De erfenis van Mobutu : 1960 – 1997

Met welke erfenis werden vader en zoon Kabila opgezadeld? In een periode waarin het de mode is om aan Kabila-bashing te doen, loont het de moeite om hier even dieper op in te gaan.

De eerste verkozen premier van Congo, Patrice Lumumba, kreeg nauwelijks 2,5 maanden de tijd om het onafhankelijke Congo op de sporen te zetten. Reeds tien dagen na de onafhankelijkheid startte de Belgische regering wat de toenmalige Congolese vice-premier Gizenga “de koloniale heroveringsoorlog” noemde. Mobutu greep een eerste maal de macht op 14 september 1960 toen hij de verkozen eerste minister en president afzette. In de periode tussen september 1960 en november 1965 speelde hij een centrale rol als stafchef van het leger in een front van verschillende politieke krachten. Een door Mobutu bijeengeroepen ‘college van commissarissen’ leidde het land van september 1960 tot augustus 1961. Dat college loste de door de moord op Lumumba veroorzaakte grondwettelijke crisis op, door de overblijfselen van de regering Lumumba in Stanleyville (Kisangani) te neutraliseren via een combinatie van militaire druk en onderhandelingen. In augustus 1961 werd een zogenaamde regering van ‘nationale eenheid’ gevormd onder leiding van de pro-Amerikaanse politicus Adoula. Maar de opstand in de provincie Kwilu en de oprukkende nationalisten in het Oosten, zetten de ‘koloniale heroveringsoorlog’ in 1964 terug op de agenda.

Het nationalistisch verzet zal in bloed worden gesmoord. Volgens schattingen zal het opzij zetten van Lumumba en het onderdrukken van het lumumbistische verzet tussen 1960 en 1965, 300.000 tot 1 miljoen slachtoffers eisen. In het najaar van 1965 voelde het regime zich sterk genoeg om verkiezingen voor te bereiden. Maar dan laaide de rivaliteit tussen eerste minister Tshombe en president Kasavubu op. Mobutu maakte van dit conflict gebruik om zijn tweede staatsgreep uit te voeren: op 25 november 1965 greep hij de macht. Deze keer definitief. Enkele dagen later kende hij zichzelf speciale machten toe en in december kondigde hij de afschaffing van de politieke partijen aan. Voordien waren de politieke tegenstanders van Lumumba en de nationalisten verwikkeld in een eindeloos gevecht over wie de staat het hardst konden plunderen. Dat zorgde echter voor een zekere instabiliteit. Met zijn staatsgreep zal Mobutu die stabiliteit voortaan garanderen. De vraag wie zich wanneer mag verrijken, zal vanaf nu enkel afhangen van het humeur en de goede wil van de dictator. De nacht van de Mobutu-dictatuur was aangebroken.

De Mobutu-dictatuur

In de periode 1960-1990 was Congo voor het Westen vooral van belang als steunpunt in de strijd tegen het communisme in Afrika. Op economisch vlak begon een ware roofbouw van het land, waarbij een minimum aan investeringen een maximum aan winsten opbrachten. De zelfverklaarde nationalist en Lumumba-opvolger Mobutu diende vooral de belangen van grote westerse multinationals. Hij liet zich omringen door westerse raadgevers en consultancy-bureau’s. Die werkten megalomane projecten uit die vooral veel winst opleverden voor de westerse bouwbedrijven en geen of veel te weinig toegevoegde waarde boden aan de Zaïrese economie. Tegelijk daalden de prijzen van de grondstoffen op de wereldmarkt en stegen de prijzen van de ingevoerde producten. De schuldenlast steeg en de staat kon hem niet mee afbetalen. Nieuwe leningen maakten het nog erger. Het werd een dodelijke spiraal waarin vooral westerse multinationals en banken zich konden verrijken. De levensstandaard van de bevolking verslechterde drastisch en de economische infrastructuur werd op 30 jaar tijd volledig vernietigd.

Roofbouw en schulden

Vlak voor de onafhankelijkheid versluisden Belgische ondernemingen zoveel mogelijk van het kapitaal dat ze tijdens de koloniale periode verzameld hadden, richting België. De decennia nadien zal de achtergelaten economische infrastructuur gehypothekeerd worden door prestigieuze, maar inefficiënte en tientallen miljarden kostende, monsterprojecten. Zo lanceerde Mobutu op 12 december 1965 de bouw van de staalfabriek Maluku. Tien jaar later kostte het project al 228 miljoen euro. Het bedrijf heeft echter nooit gefunctioneerd. Dan was er het reuzenproject rond de Inga-stuwdam, dat de bouw van twee grote hydro-elektrische centrales omvatte. Het in 1971 gelanceerd Inga I kostte 198 miljoen euro, Inga II (1983) kostte 609 miljoen euro. De bouw van de hoge spanningslijn van Inga naar Katanga kostte nog eens 1,067 miljard euro. In 1983 functioneerde deze lijn nog maar aan 10% van zijn capaciteit. Zo was het hele Inga-project op zichzelf, goed voor 26% van de Zaïrese staatsschuld. Ook bij dit project werden de grootste winsten gemaakt door de westerse bedrijven die de machines en installaties leverden. Ook de westerse banken deden gouden zaken: voor de bouw van de Inga-stuwdam leenden ze Mobutu, tussen 1970 en 1976, geld tegen een intrestvoet van om en bij de 6,9% (op dat ogenblik was de gangbare intrestvoet 2,6%). De terugbetalingstermijn was 14,9 jaar (de gangbare termijn was toen 30,7 jaar).

In onze wereldeconomie bepalen multinationals de grondstofprijzen. Hun beslissende invloed op de beurzen van New York, Londen, Parijs en Brussel zorgde na de onafhankelijkheid voor een prijsdaling van de uit de derdewereldlanden komende grondstoffen, zeker in vergelijking met de prijzen van de goederen die de multinationals produceren en exporteren naar Afrika. De evolutie van de ‘ruiltermen’ (de verhouding tussen de prijs die een land krijgt voor uitgevoerde goederen en de prijs die het betaalt voor geïmporteerde goederen) toont dit aan. Tussen 1980 en 1984 daalden de ruiltermen in Congo met 21,3%, in 1986 zelfs met 24%. Voor de Zaïrese staatskas betekende dat een verlies van 40 miljoen euro. In de jaren 1990 ten slotte tuimelden de ruiltermen helemaal naar beneden. In 1996 waren ze nog slechts 1,7% van wat ze waren in 1989.

In het begin van de jaren 1970 verkocht het internationaal bedrijfsleven gigantische projecten aan de Zaïrese staat. “Tussen 1972 en 1974 is Zaïre zware buitenlandse leningen aangegaan”, schreef de Wereldbank in 1982. “Een groot deel daarvan is afgesloten onder weinig gunstige voorwaarden en voor projecten met een twijfelachtig nut. Meer dan de helft van de uitstaande Zaïrese schuld is het gevolg van beslissingen inzake leningen, genomen in die periode.” De Congolese schuldenlast vertoonde snel een sneeuwbaleffect. Intresten konden niet worden terugbetaald, waarop uitstel voor betaling werd verleend of nieuwe leningen toegekend om de oude te betalen. In totaal kende het Mobutu-regime tussen 1976 en 1989 negen schuldherschikkingen. Op die manier konden de schuldeisers woekerwinsten maken. Voor de drie herschikkingen tussen 1979 en 1983 moest een groot deel van de herschikte leningen (60%) terugbetaald worden aan een intrest hoger dan 10%. De schuldenberg groeide zo aan van 4,6 miljard dollar in 1983 tot 6,9 miljard dollar in 1987. Vanaf 1983 werd Zaïre bovendien een van de pilootlanden voor de fameuze Structurele Aanpassingsprogramma’s (SAP’s) van het IMF. Die SAP’s verplichtten landen met schulden ertoe, belastingen voor multinationals te verlagen en het mes te zetten in de lonen. Verder mochten zij geen enkele poging ondernemen om de plaatselijke bedrijven tegen internationale concurrentie en/of overnames te beschermen. De plannen van het IMF voorzagen ook in het privatiseren van de staatsbedrijven (mijnen, spoorwegen, nutsbedrijven, …). De Congolezen moesten hun bossen verder laten kaalkappen en hun gronden ter beschikking stellen voor open mijnbouw. De landen met schulden moesten besparen op hun uitgaven in de gezondheidszorg, het onderwijs, voeding en transport. Het vrijgekomen geld moest uiteraard worden gebruikt om de aangegane schulden af te betalen. In 1984 ging 42% van het overheidsbudget naar de afbetaling van buitenlandse schuld, in 1985 was dat 55,1%. Dit gebeurde ten koste van de sociale uitgaven: tussen 1980 en 1986 daalde het aandeel van onderwijs in het totale overheidsbudget van 24% naar 7%. Tegen het begin van de jaren 1990 besliste het Mobutu-regime de terugbetalingen van de schulden stop te zetten, wat leidde tot een breuk met de internationale financiële instellingen. Ondertussen bleven de intresten en de achterstallige schulden stijgen. Op tien jaar tijd groeide de schuldenlast van 8 miljard dollar (begin jaren 1990), naar 13 miljard dollar (begin 2000). Dit, zonder dat één frank nieuw geld werd geleend.

De Duitse gepensioneerd bankier Edwin Blumenthal werd in 1978 door het IMF aangesteld om Mobutu te helpen de buitenlandse schulden te beheren. Twee jaar later nam hij ontslag. In zijn rapport beschreef hij hoe Mobutu het voorbeeld van Leopold II volgde en het land als zijn persoonlijk bezit beschouwde. Zo kreeg Gécamines, het reusachtige mijnbouwbedrijf van de Zaïrese staat, in 1978 de opdracht alle inkomsten uit export direct op een presidentiële rekening te storten. Ook zouden grote delen van leningen en hulpfondsen gewoon in beslag genomen zijn door Mobutu. De relatie tussen de internationale financiële instellingen en het Mobutu-regime had in de jaren 1980 iets surrealistisch. Mobutu en de grote baronnen rond hem konden zich enkel verrijken door corruptie. En internationale instellingen als het IMF en de Wereldbank wilden garanties dat de Congolezen hun schulden zouden afbetalen. Dat zorgde voor spanningen maar beide partijen hadden elkaar vooral nodig. Het Westen rekende op ‘haar’ Mobutu om het strategische Congo te kunnen controleren tijdens de Koude Oorlog. Het mobutisme kon enkel bestaan bij de gratie en de goodwill van de VS, Frankrijk en België. Blumenthal mocht in zijn geheim IMF-rapport in 1982 dan wel gewaarschuwd hebben dat “gezien de bodemloze corruptie er onder Mobutu geen enkele kans bestond dat de schulden ooit correct zouden worden afbetaald”. Toch ontving Zaïre tussen 1982 tot 1989 nog drie keer zoveel van het IMF als in de door Blumenthal onderzochte periode van 1967 tot 1982.

Alsof een burgeroorlog woedde

Er wordt veel verteld over de toestand van vernieling waarin de Congolese infrastructuur en economie zich vandaag, anno 2010, bevindt. Maar in 1985 al schreef de Wereldbank in een rapport dat Congo eruit zag als een land dat twintig jaar burgeroorlog had doorstaan: “Ondanks het feit dat Zaïre in de jaren 1970 een van de politiek meest stabiele landen was in Afrika, was het gevolg van interne en externe factoren zo erg dat de economie eerder leek op die van landen die zwaar getroffen werden door burgeroorlogen omwille van een intense politieke instabiliteit.” In 1982 was de sector van de verwerkende nijverheid reeds met 37% ineengekrompen in vergelijking met die van 1974. De industrie voor consumptie was met 39,7% verminderd. Tussen 1975 en 1982 waren de activiteiten van de nationale spoorwegen in het land gedaald met 43,9%. De Wereldbank schreef in 1986: “Sinds meer dan tien jaren verslechtert de infrastructuur voor transport tengevolge van een gebrek aan fondsen voor onderhoud en investeringen.” In 1988 was er een nationaal budget van 152.777 miljoen zaïres voor alle uitgaven. Nauwelijks 490 miljoen daarvan (of 0,3%) was bestemd voor landbouw. Ter vergelijking: JMPR, de jongerenbeweging van Mobutu’s partij kreeg dat jaar 553 miljoen zaïres toebedeeld. In 1982 had slechts 50% van de scholen aangepaste gebouwen. 80% van de leerlingen moest op de grond zitten om les te volgen. Volgens de Wereldbank was slechts 35% van de leerkrachten in het lager- en slechts 40% in het beroeps en technisch onderwijs bekwaam om les te geven. In 1989 erkende de Wereldbank dat “de kwalitatieve en kwantitatieve teruggang in het onderwijs zwaar zal wegen op de economische groei”. De lonen in de administratie daalden tussen 1975 en 1982 met 79,2%. Het wettelijk minimumloon zelfs met 90,4%. In de privésector zakten de lonen in dezelfde periode met 57,2%.

Gezocht: een troonopvolger

1990 betekende het einde van de Koude Oorlog: de Berlijnse Muur viel, het socialisme in de Sovjet-Unie en Oost-Europa werd omvergeworpen. Voor het Westen was dat het sein voor een geleidelijke overschakeling van een pure roofbouweconomie naar een efficiënter zakelijk beheer van Congo. De grootste hinderpaal was… het door Washington, Parijs en Brussel gebaarde en gedurende dertig jaar gekoesterde gedrocht zelf. De Mobutu-dictatuur was al vanaf het begin van de jaren 1980 afgeschreven als economisch contraproductief omwille van de overmatige fraude en corruptie. Maar zolang de Koude Oorlog duurde, duldde het Westen Mobutu. Het economische beleid van Zaïre was bovendien rechtstreeks in handen van het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank. De vergaderingen, werkgroepen en studies over de Congolese economie volgden elkaar snel op in die periode.(1) Raadgevers van de internationale instellingen belandden in de ministeriële kabinetten in Kinshasa en schreven er het beleid voor.

Toen na het einde van de Koude Oorlog de tijd rijp werd geacht om zich ook van Mobutu zelf te ontdoen, dwong het Westen de dictator het eenpartijstelsel af te schaffen. Dat gebeurde op 24 april 1990, een jaar later richtte hij onder druk de Nationale Soevereine Conferentie op. De bedoeling was geleidelijk aan zijn opvolging voor te bereiden. Maar dat was allemaal tevergeefs. In plaats van te moderniseren en te vernieuwen zonk de hele Zaïrese politieke klasse weg in eindeloze intriges en politiek gemanoeuvreer. Wat er nog overbleef aan economische activiteiten en infrastructuur verdween in een recordtempo als sneeuw onder de zon. Mobutu zelf bleek een genie in manipulatie en hield te midden van de door zichzelf zorgvuldig georchestreerde chaos, de teugels stevig in handen. Steven Metz, een analist die werkt voor het ‘Strategic Studies Institute’, een denktank van het Amerikaanse leger, schreef in 1996 dat Mobutu “in het verkiezingsproces duidelijk aan de kop van het peloton reed”. Terwijl Congo dan al een overgangsperiode van zes jaar achter de rug had die moest leiden tot Mobutu’s opvolging. “In Zaïre ontbreekt de meest elementaire politieke cultuur”, vatte Metz samen. “Het is er gemeengoed te denken dat politieke leiders het recht en zelfs de plicht hebben om de inkomsten van de staat te gebruiken om hun eigen familie, de leden van hun etnische groep en hun politieke supporters te belonen. Elke staat heeft wel ervaring met politieke corruptie maar in Zaïre is dat de norm.”

Na de val van de Muur kreeg Mobutu de opdracht een ‘democratiseringsproces’ in werking te zetten. Het ging hem niet zozeer over het geven van democratie aan het Congolese volk, maar wel om de politieke en economische controle over het land in de toekomst veilig te stellen. Daartoe was een vernieuwing van het politiek personeel nodig. Maar Mobutu was te nauw verweven met het neokoloniale systeem. Het bleek onmogelijk hem te verwijderen zonder een echte omwenteling. Het zogenaamde ‘democratiseringsproces’ mislukte volkomen.

Hier zijn drie redenen voor. Ten eerste wilden de VS, België en Frankrijk kunnen blijven steunen op het overgrote deel van de politieke klasse die reeds dertig jaar dienst deed. Grote omwentelingen waren dus eigenlijk niet gewenst, wel het behoud van de basisstructuren van de politieke en economische macht. Ten tweede hadden Mobutu en zijn clan een relatieve autonomie verkregen doordat ze zich gedurende jaren hadden gespecialiseerd in het controleren en gebruiken van de verschillende veiligheidsdiensten en elite-eenheden. En tenslotte was er binnen de zogenaamde oppositie tegen het Mobuturegime, geen enkel duidelijk en geloofwaardig alternatief. Opposanten werden plots minister van een pro-Mobuturegering en gekende mobutisten konden met even groot gemak zetelen in een regering van de bekende opposant en voormalig Mobutu-medestander Tshisekedi. Dit was de staat van het regime dat op 17 mei 1997 omver geworpen werd onder leiding van Laurent Kabila.

Heropstarten van de onafhankelijkheid

Omwille van zijn ligging en de uitzonderlijke concentratie van natuurlijke rijkdommen, is Congo van enorm belang voor Afrika zelf. De bekende Afrikaanse schrijver en antikoloniale militant Franz Fanon merkte destijds op dat Afrika de vorm heeft van een revolver en dat Congo aan de trekker ligt. Als Congo een lange periode van vrede kent en echte onafhankelijkheid zal dit beslissend zijn voor heel Afrika. Maar dit uitzonderlijk strategisch belang van Congo is ook niet ontgaan aan het internationale grootkapitaal en het imperialisme. Bill Richardson de speciale gezant voor Centraal Afrika van Bill Clinton, verklaarde in november 1997 voor de commissie van Buitenlandse Zaken van het Amerikaans congres: “De Democratische Republiek Congo heeft voor de VS een zeer groot strategisch belang in Afrika, en biedt immense mogelijkheden wat economische ontwikkeling en Amerikaanse investeringen betreft. Het land herbergt 13% van de hydro-elektrische wereldreserves, 28% van de wereldreserves kobalt, 18% van de wereldvoorraad industriële diamant, 6% van de wereldreserves koper, vruchtbare landbouwgrond en tenslotte de helft van het tropisch oerwoud in Afrika.”

Toen het duidelijk werd dat Laurent Kabila zijn nationalistische idealen nooit verloochend had en van de overwinning op het Mobutisme, een nieuw begin wilde maken voor Congo, werd het land vanaf 2 augustus 1998 (iets meer dan een jaar na de val van Mobutu) opgezadeld met een agressie-oorlog vanuit Rwanda en Oeganda. Deze landen konden ten volle rekenen op steun en sympathie vanuit de VS en Europa. Na de moord op zijn vader op 16 januari 2001, exact een dag voor de veertigste verjaardag van de moord op Lumumba, zal Joseph Kabila een zeer tactische, voorzichtige politiek voeren, vooral gekenmerkt door toegevingen en gematigdheid. Maar hij bleef wel vasthouden aan nationalistische idealen, zoals de eenheid van Congo, de soevereiniteit van het land en het geloof in het opstarten van een eigen nationale economie. En vandaag, negen jaar later, wordt er inderdaad opnieuw massaal gebouwd in Congo en worden tegen volgend jaar de tweede democratische verkiezingen voorbereid. Zal Washington het nog wagen om, na Lumumba en vader Kabila, deze nieuwe start een derde maal te smoren in dood en vernieling?

(Uitpers nr. 121, 11de jg., juni 2010)

Tony Busselen verbleef geruime tijd in Kinshasa, is lid van de Congowerkgroep van Intal, journalist bij Solidair en auteur van het boek ‘Congo voor beginners’ dat midden april door uitgeverij EPO werd gepubliceerd.

Deze tekst verscheen eerder in Vrede. Tijdschrift voor internationale politiek; nr. 403, mei-juni 2010, blz. 29-32.

Bronnen:

Willame Jean-Claude, Zaïre L’épopée d’Inga, L’Harmattan, Paris, 1986.

Arnaud Zacharie, ‘De la dette au développement : un chemin sené d’embûches’ in ‘Réforme au Congo, attentes et désillusions’, Cahiers Africains, n°76, L’Harmattan, 2009.

Steven Metz, ‘Reform, Conflict and Security in Zaire’, Strategic Studies Institute, 5 juni 1996.

Ludo Martens, ‘Kabila et la Révolution Congolaise’, EPO, 2002.

IMF Country Report, juli 2001

Zaïre Economie Mémorandum, Economie Change and External Assistance, Report no. 5417-ZR, March 29, 1985, World Bank.

‘Nécessité d’un ajustement structurel’, Rapport d’Activité à l’intention du Groupe Consultatif pour le Zaïre (Paris, 21 -22 avril 1986), Banque mondiale.

De Volkskrant, 13 mei 1997.

Speech van Sambwa, Zaïrees staatscomissaris van het Plan, op een internationale vergadering in Parijs, 21 mei 1987.

Voetnoot:

(1) Tussen 1978 en 1983: drie ad hoc conferenties in Brussel, vijf bijeenkomsten van de Zaire-adviesgroep van de Wereldbank. Van 1984 tot 1987: 16 studies van de Wereldbank

(Visited 19 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 96 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook