuleert wat zij ziet en hoort over de ruige garimpeiros (Braziliaanse goudzoekers), de daarmee gepaard gaande kwikvervuiling, de Amerikaanse zendelingen die de Trio’s en Wayana’s het ware geloof hebben gebracht, de inheemse Surinaamse dorpen die verlaten zijn want de inwoners wonen nu aan de andere van de rivier in het veel rijkere Frans-Guyana. En natuurlijk ook weer haar statuut van toerist, waar zij niet omheen kan. Wanneer zij op bezoek is bij de kapitein van het dorp Apetina, schrijft zij wanneer zijn vrouw allerlei kettingen van noten en vruchten laat zien: “Het is net of ik in Volendam ben, waar ze klederdracht verkopen die ze niet meer gebruiken.” (p.205) Uit korte passages zoals deze blijkt dat Anema meer doet dan alleen maar beschrijven. Ze aarzelt ook niet om transfers te leggen en vergelijkingen te maken met andere situaties en landen waar zij voor eerder werk al heeft rondgetrokken.

Karin Anema behoort tot die grote groep van “Noordoostpassanten die de Nederlandse West aandeden” zoals de Nederlandse kenner van de Surinaamse literatuur Michiel van Kempen schrijft. Voor hem zijn passanten mensen die het gebied uit eigen waarneming hebben gekend, soms enkele dagen op een korte reis, soms van een jarenlang verblijf en een intensieve vereenzelviging met land en volk.

Een jarenlang verblijf is het bij Anema niet geworden – zij blijft een reiziger met alle beperktheden die de conditie van het reizen met zich meebrengt – maar toch is “De groeten aan de koningin” een warm boek geworden van een nieuwsgierig en betrokken iemand, die fraaie en minder fraaie aspecten van een land ontdekt en die bovendien niet te beroerd is om toe te geven dat het vaak om een complex verhaal gaat waar zij niet alle finesses van begrepen heeft. Anema heeft niet alleen een vaardige pen, ook haar foto’s geven een goede inkijk in een stukje Surinaamse natuur en samenleving.

(Uitpers, nr 86, 8ste jg., mei 2007)

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=469506&refsource=uitpers

Over Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).