De georganiseerde daling van de koopkracht

De voorbije paar jaar zijn in de kranten geregeld stukken te lezen over de voortschrijdende armoede in België. “Een op de acht Belgen is arm” titelde De Morgen op 14 augustus 2007. Metro deed het op 17 oktober nog beter met “Een op zeven Belgen is arm”. Inmiddels had De Morgen, op 4 oktober, de gemiddelde Belg al gewaarschuwd: “Jan Modaal gaat sombere financiële toekomst tegemoet”.

Dat laatste werd een nog nijpender probleem door de voortdurende prijsstijgingen. De prijs van een vat olie bereikte op een bepaald moment 100 dollar, maar zakte inmiddels weer tot onder de 90 dollar – wat een historisch hoge prijs blijft betekenen. Die repercussies heeft op de kosten van elektriciteit en gas. De druk werd zo groot dat de regering zich gedwongen zag een stookoliefonds op te richten voor de mensen die hun energiefacteur niet meer kunnen betalen.

En de plannen van de Europese Unie voor meer biodiesel gaven de voedselprijzen, die net als alle andere grondstoffen de voorbije jaren ook al flink de hoogte ingingen, een nieuwe

opstoot. We spreken dan nog niet eens over de enorme stijging van de kostprijs van huisvesting. “Jan Modaal” kan zich in feite geen woning meer veroorloven en zal binnenkort, eens de huurprijzen aangepast zijn aan de gestegen waarde van het vastgoed, ook nog nauwelijks huur kunnen betalen.

Het is prijzenswaardig dat de Belgische en de andere Europese regeringen zich nu plots zorgen beginnen te maken over de armoede en de dalende koopkracht – ook al wordt die daling in een achterhoedegevecht nog betwist door de patroonsorganisaties[1]. Maar over de oorzaken zwijgen ze in alle talen. Nochtans is de achteruitgang louter het gevolg van een bewuste politieke keuze van de regeringen, van de Europese instanties en van internationale organisaties als Internationaal Muntfonds, Wereldbank enz. de voorbije dertig jaar[2].

Sedert de oliecrisis van halfweg de jaren 1970 een enorme schok teweeg bracht, werd het neoliberalisme overal gepromoot als de enige remedie. En met de val het communisme eind de jaren ’80 was een sociaal en menselijk gezicht voor het kapitalisme niet meer nodig. Er was immers geen ideologische concurrentie mee. Men ging zelfs zover neoliberale economische politiek te willen vergrendelen in de Europese grondwet, die echter in 2005 in Frankrijk en Nederland werd weggestemd. Maar inmiddels is hij tersluiks – en uiteraard totaal ondemocratisch – weer binnengesmokkeld via het in december 2007 ondertekende Verdrag van Lissabon.

Eén van de sleutelpunten van het neoliberalisme is het verminderen van de lonen en afbouwen van de sociale voorzieningen. En dat wordt wereldwijd toegepast. Er wordt de bevolking ingehamerd dat ze moet “inleveren” zoals dat in “newspeak” zedig wordt gezegd. Dat er moet worden bespaard op de “onbetaalbaar” wordende sociale voorzieningen en uitkeringen, dat de mensen eigenlijk zelf voor hun pensioenen, ziekte- en onderwijskosten moeten gaan instaan. Eigenlijk wordt er beweerd dat hoe armer de grote massa wordt, hoe beter het voor “iedereen” is. In feite betekent dit “iedereen” natuurlijk een beperkte groep mensen van nauwelijks enkele percenten[3].

Die groep profiteert niet alleen van de “inleveringen”, maar ook van staats- en Europese subsidies allerhande – alhoewel die groep zegt tegen subsidies te zijn terwijl hij die gretig binnenrijft – en van serieuze belasting- en lastenverminderingen enz. Via de “mondialisering” wordt dit model over de hele wereld uitgedragen en met dreiging en chantage opgelegd aan armere landen, zoals de Europese Unie dat momenteel met zijn EPA’s (Economische Partnerschapsakkoorden) met zijn voormalige Afrikaanse en Caribische koloniën probeert te doen.

Het is de evidentie zelf dat als de lonen achteruitgaan, de koopkracht vermindert. Door die daling van de lonen, de productiviteitsstijgingen (vooral hoger arbeidsritme dat de werknemers wordt opgelegd onder mom van “flexibiliteit” e.d.) en het effect van gunstmaatregelen allerhande zijn de winsten van de bedrijven omhoog geschoten. Onder de klassieke economische theorie zou die winstaccumulatie moeten leiden tot meer investeringen, meer jobs en op termijn ook tot betere lonen ten gevolge van krapte op de arbeidsmarkt. Maar daar is weinig of niets van te merken, evenmin als van lagere prijzen die logischerwijs het gevolg zouden moeten zijn van de zgn. “verbeterde concurrentiekracht”. Integendeel, alle prijzen stijgen door de roep om steeds meer winst en door de vorming van monopolies en al dan niet feitelijke kartels. Zo verhogen de grote Belgische banken systematisch de kosten, maar weigeren ze, speculerend op de inertie van vele klanten, een marktconforme rente op spaarboekjes te betalen, waardoor “markteconomie” nogmaals een gemanipuleerde mythe lijkt.

Kortom er gaan enorme bedragen naar een kleine groep mensen in en rond ondernemingen, die geen industriële logica meer hanteren, enkel nog een financiële. In plaats van te investeren in onderzoek en ontwikkeling wordt meer en meer de voorrang gegeven aan kopen en verkopen. Aan financiële spelletjes dus. Alles moet zo snel mogelijk zoveel geld opbrengen [4].En bovendien wordt er zwaar gegokt in de hoop nog meer winst binnen te rijven. Dit soort casinokapitalisme is dan ook één van de voornaamste oorzaken van de al enkele maanden aanslepende beurscrisis, die de economie destabiliseert. Maar geen nood: de gokkers kunnen rekenen op de steun van de FED (Amerikaanse centrale bank), de Europese Centrale Bank en andere instellingen die massaal geld pompen in de markt om de verliezers te redden.

De scheeftrekking van de verdeling van het nationale inkomen, en de daarmee gepaard gaande verarming en toenemende inkomenskloof, is georganiseerd door de regeringen, de EU enz.. Om alles terug recht te trekken is er geen liefdadigheid nodig in de vorm van hulpfondsen. Het is een politiek probleem. Maar de neoliberale logica is zover doorgedrongen in het discours dat zowat alle sociaal-democratische en ook groene partijen die logica hebben overgenomen. Om nog te zwijgen van de vakbonden. Meer nog, ze willen elke discussie daarover ontwijken. Zo werd in het Belgische parlement het ontwerp van neoliberale Europese grondwet zonder enig debat – op bevel van onder meer de socialistische partijen Spa en PS – goedgekeurd. Belgische leden van die van partijen en oud-vakbondsleiders in het Europees Parlement gingen in Frankrijk zelfs (vergeefs) campagne voeren voor de goedkeuring van de grondwet.

En nu duidelijk is geworden dat kiezers, zoals Nederlanders en Fransen dat bewezen, “onbetrouwbaar” zijn, wordt er langs alle kanten gemanoeuvreerd en gemanipuleerd om referenda te vermijden over het Verdrag van Lissabon. Nochtans zou een regelrechte aanval op het neoliberalisme logischerwijs een kolfje naar de hand van de socialisten moeten zijn. Maar die vergapen zich liever op het “centrum” om stemmen te winnen, niet meer op de armen (of mooier gezegd “minder begoeden”), tientallen jaren lang hun basis en hun bestaansreden. De laatste Belgische verkiezingen hebben aangetoond dat de socialisten zich fel verkeken hebben op dat “centrum”, waar ook liberalen en christen-democraten op azen.

Het is eigenlijk een beetje potsierlijk Vlaamse neobelgicisten te horen zeggen dat het Vlaamse patronaat achter het Vlaamse zelfstandigheidsstreven zit in de hoop een onafhankelijk Vlaanderen een strikt neoliberaal beleid te kunnen opleggen. Alsof dat al niet jaren lang het aan de gang is in de unitaire Belgische staat!

Het verzet tegen de neoliberale orde in Europa is het werk van kleine groepen, al dan niet binnen de bestaande partijen. Maar een serieuze reactie is er de voorbije jaren in de eerste plaats gekomen in Latijns-Amerika. In landen als Venezuela, Brazilië, Argentinië, Bolivia, Ecuador enz., die (proberen) het over een andere boeg te gooien en, tegen de neoliberale logica en principes in, het lot van de armsten te verbeteren. Wat uiteraard in Washington en in Europa met een scheef oog wordt bekeken. Vandaar de aanhoudende pogingen om de regeringen van Hugo Chávez in Venezuela en van Evo Moralez in Bolivia omver te werpen om, zoals dat heet “de democratie te herstellen”, terwijl juist de democratie het doelwit van hun subversie is.

In Europa en de VS komen de eerste bedenkingen tegen de huidige gang van zaken merkwaardig genoeg niet van vakbonden en “linkse” partijen, maar van het kapitalistische en neoliberale establishment. Onverdachte kranten als de oerconservatie Wall Street Journal en in Europa The Financial Times beginnen er kritische artikelen over te publiceren. In Washington liet Alan Greenspan, de ex-voorzitter van de FED, die zich voor de rest wel van den domme houdt wat betreft de oorzaak van de koopkrachtdaling, alarmerend uit over de achteruitgang van de lonen in het nationaal inkomen. Hij zei te vrezen voor “een verlies van politieke steun aan de vrije markt als het loon van de gemiddelde Amerikaanse arbeider op korte termijn niet sneller gaat verhogen”[5].

Ook de Bank voor Internationale Betalingen in Bazel deed een opmerkenswaardige vaststelling: “Het aandeel van de winsten is momenteel ongewoon hoog (en het aandeel van de lonen ongewoon laag). In feite heeft de omvang van deze evolutie en de waaier van betrokken landen geen precedent in de 45 laatste jaren.”[6]

Verbazingwekkender nog is de kritiek van de Europese Commissie, nochtans een gangmaker wat betreft “loonmatiging”, en de afbraak van koopkracht en sociale voorzieningen en begunstiger van monopolies (die ze officieel bestrijdt). In een rapport over de evolutie van arbeid en werkgelegenheid bevestigt ze dat het aandeel van de lonen uit arbeid in het totale inkomen van de EU sinds 1960 nooit lager was. En, meer nog, ze laat zich daar bezorgd over uit in een begeleidende mededeling. Zo stelt ze dat het sociaal-economisch belang van het loonaandeel bezwaarlijk overschat kan worden. Ze bepaalt de inkomensverdeling van de gezinnen, de sociale cohesie, de samenstelling en de groei van de binnenlandse vraag. “Kortom”, aldus de Commissie, “ze raakt aan fundamentele vragen inzake rechtvaardigheid, economische efficiëntie en macro-economische stabiliteit” [7]. Meer dan merkwaardig genoeg zijn dit commentaren die men nog altijd niet hoort bij linkse partijen en vakbonden!

(Uitpers, nr 94, 9de jg., februari 2008)

Voetnoten:

[1] Zo stelt Unizo dat de lonen tussen 2000 en 2007 4% meer gestegen zijn dan de inflatie (De Standaard, 25.01.2008: “Lonen gaan meer omhoog dan inflatie”). Daarbij wordt gemakshalve vergeten dat de productiviteit veel meer gestegen is dan 4%, dat er geen volledige loonindexatie is in België en dat een deel van de indexering naar de belastingen gaan. Evenmin wordt rekening gehouden met de achteruitgang van de lonen. Zo zijn de lonen van startende journalisten bv. begin de jaren ’90 met zowat 30% verminderd terwijl de jaarlijkse verhogingen fel in tijd zijn beperkt en carrièremogelijkheden bijna onbestaande zijn geworden. Een ander voorbeeld: in de distributiesector maken we het nog geregeld mee dat werknemers plots hetzelfde werk aan de helft van het vroegere loon moeten gaan doen.

[2] We mogen ook de vakbonden niet vergeten. De dramatische daling van de koopkracht is mee het werk van de christelijke vakbond ACV, die via geheim overleg in het Semois-dorpje Poupehan mee aan de basis lag van de devaluatie van de Belgische frank in 1982 en van de daarmee gepaard gaande “begeleidingsmaatregelen”, die de nog steeds aanhoudende daling van de koopkracht inzetten.

[3] Zo verdienden 1% van de rijkste Amerikanen 21,2% van het hele nationale inkomen in 2005 tegenover 19% in 2004. Daarentegen bedroeg het aandeel van de 50% laagste loontrekkenden slechts 12,8% van alle inkomens, tegenover 13,4% in 2004. (The Wall Street Journal, 12 oktober 2007 “Boom in financial markets parallels rise in share for wealthiest Americans”).

[4] Zo hoort men meer en meer dat een onderneming eigenlijk geen kapitaal meer moet hebben, maar kan werken met geleend geld. Vandaar dat meer en meer ondernemingen kapitaalsverminderingen doorvoeren. Een mooi voorbeeld is Telenet, ooit een Vlaams toekomstgericht initiatief, dat echter onder de privatiseringsdruk van de EU werd verkocht. De laatste Amerikaanse koper haalde zijn investering er bijna onmiddellijk uit via de truc van de kapitaalsverlaging. De tv- en internetgebruiker daarentegen mag opdraaien voor de financieringskosten én voor de winsten van de Amerikaanse hoofdaandeelhouder.

[5] François Ruffin, Partage des richesses, la question taboue, in Le Monde Diplomatique, januari 2008, blz. 2

[6] Ibidem

[7] De Standaard, 27.11.07: “Aandeel lonen in totaal EU-inkomen lager dan ooit”.

(Visited 3 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 59 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Paul Vanden Bavière

Paul Vanden Bavière (°1944) is historicus en journalist. Hij werkte een 30-tal jaar in de gedrukte pers als journalist gespecialiseerd in buitenlandse politiek. Vooral het Midden-Oosten, waarover hij ook enkele boeken publiceerde. Toen de media veel te veel “mainstream” – d.w.z. gezagsgetrouw – en commercieel werden, richtte hij met enkele mensen in 1999 Uitpers, het eerste Nederlandstalig webzine voor Internationale politiek, op met de bedoeling weerwerk te bieden aan de mainstream media (MSM).

zie ook