De enorme prijs voor de overname van de Iraakse olie

In zijn autobiografie The Age of Turbulence: Adventures in a New World, die op 19 september 2007 verscheen, geeft de oud-voorzitter van de Amerikaanse centrale bank, Alan Greenspan, toe dat olie de voornaamste reden was van de invasie van Irak op 19 maart 2003. Over de kostprijs voor het bemachtigen van die olie zegt hij niets: de verwoesting van een land, tot 1 miljoen doden in Irak en een gepeperde rekening van ten minste 3000 miljard dollar voor de Amerikaanse belastingbetaler.

Uiteraard werd de verklaring van Greenspan onmiddellijk tegengesproken door minister van Defensie Robert Gates. Voor het Amerikaanse establishment waren er immers alleen maar nobele motieven: het verdrijven van een agressieve dictator, die het hele Midden-Oosten stabiliseerde en werkte aan massavernietigingswapens.

Nochtans is er zoiets als de Carter-doctrine van president Jimmy Carter (1977-1981) van januari 1981. Die doctrine houdt in dat de oliereserves van de Perzisch/Arabische Golf van vitaal belang zijn en dat de Verenigde Staten daar militair mogen tussenkomen als die oliebelangen er in gevaar komen. Die doctrine vormde de basis voor de oorlog van George Bush sr. in 1991 tegen Irak ter bevrijding van het door Saddam Hoessein bezette emiraat Koeweit. Ze vormt ook de basis voor de invasie van Irak vijf jaar geleden door George Bush jr.

Nobele motieven waren er niet bij. Dat werd als direct na de invasie duidelijk. De Amerikanen lieten toe dat heel het land, met inbegrip van het nationaal museum van Bagdad, het nationaal archief en de nationale bibliotheek met hun archeologische schatten en eeuwenoude manuscripten van onschatbare waarde, werd vernield. Ook Iraakse mensenlevens zijn van geen tel voor Washington. In strijd met de conventies van Genève weigeren de Amerikanen het aantal “bevrijde” Irakezen te tellen dat sedert hun aanwezigheid in het land is omgekomen.

Het aantal Amerikanen dat sneuvelde daarentegen wordt wel opgeteld door het Amerikaanse ministerie van Defensie. Op 12 maart bedroeg het 3.974[1]. “Welgeteld” kan men niet voor dit cijfer zetten, want bv. zwaar gewonden die later in de VS aan hun verwondingen overlijden worden nogal eens uit de statistieken gehouden. Evenmin als de doden onder de vele Amerikanen die in dienst van privé-“bewakingsfirma’s” werken.

Naar het aantal Irakezen dat hun “bevrijding” met de dood bekocht is het raden. De kleinste schatting, zij het dat die op zeer conservatieve basis gebeurt en vooral gebaseerd is op namen van doden die in de Iraakse media worden genoemd, is die van de Iraakse organisatie Iraq Body Count. Haar teller stond op 12 maart 2008 op een aantal tussen 82.078 en 89.573 [2]. Eerder had president Bush het, in december 2005, over 30.000 burgerlijke slachtoffers.

Op 12 oktober 2006 verscheen in het gereputeerde Britse medische tijdschrift The Lancet het resultaat van een wetenschappelijke en statistische studie, die werd gemaakt door de Amerikaanse John Hopkins School of Public Health [3]. Het komt voor de eerste 39 maanden van de oorlog op 600.000 Iraakse doden, hetzij 15.000 per maand. Meer nog, het grootste aantal slachtoffers kwam om door Amerikaans vuur. Een groter aantal dan het gezamenlijk totaal van Irakezen die het leven lieten ten gevolge van bomaanslagen, etnisch en religieus geweld, door doodseskaders en misdadigers van gemeen recht. Een van de voornaamste Amerikaanse experts inzake het Midden-Oosten, Juan Cole, die het rapport van The Lancet onderschrijft, merkte op dat door het Amerikaans avontuur in Irak er in iets meer dan drie jaar “twee keer meer burgers omkwamen dan dat er mensen werden vermoord door Saddam in 25 jaar”[4].

In januari van dit jaar mengde de Wereldgezondheidsorganisatie, een orgaan van de Verenigde Naties, zich in het debat. Uit een onderzoek, dat werd uitgevoerd in samenwerking met het Iraakse ministerie van Volksgezondheid, en loopt over de periode maart 2003 tot juni 2006, blijkt dat er in die periode 151.000 Iraakse burgers werden gedood bij geweld [5]. Het onderzoek werd gevoerd via interviews van 10.860 als representatief geachte gezinshoofden uit heel Irak. Hen werd gevraagd hoeveel overlijdens er in de familie waren en welke de doodsoorzaken waren in de twee jaar voor en de drie jaar na de invasie. Uiteindelijk kwamen de onderzoekers tot het besluit dat het aantal slachtoffers van een gewelddadige dood tussen de 104.000 en 223.000 lag. Ze distilleerden daar een gemiddelde van 151.000 uit.

Ook het Britse OpinionResearch Business gebruikte het interview als methode om het aantal gewelddadige doden te tellen. Er werden ongeveer 5.600 Iraakse volwassenen ondervraagd.Het resultaat ligt echter aanzienlijk hoger. Volgens het onderzoeksbureau kwamen er tussen maart 2003 en augustus 2007 1.033.000 Iraakse burgers om als gevolg van de oorlog. Er wordt aan toegevoegd dat als men foutenmarges meerekent, het totaal aantal gedode burgers tussen 946.000 en 1.120.000 ligt.

Het is hoe dan ook duidelijk dat er sedert maart 2003 heel veel burgers zijn omgekomen, veel meer zelfs dan het grootste aantal dat aan Saddam Hoessein wordt toegeschreven. Een conclusie die men hieruit zou kunnen trekken is dat George Bush veel erger is dan Saddam Hoessein. En in elk geval “sneller” en “efficiënter”.

Stiglitz

Maar de kans dat Bush hier ooit voor te verantwoording wordt geroepen is uiterst klein. De Verenigde Staten erkennen immers het Internationaal Strafgerechtshof niet en misdaden, hoe erg ook, gepleegd door westerse bondgenoten (zoals ook Israël) blijven in de regel ongestraft. Wel zullen de Amerikanen flink moeten opdraven voor het “avontuur” waarin Bush hen gestort heeft.

Twee jaar geleden schatte John Stiglitz, voormalig hoofdeconoom van de Wereldbank, Nobelprijswinnaar economie in 2001 en professor aan de Harvard universiteit, dat de oorlog in Irak (en Afghanistan) meer dan 2.000 miljard dollar (2 triljoen in het Engels) zou kosten [6]. Hij schreef dat in een rapport dat hij opstelde samen met Linda Bilmes, een budgetexperte van Harvard. Nu publiceerde hetzelfde duo een boek, waarin de kosten naar boven worden herzien: naar 3.000 miljard dollar! [7]. Een heel pak meer dan de 200 miljard dollar die door een economisch adviseur van Bush vóór de oorlog werd vooropgesteld. De man werd toen weggelachen, want o.m. toenmalig minister van Defensie Donald Rumsfeld sprak van 50 tot 60 miljard dollar, waarvan hij dacht dat een deel ervan nog zou worden betaald door andere landen. Inmiddels weten we wel beter: voor het fiscale jaar 2008 vroeg Bush in totaal 845 miljard dollar voor militaire operaties en hulpprogramma’s voor Irak en Afghanistan. Dat komt neer op 12,5 miljard dollar voor Irak per maand en 3,5 miljard dollar per maand voor Afghanistan. In 2003 kostte een maand Irak “slechts” 4,4 miljard dollar. Het bedrag van 845 miljard dollar is bijna een derde van het door Stiglitz berekende bedrag. Dat wil zeggen dat zelfs Stiglitz’ rekensom onvoldoende is, tenzij de oorlogen in Irak en Afghanistan plots zouden stoppen. We mogen ons eraan verwachten dat Stiglitz volgend jaar met een berekening van 4.000 miljard dollar op de proppen zal komen.

Stiglitz en Bilmes maakten ook vergelijkingen met de kosten van vorige oorlog. Alleen de uitgaven voor de Tweede Wereldoorlog liepen hoger op, maar de huidige oorlog zal tien keer geld vergen dan de eerste Golfoorlog van 1991, zal een derde meer kosten dan de Vietnamese oorlog en tweemaal meer dan de Eerste Wereldoorlog en de Koreaanse oorlog. Maar ook die vergelijkingen zullen volgend jaar, als opnieuw honderden miljarden worden gevraagd voor Irak en Afghanistan, moeten worden herzien. Wellicht worden de oorlogen in Irak en Afghanistan de duurste ooit in de Amerikaanse geschiedenis. Wellicht ook een reden waarom een bijkomende oorlog tegen Iran nog niet is gestart.

Volgens Stiglitz en Bilmes worden de uitgaven voor de oorlog door de regering zwaar onderschat. Zo worden uitgaven voor rehabilitatie en ziekteverzekering van veteranen, vergoedingen voor nabestaanden van gesneuvelden enz. niet echt doorgerekend in de oorlogskosten. Er zijn verborgen kosten voor de economie zoals de, ten gevolge van de oorlog, de pan uitswingende olieprijzen. Bovendien worden de oorlogen gefinancierd met geleend geld, waarop enorme bedragen aan interesten moeten worden betaald, in plaats van door belastingverhogingen. Deficit-spending dus – wat in strijd is met de basisprinciepen van de conservatieven die nu aan de macht zijn in Washington. Tijdens een lezing in Londen op 27 februari ging Stiglitz zelfs zo ver te beweren dat de oorlog Irak de oorzaak is van de huidige recessie in de Amerikaanse economie. In de campagne voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen hebben de Democraten al ingepikt op dit thema.

Maar vele economisten zijn het daar niet mee eens. Zij wijten de recessie aan de zeepbel van de goedkope hypotheekleningen (de zgn. sub-prime-leningen) en de daardoor onverantwoord hoog gestegen huizenprijzen – die nu ingestort zijn omdat de eigenaars hun leningen niet meer kunnen terugbetalen. Die economisten wijzen ook op de “positieve” gevolgen van de oorlog en deficit-spending: het verzekert vele mensen van een job in bedrijven die naast wapens goederen allerhande voor het leger produceren. De oorlog levert de multinationals enorme contracten en winsten op. En de oliebedrijven genieten van de prijsstijgingen van hun grondstof, die het gevolg zijn van de oorlog.

Bedragen van 3.000 miljard dollar en meer om de Iraakse olie onder controle te krijgen, doen de wenkbrauwen fronsen in termen van “efficiëntie”. Zou onderzoek naar en investeringen in alternatieve energiebronnen ten behoeve van energieonafhankelijkheid niet veel goedkoper uitvallen. Maar hier zitten we met de klassieke paradox dat er voor oorlog altijd ongelimiteerde bedragen beschikbaar zijn en voor de rest niet. Zo stelde president Bush begin oktober 2007 zijn veto tegen een door het Congres goedgekeurde wet om over de komende vijf jaar 35 miljard dollar – 7 miljard dus per jaar – ter beschikking te stellen om 6,6 miljoen mensen, vooral kinderen, ziekteverzekering te bezorgen. Een bedrag dat zou worden geïnd door de belasting op sigaretten te verhogen. Te duur was het antwoord van Bush. En geld investeren in energieonafhankelijkheid lijkt al helemaal onaanvaardbaar omdat Bush en vele van zijn vrienden – naast in de wapenindustrie – veel geld hebben zitten in de oliesector. Hoger de olieprijs hoe meer winst voor hen. Hoe meer oorlog, hoe beter voor de aandelen van de wapenindustrie. En de tienduizenden, honderdduizenden doden? Die tellen gewoonweg niet mee. Meer dan bizar voor mensen die zich christenen noemen en te pas en te onpas, ondanks de scheiding van kerk en staat, God aanroepen.

(Uitpers, nr 96, 9de jg., 19 maart 2008)

Noten:

[1] http://icasualties.org/oif

[2] www.iraqbodycount.org

[3] Les Roberts, Riyadh Laffa, Richard Garfield, Jamal Khudhairi en Gilbert Burnham, Mortality before and after the 2003 invasion of Iraq: clyster sample survey, in The Lancet, 11 oktober 2006.

[4] Voor Bush en The Lancet, zie ook: Michael Schwarz, Irak: 30.000 ou 600.000 victimes? Et victimes de qui? In Reseau Voltaire, 9 juli 2007, www.voltairenet.org

[5] Zie hierover o.m.: Maarten Rabaey, Al minstens 151.000 Iraakse bugers gedood sinds VS-invasie, in De Morgen 11.01.08 en Paul Benkimoen, 150.000 morts en trois ans en Irak: l’OMS révise à la baisse le bilan du “Lancet”, in Le Monde 11.01.08.

[6] Iraq war could cost US over $2 trillion, says Nobel prize-winning economist, in The Guardion, O7.01.06

[7] Joseph E. Stiglitz en Linda J. Bilmes. The Three Trillion Dollar, uitg. Norton, 311 blz., $22,95. Ze schrijven ook een stuk over the problematiek in de Londense Times van 23.02.08: The three trillion war. The cost of the Iraq and Afghanistan conflicts have grown to staggering proportions.

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 59 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Paul Vanden Bavière

Paul Vanden Bavière (°1944) is historicus en journalist. Hij werkte een 30-tal jaar in de gedrukte pers als journalist gespecialiseerd in buitenlandse politiek. Vooral het Midden-Oosten, waarover hij ook enkele boeken publiceerde. Toen de media veel te veel “mainstream” – d.w.z. gezagsgetrouw – en commercieel werden, richtte hij met enkele mensen in 1999 Uitpers, het eerste Nederlandstalig webzine voor Internationale politiek, op met de bedoeling weerwerk te bieden aan de mainstream media (MSM).

zie ook