De grijze Belgische muis brulde even

Jan Balliauw. Brullende muis. De opstand van België tegen Amerika. Uitg. Houtekiet, 2007. 335 bl. 19,95 €

Wie had ooit durven dromen dat het kleine België, nog wel met een liberale eerste minister en een liberale minister van Buitenlandse Zaken, neen zou durven zeggen tegen de Amerikaanse grote broer, toen die zijn bondgenoten opriep om samen Irak aan te vallen? Toch is het gebeurd. De grijze Belgische muis durfde even brullen tegen het grote Amerika. Hoe dat gebeurde beschrijft VRT-televisiejournalist Jan Balliauw in zijn boek ‘Brullende muis’, dat hij de ondertitel ‘De opstand van België tegen Amerika’ meegaf.

Het boek vangt aan bij de gebeurtenissen van 11 september 2001: de aanslagen tegen het World Trade Center in New York, tegen het Pentagon in Washington en in een vliegtuig dat boven Pennsylvania neerstortte. Jan Balliauw brengt minitieus verslag uit over wat er sinds die dag gebeurde in Washington (in de schoot van de Amerikaanse regering), in New York (bij de Verenigde Naties), en in Brussel (binnen de NAVO, de Europese Unie en de Belgische regering). Als journalist bracht hij de jaren na 11 september verslag uit over de gevolgen van die gebeurtenis, vooral voor de Amerikaans-Europese en de Amerikaans-Belgische betrekkingen. Voor het schrijven van zijn boek stak hij zijn licht op bij tal van politici, diplomaten en ambtenaren die sinds 11 september voor of achter de schermen een belangrijke rol speelden. Dat leverde een goed gedocumenteerd en vlot geschreven boek op.

Nauwelijks enkele uren na de aanslagen van 11 september bleek al hoe uiteenlopend, zo niet tegenstrijdig, de Amerikaanse en Europese visies op die gebeurtenis waren. Voor de Amerikaanse regering waren de aanslagen een oorlogsdaad, verkeerden de Verenigde Staten in staat van oorlog en moest bijgevolg oorlog worden gevoerd. Voor de Europeanen ging het om terreurdaden, niet om oorlog. De daders van die terreurdaden moesten worden gevonden en bestraft, terwijl terreur in het algemeen moet worden bestreden en voorkomen. Maar voor Europa is dat het werk van politie en gerecht, niet van het leger.

Ook over de organisatie van de terreurbestrijding liepen de meningen van Amerika en Europa volledig uiteen. Voor de Verenigde Staten stond het Amerikaanse belang voorop. Voor de verdediging daarvan moesten alle regels van de internationale politiek wijken. Geen multilaterale aanpak via de Verenigde Naties. Die is in de ogen van Washington een volledig nutteloze en hinderlijke instelling. De VS kiezen steeds resoluut voor de eenzijdige aanpak. Met andere landen wordt uitsluitend op bilateraal vlak onderhandeld. Europa daarentegen kiest voor de multilaterale weg. Vandaar het verzet van een aantal Europese landen, spijtig genoeg niet van alle, tegen de eenzijdige Amerikaanse oorlog tegen Irak, die volgens de internationale rechtsregels op illegale wijze, want zonder de instemming van de Verenigde Naties, wordt gevoerd.


Solidair met de VS?

De avond van 11 september 2001 was het op het NAVO-hoofdkwartier in Brussel duidelijk dat de NAVO-bondgenoten solidair moesten zijn met de Verenigde Staten. NAVO-secretaris-generaal lord Robertson besliste artikel 5 van het NAVO-handvest in te roepen. Dat verplicht alle NAVO-landen solidair op te treden als een van hen door een ‘gewapende’ aanval wordt getroffen. Op dit artikel 5 was voordien nog nooit een beroep gedaan. Op 12 september gingen de poppen aan het dansen. De Belgische paars-groene regering kon, ondanks sterke Amerikaanse druk, niet meteen instemmen met het inroepen van artikel 5. Vooral vice-premier Johan Vande Lanotte (SP.A) lag dwars. Hij kon de oorlogslogica van dat artikel niet aanvaarden. Voor hem was een terreuraanslag niet hetzelfde als een oorlog. Bovendien zag hij het helemaal niet zitten dat een land (Afghanistan), waarvan de inwoners helemaal niets met de terreuraanslagen te maken hadden, zou worden aangevallen.Ook de groenen, vooral Agalev, hadden de grootste moeite met artikel 5. De liberalen, minister van Buitenlandse Zaken Louis Michel inbegrepen, daarentegen niet. Toen de NAVO-ambassadeurs op 12 september om 20 uur bijeenkwamen, was België het enige NAVO-land dat nog niet met de toepassing van artikel 5 had ingestemd. Uiteindelijk gaf de Belgische regering toch toe, zij het mits de toevoeging van een aantal voetnoten aan de tekst van lord Robertson. In die voetnoten werd onder meer gezegd dat voor mogelijke militaire operaties in het raam van artikel 5 een nieuwe beslissing van de NAVO-raad nodig was. België had voor de eerste keer dwarsgelegen en werd door Washington en de NAVO meteen met een scheef oog bekeken.

De ‘State of the Union’ die de Amerikaanse president George W. Bush op 29 januari 2002 voor het Amerikaanse Congres uitspreekt zorgt voor nieuwe spanningen tussen de VS en een aantal Europese bondgenoten. Bush lanceert er het begrip ‘As van het Kwaad’ en laat duidelijk verstaan dat vooral Irak moet worden aangepakt. Zijn ultra-conservatieve omgeving dringt daar al jaren op aan. Duitsland en Frankrijk laten meteen weten dat van een oorlog tegen Irak geen sprake kan zijn zonder resolutie van de VN. De Belgische eerste minister Guy Verhofdstadt (VLD) sluit zich daarbij aan en ziet geen verband tussen terrorisme en Irak.Verhofstadt wil de voorrang geven een de diplomatie en de toepassing van de internationale rechtsregels. Een sterk staaltje van de Europese verdeeldheid en zwakte wordt op de Europese top van Barcelona (2002) ten beste gegeven. Als Verhofstadt op die bijeenkomst van de regeringsleiders van de EU-landen voorstelt het dossier Irak te bespreken, wordt hij onmiddellijk door Britten en Fransen onderbroken, met als argument dat de EU-landen het daarover toch niet eens zijn. Op die top wordt wel de basis gelegd voor een Frans-Duits-Belgische coalitie tegen de Amerikaanse oorlog tegen Irak. Het zal nog een jaar duren alvorens de EU-leiders het onderwerp Irak bespreken. Op dat ogenblik is een Amerikaanse aanval tegen Irak niet meer te vermijden

Hoe afhankelijk Europa van de Verenigde Staten wel is blijkt uit het verzoek van de Belgische minister van Buitenlandse Zaken, Louis Michel, aan zijn Amerikaanse ambtsgenoot Colin Powell om het sturen van een diplomatieke EU-missie naar Irak te steunen. Zonder VS-zegen was de Europese Unie daar blijkbaar niet toe in staat. Die missie had Irak twee eisen moeten stellen: de onvoorwaardelijke terugkeer van de VN-inspecteurs die moesten nagaan of Irak over massa-vernietigingswapens beschikte en de oprichting van een meerpartijenstelsel. Als Irak daar niet zou op ingaan, zou Michel de Amerikaanse invasie van Irak steunen. Daaruit blijkt welke dubbelzinnige rol Michel speelde. Want tegelijkertijd ontpopte hij zich tot het boegbeeld van het verzet tegen de oorlog tegen Irak. Zijn ‘verzet’ tegen die oorlog speelde Louis Michel trouwens electoraal uit. Hij haalde daarom nog scherper naar de Amerikanen uit dan zijn collega van Defensie, de socialist André Flahaut, en probeerde op die manier de kiezers van Ecolo voor zich te winnen.

Binnen de NAVO breekt een nieuwe crisis uit, met alweer België in de hoofdrol, als Turkije de NAVO om beschermende maatregelen vraagt tegen eventuele Iraakse acties. Frankrijk, Duitsland, België en aanvankelijk ook Luxemburg verzetten zich hiertegen, omdat soortgelijke maatregelen als een voorbereiding en dus goedkeuring van een oorlog tegen Irak kunnen worden beschouwd. NAVO-secretaris-generaal Robertson stelt voor militair materieel naar Turkije te sturen. België en Frankrijk spreken hiertegen een veto uit. Onder enorme Amerikaanse druk doet Duitsland dat niet en stemt uiteindelijk met de voorstellen in. De NAVO neemt dan zijn toevlucht tot een handig trucje om Frankrijk buitenspel te zetten. Dat land maakt geen deel uit van de militaire structuur van de NAVO. Daarom wordt beslist de zaak verder te bespreken in de schoot van het ‘Defense Planning Comittee’. Frankrijk maakt daar geen deel van uit en tekent geen bezwaar aan tegen het manoeuvre. België staat dus helemaal alleen. Opnieuw stelt de Belgische regering een aantal voorwaarden. Daar wordt in een nieuwe tekst van de NAVO-beslissing op ingegaan. Hierin wordt gezegd dat de NAVO de inspanningen van de Verenigde Naties om een vreedzame oplossing voor de crisis te vinden blijft ondersteunen en dat de beslissing om beschermende maatregelen voor Turkije te nemen geen weerslag heeft op gelijk welke andere operatie van de NAVO. Hoewel de Amerikaanse NAVO-ambassadeur Burns onmiddellijk opmerkt dat er nooit sprake kan zijn van een koppeling tussen de acties van de NAVO en van de VN, beschouwt de Belgische regering de verwijzing naar de VN als een overwinning. De NAVO-beslissing wordt zonder verdere discussie uitgevoerd. Het militair materieel wordt aan Turkije geleverd. Voor Washington levert dat evenwel niet het verhoopte resultaat op. Turkije weigert het gebruik van zijn grondgebied voor een Amerikaanse inval in Irak.



Amerikaanse chantage

Daarmee is de rol van België als dwarsligger nog lang niet uitgespeeld. In januari 2003 wordt de burgemeester van Sint-Niklaas, Freddy Willockx, gevraagd zijn politie een oogje in het zeil te laten houden als Amerikaans militair materieel langs de haven van Antwerpen wordt getransporteerd. Willockx weigert dit omdat hij die transporten als een voorbereiding van de oorlog tegen Irak ziet en daar als pacifist niet mee kan instemmen. Omdat de Belgische regering ook tegen die oorlog gekant is, zou ze normaal gesproken de Amerikaanse transporten moeten verbieden. Op grond van een geheim akkoord van 1971 kan dat echter niet. Dat akkoord waarborgt Amerikaanse militairen de doortocht over Belgisch grondgebied. De Belgische regering moet plooien. Agalev en Ecolo laten hun aanvankelijk verzet tegen de transporten vrij vlug varen. Maar tijdens verkiezingsdebatten verklaren de ministers van Defensie, André Flahaut, en zijn collega van Buitenlandse Zaken, Louis Michel, dat er van Amerikaanse transporten geen sprake kan zijn als de VS Irak zonder VN-mandaat binnenvallen. Washington grijpt dan naar het wapen van de chantage. Als België niet toegeeft, zullen de Verenigde Staten niet langer bijdragen tot de bouw van een nieuwe NAVO-zetel in Brussel; zal Washington de Belgische kandidatuur voor het voorzitterschap van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en voor het lidmaatschap van de Veiligheidsraad van de VN niet langer steunen en zal de haven van Antwerpen worden geboycot. Eerste minister Guy Verhofstadt verplicht Flahaut en Michel hun uitspraken in te trekken en de transporten gaan gewoon door.

Tijdens die hele woelige periode trapt België nogmaals op de Amerikaanse tenen met zijn genocidewet, ook de wet van de brullende muis genoemd. De wet laat vervolgingen toe tegen personen die verdacht worden van volkerenmoord en van misdaden tegen de menselijkheid. De traditionele onschendbaarheden gelden niet langer in het raam van die wet. Ook personen in functie, zoals staatshoofden en regeringsleden, kunnen ondanks hun internationale immuniteit worden vervolgd. De wet geeft de Belgische rechtbanken een universele bevoegdheid. Vanuit ieder land ter wereld kan gelijk wie bij de Belgische rechtbanken een klacht indienen tegen gelijk wie, ook voor misdrijven die niets met België te maken hebben en tegen personen die zich niet in België bevinden. Het aantal klachten uit binnen- en buitenland is niet te te tellen. De Israëlische eerste minister Ariel Sharon, de Congolese minister van Buitenlandse Zaken, Yerodia, de voormalige Amerikaanse president George Bush sr., de huidige Amerikaanse vice-president en voormalige minister van Defensie, Dick Cheney en de gewezen Amerikaanse stafchef en nadien minister van Buitenlandse Zaken, Colin Powell, de Amerikaanse opperbevelhebber tijdens de invasie van Irak, Tommy Franks, delen in de prijzen. De woede in Washington en Jeruzalem is niet te meten. De Amerikaanse chantagemachine tegen België werkt opnieuw op volle toeren.Het Internationaal Gerechtshof in Den Haag veroordeelt België. De Belgische Kamer van Inbeschuldigingstelling stelt dat vervolgingen alleen maar kunnen als de beschuldigden zich op het ogenblik van de aanklacht in België bevinden. Het Hof van Cassatie verwerpt echter de uitspraken van de Kamer en herstelt de universaliteit van de genocidewet. Die wordt door de Belgische regering herhaaldelijk afgezwakt tot ook de universaliteit ervan verdwijnt. Einde van de genocidewet. Klachten die op grond van de wet werden ingediend, zoals tegen Sharon en Bush sr., verdwijnen. Pas dan zijn de Amerikanen tevreden en hervatten ze de betalingen voor de bouw van een nieuwe NAVO-zetel in Brussel.

Voor de eeuwig optimistische Guy Verhofstadt betekent een en ander geen nederlaag. Bij de vorming van zijn tweede regering verklaart hij op 14 juli 2003 voor het parlement dat de grondige wijziging van de genocidewet geenszins betekent dat het buitenlands beleid van België opnieuw zo grijs zal zijn als een muis. Toch maakt de nieuwe regering werk van het herstel van de betrekkingen met de VS. België stuurt extra militairen naar Afghanistan en is bereid Iraakse politiemensen, rechters en ambtenaren buiten het Iraakse grondgebied op te leiden. Op persoonlijk vlak lijdt Verhofstadt wel een nederlaag. De Britse eerste minister Tony Blair, trouwe vazal van Washington, belet dat Verhofstadt voorzitter van de Europese Commissie wordt. Iemand die zo dikwijls tegen de Amerikaanse schenen durft schoppen is geen betrouwbare figuur. De nieuwe Commissievoorzitter wordt de toenmalige Portugese eerste minister José Manuel Barroso. Die speelt enkele dagen voor de Amerikaanse invasie van Irak nog gastheer voor een oorlogsberaad op de Azoren waaraan de Amerikaanse president George W. Bush, de Britse eerste minister Tony Blair en de Spaanse eerste minister José Maria Aznar deelnemen. De Europese regeringsleiders kiezen voor iemand uit het oorlogskamp en niet voor iemand uit het antioorlogsramp. Verhofstadt verspeelt in Washington ongetwijfeld ook veel krediet door zijn pleidooi voor de oprichting van een Europese pijler binnen de NAVO. Om een Europees defensiebeleid uit de grond te stampen nodigt Verhofstadt Frankrijk, Duitsland en Luxemburg uit voor een speciale defensietop, die door Verhofstadts tegenstanders smalend de pralinetop wordt genoemd. Die vindt op 29 april 2003 plaats. Dat de vier landen die zich tegen de oorlog tegen Irak kantten zo’n initiatief nemen vindt uiteraard geen genade in de ogen van Washington. Vooral het voorstel van Verhofstadt om in Tervuren een Europees militair hoofdkwartier op te richten doet de Amerikanen opnieuw stijgeren. De vier deelnemers aan de defensietop laten het woord hoofdkwartier vallen en nemen genoegen met een ‘planningscapaciteit’ die niet in Tervuren wordt gevestigd, maar wel bij de militaire staf van de Europese Unie aan de Brusselse Kortenberglaan haar intrek neemt. Voor Verhofstadt is dit een bevredigend resultaat.

 

Slippertjes

Het boek van Jan Balliauw is een staaltje van journalistiek vakwerk. Toch laat hij zich op enkele slippertjes betrappen die hopelijk het gevolg zijn van enige verstrooidheid. Zo citeert hij de toespraak die George W. Bush hield bij de aanvang van zijn tweede ambtstermijn. Bush zei hierin: ‘De grootste hoop voor vrede in onze wereld bereiken we door de verspreiding van vrijheid in de hele wereld.’ Balliauw voegt hier onmiddellijk aan toe: ‘Vrijheid is een thema waarin ook Europa zich kan vinden.’ Spijtig dat een zo ervaren journalist niet begrepen heeft dat ‘de verspreidinig van de vrijheid in de hele wereld’ in de mond van Bush niets anders betekent dan de verdediging van de Amerikaanse belangen in de hele wereld. De auteur schrijft verder dat ‘ook de Europese landen die kritisch stonden tegenover de inval in Irak beseffen dat de situatie fundamenteel is veranderd. Irak heeft nu een democratisch verkozen parlement, waartegen de kritische landen in Europa moeilijk ‘neen’ kunnen zeggen.’ De auteur schijnt niet te begrijpen dat in een door de Amerikanen bezet land geen sprake kan zijn van democratische verkiezingen. Als tijdens de Duitse bezetting van België hier verkiezingen waren georganiseerd, zou toch niemand die democratisch durven noemen.

In het begin van zijn boek citeert Jan Balliauw Louis Michel. Die zegt dat hij als liberaal altijd een voorstander was van goede transatlantische betrekkingen en dat het voor hem vroeger uitgesloten was standpunten in te nemen die de Verenigde Staten konden verzwakken. Dat Michel en zijn eveneens liberale geestesgenoot Guy Verhofstadt wel voor de nodige wanklanken in het Atlantische kamp zorgden, mag rekening houdend met de traditionele slaafse onderworpenheid van België tegenover de VS een mirakel worden genoemd. Al moet er aan worden toegevoegd dat de Belgische brullende muis op tijd en stond opnieuw in haar holletje moest kruipen. Of België op het internationale toneel nu meer te vertellen heeft dan vroeger moet nog blijken. Dat zal vooral afhangen van de nieuwe Belgische regering. Tijdens de regeringsonderhandelingen werd al duidelijk dat oranje-blauw vooral werk zal maken van een ‘normalisering’ van de betrekkingen met de VS. Dat Yves Leterme dezelfde standpunten zal durven innemen als Guy Verhofstadt is zo goed als uitgesloten. Men durft er niet aan denken dat Leterme in 2003 eerste minister zou zijn geweest. Had hij neen durven zeggen tegen de oorlogsgeilheid van Bush? Als men voortgaat op de Atlantische trouw van vorige christen-democratische eerste ministers is het antwoord neen.

(Uitpers, nr 91, 9de jg., november 2007)

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link: http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=676838&refsource=uitpers

(Visited 7 times, 1 visits today)
Deel dit artikel