De Franse Vijfde Republiek en de schaduw van Algerije

Frank Renken, ‘Frankreich im Schatten des Algerienkrieges. Die Fünfte Republik und die Erinnerung an den letzten grossen Kolonialkonflikt’, V&R Unipress, Göttingen, 2006, 569 blz., 69 euro, ISBN 978-3-89971-300-8.

Onze zuiderburen hebben op 6 mei Nicolas Sarkozy verkozen tot zesde president van de Vijfde Republiek. De stichter van deze republiek, generaal Charles de Gaulle, keek vanuit zijn graf in Colombay-les-Deux-Églises toe en zag dat het goed was. Het was lang geleden dat ‘la grandeur de la France’, ‘les valeurs nationales’, ‘l’identité nationale’, de tricolore en de Marseillaise nog zo prominent in een verkiezingscampagne aanwezig waren. (1)

Op de verkiezingsmeetings werd de Franse nationale driekleur met enthousiasme gehesen. De Marseillaise werd uit volle borst meegezongen niet alleen door de aanhangers van de neonazi en voormalige parachutist Jean-Marie Le Pen of de rechtse kandidaat Nicolas Sarkozy en zijn centrumrechtse tegenstrever François Bayrou. Ook op de meetings van de sociaal-democratische coryfee, Ségolène Royal, en de communistische kandidate Marie-George Buffet schalde de nationale hymne door de zaal. ‘Vive la France!’ ‘Vive la République!’ Le Pen kon er niet om lachen dat zijn belangrijkste rivalen zich van zijn symboliek hadden meester gemaakt…

De Vijfde Republiek is een product van het Franse kolonialisme. De mythe van de Franse ‘grandeur’ die zo nadrukkelijk aanwezig was tijdens de voorbije verkiezingscampagne is niet nieuw. Ze kan niet eens als een uitvinding van de vader van ‘la nation’, Charles de Gaulle, worden beschouwd. Over deze Vijfde Republiek hangt nog steeds de schaduw van de oorlog in Algerije. Dat is de hoofdtoon van een bijzonder lijvige studie van de Duitse politicoloog Frank Renken. (2) De oorspronkelijke titel van Renkens onderzoek luidde ‘Die Erinnerung and den Algerienkrieg als Gegenstand der politischen Auseinandersetzungen in Frankreich’ (De herinnering aan de Algerijnse oorlog als thema van de politieke discussie in Frankrijk). Op het eerste gezicht mag het vreemd lijken dat uitgerekend een Duitse wetenschapper zich buigt over de manier waarop de Fransen er niet in geslaagd zijn om in het reine te komen met hun weinig fraaie koloniale verleden. Frank Renken geeft meteen aan dat dit niet zo verwonderlijk is. In Duitsland hebben ze ook niet echt een roemrijke traditie om sereen en vooral met open vizier de balans op te maken van het eigen verleden. De Duitsers worstelen nog steeds met hun nationaal-socialisme en sinds de hereniging van Oost- en West-Duitsland slagen ze er ook niet in om hun naoorlogse geschiedenis (het DDR- en BRD-verleden) op een rij te krijgen.

Kolonialisme, grondslag van Franse ‘grandeur’

Politici in onze hedendaagse geglobaliseerde en gemediatiseerde wereld houden er absoluut niet van bestempeld te worden als dragers en verdedigers van een heersende ideologie. Een van de grote verdiensten van Renkens boek is precies dat het glashelder aantoont dat er in Frankrijk wel degelijk een heersende ideologie bestaat en dat die doordrongen is van de koloniale doctrine.

“Zoals de opgang van Frankrijk tot een grote koloniale mogendheid de Franse politiek bepaalde, zo ontwikkelde de Franse koloniale mythe zich ook tot een centraal bestanddeel van de heersende ideologie,” aldus Renken. “De nationale grandeur van Frankrijk was een aanspraak die werd afgeleid uit het bestaan van een imperium, dat qua oppervlakte alleen door het Britse rijk werd overvleugeld. Met een opmerkelijke openheid benadrukte Charles de Gaulle de ideologische functie van de onderwerping van achtergebleven gebieden onder de vlag van de Franse natie, die in conflict was met zijn imperialistische concurrenten,” stelt de auteur. “En uitgerekend de Gaulle is de man wiens naam verbonden blijft met de dekolonisering van Afrika en de beëindiging van de laatste grote koloniale oorlog in Algerije.”

Frank Renken citeert uit de mémoires van de illustere Franse generaal en grondlegger van de Vijfde Republiek. “Ooit heeft ons land een geweldige en roemrijke prestatie geleverd om al zijn afhankelijke gebieden te veroveren, te ordenen en nuttig te maken,” noteerde de Gaulle. “Met zijn koloniaal epos heeft ons land zich willen troosten voor het verlies van zijn overzeese gebieden in de zeventiende en achttiende eeuw en later voor zijn nederlagen in Europa in 1815 en 1870…”

En ook in de jaren van de diepste nationale vernedering, die Frankrijk ooit heeft moeten ondergaan, tijdens de nazibezetting in de Tweede Wereldoorlog, putte de Franse politieke elite en de roemruchte generaal de Gaulle ‘troost’ in de koloniale grootheid van het land. Wereldrijk = wereldmacht = grandeur. Deze formule “moest leidinggevende Franse officieren en andere invloedrijke delen van de Franse maatschappij motiveren bij hun breuk met het regime van maarschalk Philippe Pétain, die voor het Duitse invasieleger gecapituleerd had en zich tot collaboratie bereid toonde. Via de radio verklaarde de Gaulle op 18 juni 1940 tijdens zijn oproep om de oorlog tegen nazi-Duitsland voort te zetten: ‘Maar is het laatste woord gesproken? Neen!… Want Frankrijk staat niet alleen! Het staat niet alleen. Het staat niet alleen! Het heeft een uitgestrekt rijk achter zich.’ Bij de tweede verjaardag van deze oproep, op 18 juni 1942, herhaalde de Gaulle het thema van de eenheid van alle ‘Vrije Fransen’ (zoals de anti-Duitse krachten zich noemden, in tegenstelling tot de onderworpen Fransen die onder de nazi-bezetting en het collaboratieregime van Pétain leefden n.v.d.a): ‘Er is een element dat in deze tijden van zware beproeving zijn essentiële waarde voor de toekomst van de natie en zijn noodzakelijkheid voor haar grandeur bewezen heeft. Dat element is het koloniale rijk. Daarom is de Franse natie zich bewust geworden van de betekenis van haar imperiaal werk en van de diepe solidariteit met de koloniale onderneming. Vastberaden houden wij, in het belang van Frankrijk, vast aan de integriteit van het koloniale rijk.’ Tegenover de toestand van verzwakking, waarin Frankrijk op het einde van de Tweede Wereldoorlog was terechtgekomen, de zware economische ontreddering en het maar nauwelijks overwonnen trauma van de militaire ineenstorting van 1940, leek het koloniale imperium in de globale nieuwe opdeling van de naoorlogse nieuwe wereldorde een onontbeerlijk tegengewicht om te beletten dat Frankrijk zou afglijden naar de status van tweederangsnatie,” aldus Frank Renken. “De uitsluiting van Frankrijk van de overwinnaarconferenties van Jalta en Potsdam in 1945 was voor de Gaulle, die op dat ogenblik aan het hoofd stond van de Voorlopige Regering van de Franse Republiek, een nauwelijks te verdragen gedachte. De strijd voor de vrijwaring van het eigen koloniale rijk maakte deel uit van de strijd tegen ‘de geest van Jalta’. Daardoor liet Frankrijk zich na de Tweede Wereldoorlog verleiden tot een desastreuze koloniale oorlog in Indochina, die in 1954 tot een smadelijke nederlaag zou leiden.”

En de nederlaag in het Vietnamese Dien Bien Phu was voor de Franse politieke en militaire elite niet eens een aanleiding om enkele lessen te trekken. Nog in hetzelfde jaar barstte de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog los. Die zou acht jaar aanslepen, een miljoen slachtoffers maken (voornamelijk onder de Algerijnse burgerbevolking), en eindigen in een nieuwe smadelijke nederlaag.

Ni droite, ni gauche

Frank Renken toont in zijn studie zeer gedetailleerd aan hoe de koloniale doctrine door heel het Franse politieke spectrum werd gekoesterd. Het koloniale denken was allesbehalve een monopolie van de rechtse partijen. De minst glorieuze bladzijden uit de geschiedenis van de Franse linkerzijde zijn geschreven vanuit een onwrikbare koloniale en racistische wereldbeschouwing. Niet minder dan honderd pagina’s van Renkens boek zijn gewijd aan de houding van de Franse socialisten en communisten ten opzichte van het koloniale vraagstuk. Het zijn ontluisterende, maar zeer leerzame pagina’s.

Zo escaleerde de Indochinaoorlog in december 1946 op een ogenblik dat in Frankrijk de socialist aller socialisten, Léon Blum, als ‘Président du Conseil’ aan het hoofd van de regering stond. Blum hield toen voor de Franse Assemblée nationale een opgemerkte toespraak: “In onze republikeinse doctrine bereikt het koloniale bezit haar laatste bestemming en haar ware rechtvaardiging op de dag dat ze ophoudt te bestaan. Dat wil zeggen op de dag waarop de koloniale volkeren volledig in staat zullen zijn gesteld geëmancipeerd te leven en zichzelf te besturen. De beloning voor het koloniserende volk bestaat er dus in dat het bij het gekoloniseerde volk gevoelens van dankbaarheid en genegenheid zal hebben opgewekt, waardoor er solidariteit in denken, cultuur en belangen zal zijn gecreëerd en waardoor het mogelijk zal zijn dat de ene en de andere zich vrij zullen verenigen.”

Op wat die ‘vrije vereniging’ gebaseerd was, werd later duidelijk toen Parijs nauw samenwerkte met talloze neokoloniale regimes en dictaturen in Afrika…

Ook de Franse communistische partij (PCF), die in 1920 was ontstaan – onder meer uit protest tegen de weigering van de leiding van de socialistische partij om de bevrijdingsbewegingen in de Franse koloniale gebieden te steunen – kon zich nooit losmaken van de heersende koloniale doctrine, ondanks haar antikoloniale retoriek. In 1936 was er in Frankrijk een volksfrontregering aan de macht gekomen onder aanvoering van de socialistische leider Léon Blum. Frank Renken wijst erop dat deze volksfrontpolitiek de communisten ertoe aanzette het antikolonialisme nagenoeg helemaal uit hun programma te schrappen.

Ten tijde van de volksfrontregering werd in Algerije (en in Frankrijk) de radicale, Algerijnse nationalistische beweging ‘L’Etoile nord-africaine’ van Messali Hadj buiten de wet gesteld. In 1939 was PCF-leider Maurice Thorez op bezoek in de Algerijnse kolonie. Algerije was in zijn ogen geen Franse overzeese kolonie, maar “een natie in wording”. De Franse socialisten van Léon Blum waren het hiermee volmondig eens. Op 8 mei 1945, toen de wereld in feestroes verkeerde na de capitulatie van Hitler-Duitsland, kwam het in het Algerijnse Sétif tot massale en gewelddadige betogingen tegen het Franse kolonialisme en voor nationale onafhankelijkheid. De repressie van het Franse koloniale bewind was genadeloos. Hoeveel doden er in Sétif toen zijn gevallen is tot op de dag van vandaag onopgehelderd gebleven. Algerijnse bronnen maakten gewag van minstens 45.000 doden. In een interne nota van de Franse gouverneur-generaal dook ooit het cijfer van 15.000 tot 20.000 op. L’Humanité, het dagblad van de PCF, schreef op 12 mei 1945 dat “de organisatoren van de revolte en hun handlangers snel en onverbiddelijk gestraft moeten worden”. De PCF was in die jaren een ronduit kolonialistische partij. In maart 1947 keurden de communistische ministers in de Franse regering de oorlogskredieten goed voor het Franse koloniale avontuur in Indochina.

Hetzelfde jaar wijdde het theoretische orgaan van de PCF ‘Cahiers du communisme’ een artikel aan Tunesië, die andere Franse kolonie in Noord-Afrika. De leider van de Tunesische onafhankelijkheidsbeweging, Habib Bourguiba, werd in dit tijdschrift als ‘hitlérien’ bestempeld. Tien jaar later viel deze weinig benijdenswaardige eretitel te beurt aan de Egyptische leider Gamal Abdel Nasser. François Mitterrand was op dat ogenblik minister van Binnenlandse Zaken in Frankrijk en noemde Nasser de ‘Arabische Hitler’. Het Franse establishment vermoedde de hand van Nasser achter de Algerijnse nationale bevrijdingsbeweging FNL (Front de Libération nationale). In 1956 zou dat trouwens leiden tot een gemeenschappelijk koloniale expeditie van Franse, Britse en Israëlische troepen, nadat Nasser het Suezkanaal had genationaliseerd.

De Franse socialistische partij was als regeringspartij actief betrokken bij de oorlogsinspanningen in Algerije en was integraal onderdeel van de strijd voor ‘l’Algérie française’. De PCF van haar kant, die met de Parti communiste algérien (PCA) over een eigen afdeling beschikte in het koloniale Algerije, stond erg vijandig tegenover de Algerijnse bevrijdingsbeweging FLN.

Frank Renken wijst op de desastreuze gevolgen van deze openlijk kolonialistische opstelling van de Franse linkse partijen: “De inschakeling van de arbeiderspartijen in de verantwoordelijkheid voor het koloniale rijk had een domesticerende uitwerking. De koloniale ideologie bond voor de Eerste Wereldoorlog eerst de socialistische partij aan het vermeende, gemeenschappelijke ‘nationale belang’ tegenover de buitenwereld, met andere woorden tegenover de andere imperiale machten. Op die manier werd de invloed van de partij op de arbeidersbeweging een factor van binnenlandse sociale cohesie. Dezelfde logica werd voortgezet voor en na de Tweede Wereldoorlog. De communistische partij viel weg als revolutionaire pool binnen de Franse maatschappij en zo ontstond er een wisselwerking doordat de partij zich ging identificeren met de buitenlandse, nationale belangen. Toen PCF-leider Maurice Thorez in november 1944 uit ballingschap terugkeerde propageerde hij de ‘nationale eenheid’ met de woorden ‘één staat, één politie, één leger’. De redevoeringen die Thorez in die zin had gehouden verschenen een jaar later in een bundel onder de elegante, gaullistisch aandoende titel: ‘Une politique de grandeur française’.”

Van de Gaulle tot Le Pen

Charles de Gaulle wordt in Frankrijk nog steeds beschouwd als de redder van het vaderland. Helemaal terecht is dat niet, maar toch… Naarmate de onafhankelijkheidsoorlog in Algerije escaleerde – niet in het minst door toedoen van de extreemrechtse, rabiaat kolonialistische en putschistische Organisation de l’Arméé secrète (OAS) – liep Frankrijk het gevaar in handen te vallen van een extreemrechtse, nationalistische, militaire dictatuur. De OAS en andere extreemrechtse kringen vormden een reële bedreiging voor de Franse democratie.

Wat allemaal niet belet heeft dat het gaullisme na de oprichting van de Vijfde Republiek in 1958 en na de definitieve nederlaag van Frankrijk in Algerije en de Algerijnse onafhankelijkheid in 1962 alles in het werk heeft gesteld om tot de grote nationale verzoening te komen met de leden van de OAS en een aantal generaals die binnen deze clandestiene organisatie een sleutelrol hebben gespeeld. De akkoorden van Evian, die uiteindelijk tot de onafhankelijkheid van Algerije leidden, voorzagen reeds in een algemene amnestie voor alle ‘gewelddaden’ die tijdens de Algerijnse oorlog waren begaan. Voor het Algerijnse FLN was dat wellicht een bittere pil, maar de Algerijnse leiders beseften dat het voor hen hoe dan ook onmogelijk zou worden Franse oorlogsmisdadigers door Algerijnse rechtbanken te laten berechten. De verantwoordelijken van de militaire putsch van de OAS in 1958 (en de OAS-lieden die herhaaldelijk hadden gepoogd om Charles de Gaulle naar het leven te staan) werden weliswaar veroordeeld, maar zouden relatief snel op de genade van de Franse president en regering kunnen rekenen.

De strijd voor ‘l’Algérie française’ en het uiteindelijke debacle van de Franse koloniale oorlog verdeelden de rechterzijde in Frankrijk. Frank Renken wijst erop hoe rechts in Frankrijk de rangen zou sluiten, toen het land acht jaar na de Algerijnse onafhankelijkheid op een diepe maatschappelijke en politieke crisis afstevende. Mei 1968 deed de Vijfde republiek op zijn grondvesten daveren en één van de directe gevolgen van de studenten- en arbeidersrevolte was de wet die op 24 juli 1968 door het Franse parlement werd goedgekeurd: er kwam een algehele amnestie en de Franse politiek veegde de spons over de oorlogsmisdaden in Algerije, de terreur en de putsch van de OAS.

Daarmee was het spook van de koloniale oorlog echter niet helemaal bedwongen. Frank Renken wijdt ook uitermate boeiende bladzijden aan het Front national van Jean-Marie Le Pen, in de jaren vijftig ooit de jongste volksvertegenwoordiger uit de Franse geschiedenis, vrijwilliger in de koloniale oorlog in Algerije, paracommando en folteraar in Algiers. Zijn extreemrechtse Front national was een samenraapsel van allerlei notoire fascisten en collaborateurs in Frankrijk, maar zou ook langzaam maar zeker de thuishaven worden van al wie nostalgie had naar de goede oude tijden van l’Algérie française. De rest van het verhaal is bekend: het Front national ontpopte zich tijdens de veertien jaren van het presidentschap van François Mitterrand en dankzij agressieve racistische campagnes tot een belangrijke politieke factor in Frankrijk. Tijdens de tweede ronde van de presidentsverkiezingen in 2002 kwam het zelfs tot een tweestrijd tussen de neogaullist en uittredend president Jacques Chirac en de neofascist Jean-Marie Le Pen. Het Front national had de socialistische presidentskandidaat, Lionel Jospin, een electorale opdonder verkocht tijdens de eerste ronde.

Dat de schaduw van de laatste koloniale oorlog in Algerije nog steeds over de Vijfde Republiek hangt werd in 2005 nog eens in alle scherpte aangetoond. Binnen de UMP (oorspronkelijk Union pour une Majorité présidentielle, later omgeturnd tot Union pour un Mouvement populaire) van president Jacques Chirac, premier Dominique de Villepin en minister van Binnenlandse Zaken (en thans president) Nicolas Sarkozy, haalde de koloniale lobby een niet onbelangrijke slag thuis. Op 23 februari 2005 keurde de Franse Assemblée générale een wet goed, waarin het Franse koloniale verleden volledig gerehabiliteerd en op een piëdestal geplaatst werd. In artikel 1 van de wet luidde het: “de natie drukt haar erkentelijkheid uit ten aanzien van alle vrouwen en mannen die hebben deelgenomen aan het werk dat Frankrijk heeft verricht in de voormalige Franse departementen Algerije, Marokko, Tunesië en Indochina en in de territoria die destijds onder Franse soevereiniteit werden geplaatst.”

En Artikel 4 bepaalde: “De programma’s van het universitaire onderzoek kennen aan de geschiedenis van de Franse overzeese aanwezigheid, meer bepaald in Noord-Afrika, de plaats toe, die zij verdient. De onderwijsprogramma’s erkennen in het bijzonder de positieve rol van de Franse overzeese aanwezigheid, meer bepaald in Noord-Afrika, en kennen aan de geschiedenis en de offers van de soldaten van het Franse leger in deze gebieden de vooraanstaande plaats toe, waarop ze recht hebben.”

De Franse socialistische partij keurde deze wet van de rechtse meerderheid mee goed. De PCF stemde tegen, maar geen van haar afgevaardigden verzette zich tegen het schaamteloze negationisme en kolonialisme van deze wet. Franse academische kringen voerden een succesvolle campagne tegen zoveel staatsbemoeienis. En tijdens de grote revolte in de banlieues in het najaar van 2005 werd het verzet tegen deze negationistische wet ook door talloze migrantenjongeren op straat gevoerd. Zij beschouwen zich als de laatste door Frankrijk gekoloniseerde bevolking. Inmiddels heeft Chirac met enige juridische spitsvondigheid de wet opnieuw naar af moeten voeren. Zeer tegen de zin van zijn opvolger Nicolas Sarkozy overigens. Van hem komt de uitspraak: “Die eeuwige boetvaardige houding, die zich voor alles in de Franse geschiedenis verontschuldigt, begint stilaan aan het belachelijke te grenzen.”

La grandeur de la France? Frank Renken heeft een belangrijke bijdrage geleverd om dit fenomeen te helpen verklaren. Miljoenen Afrikanen ondervinden vandaag nog de nefaste gevolgen van deze grandeur – in zijn neokolonialistische variant. Maar dat is dat weer een apart verhaal…

(Uitpers, nr 87, 8ste jg., juni 2007)

(1) Zie ook: Freddy De Pauw, ‘Naar het Elysée in de nationale driekleur’, www.uitpers.be, nr. 85, april 2007).

(2) Frank Renken is wetenschappelijk onderzoeker aan het Centre Marc Bloch in Berlijn en wetenschappelijk medewerker van de fractie van de Linkspartei in de Bundestag (het Duitse parlement).

 

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=663720&refsource=uitpers