De Cuban five: wachten op de dooi?

1. Er zijn verschillende gezichtshoeken om de zaak van de 5 – the Cuban five, los cinco – te bezien. Misschien eerst: de voedingsbodem. Zoals iedereen weet, is Miami de verzamelplaats van generaties Cubaanse expatrianten. Die waren er al voor 1959, economische migranten EN vluchtelingen voor het Batista-regime. Anderen zijn er kort na de revolutionaire machtsovername in groten getale toegestroomd; bijna uitsluitend blanken uit de bezittende klasse, nogal wat georganiseerde misdaad en mensen die in Batista’s regime rond de top zaten, en dus nu naar beneden waren getuimeld.

In latere jaren is de instroom blijven aanhouden, nu eens sijpelenderwijs, dan weer in schokken. Er bestaan al sinds decennia Cubaans-Amerikaanse emigratie-akkoorden. De toepassing daarvan is vooral in periodes van politieke spanning, en die zijn er veel, grillig. Vooral de VS heeft jarenlang liever illegale migranten met open armen ontvangen, dan dat ze legale visa verleende; die waren politiek niet zo bruikbaar en vereisten overleg met een regering, waar men eigenlijk niet van wil weten.

Anderzijds laat Cuba niet iedereen gaan, weigering kan betrekking hebben op dienstplichtigen, mensen die recent afgestudeerd zijn (op staatskosten) of specifieke functies bekleden. De overloop van wetenschapslieden (nuttig) of sportlui en muzikanten (populair en opvallend) wordt, zacht gezegd, niet aangemoedigd. Maar over het algemeen is de Cubaanse politiek inzake migratie veel liberaler dan vaak gedacht wordt. In de akkoorden met de VS gaat het om tienduizenden visa per jaar.
Veel van die recente emigranten denken genuanceerd over hun vaderland, dat ze, behalve bij wijze van gezinshereniging, in de meeste gevallen hebben verlaten om dezelfde reden waarom zo veel Mexicanen, Guatemalanen, Salvadoranen, Haitianen, Ecuadoranen en noem maar op hun land voor de States inruilen: de pursuit of happiness, de American dream. De Cubanen zijn ook meestal goed opgeleid (al heeft de regering bij de operatie Mariel in 1980 IEDEREEN vrij laten gaan, met inbegrip van gevangenen en zware geestesgestoorden). Maar de emigrés van de jaren zestig en zeventig, en hun kinderen, zijn voor het grootste deel heftige revanchisten. Daaronder bevindt zich een minderheid, maar die niet te verwaarlozen is, die lange tijd plannen heeft gekoesterd voor gewelddadige herovering van het land, waarbij ze steeds weer denken te kunnen rekenen op de ontevreden bevolking, maar van die steun is nooit veel gebleken.

Er zijn onmiskenbaar terroristische acties geweest: de bekendste is het opblazen van een passagiersvliegtuig van Cubana boven Venezuela in 1976: meer dan zeventig doden, onder wie de volledige schermersploeg van Cuba – kort voordien tot wereldkampioen gekroond. Hoewel, bekend: ik herinner mij daar vooral van dat er destijds in onze pers nauwelijks iets over te lezen viel. Het brein achter die aanslag is de nauw met de CIA gelieerde Varkensbaai-veteraan Posada Carriles, ex-lid van de geheime politie van Cuba in de jaren vijftig, die jarenlang heeft vastgezeten in (het toen nog niet bolivariaanse) Venezuela (‘ontsnapt’ voor enige veroordeling, 1985) en Panama (daar werd hij voor een moordcomplot op Fidel Castro veroordeeld, maar nadien gegratieerd), en die sinds april van dit jaar vrij (op borg) in de omstreken van Miami rondloopt. Posada ontkent zijn terroristische activiteiten niet: in een interview met de New York Times van juli 1998 gaf hij de medeverantwoordelijkheid voor verschillende bomaanslagen op toeristenhotels in La Habana toe. Venezuela – nu geen getrouwe VS-bondgenoot meer – vraagt tevergeefs zijn uitlevering. Reden van weigering: een eerlijk proces is in dat land niet gegarandeerd, want de publieke opinie wordt er door regering en media opgezet tegen Posada (Men savourere dit in het licht van wat gaat volgen).

Al of niet in samenwerking met Posada en de CIA (tot voor kort in ieder geval onder oogluiking van deze laatste, en DUS van de president!) opereren in Florida nog tal van andere groepen die wel eens een aanslag riskeren: vooral in de jaren zeventig zijn tal van Cubaanse ambassades, bureaus van Cubana, reisbureaus die op Cuba gericht zijn enz. vernield, of daar ternauwernood aan ontsnapt. Nog in 1997 vond een Italiaanse toerist de dood, toen een hotel in Habana door een ontploffing werd getroffen.
Omdat de Amerikaanse autoriteiten niets ondernamen tegen die aanslagen, hoewel de aanstichters er openlijk mee pronkten, zond Cuba een aantal undercover-agenten naar Miami. Ook uit de Cubaanse gemeenschap daar werden agenten gerekruteerd. Onder hen de nu als “Cuban 5” bekend staande, drie ‘echte’ Cubanen, twee zijn Amerikaans staatsburger.
Zij doen waar ze voor aangesteld zijn: zich informeren over de anti-Cubaanse groepen in en om Miami, over hun plannen en contacten (en dus ook hun contacten met VS-overheidsdiensten – wat hen de beschuldiging ‘spionage’ zal opleveren, die later afgezwakt wordt). Hoe ze precies ontmaskerd zijn, is me niet bekend, in ieder geval worden ze in september 1998 aangehouden en tienduizenden pagina’s documenten in beslag genomen.


2. Ik kom tot een kort overzicht van de voor het proces relevante feiten.

Eenvoudig is dat niet, want de gerechtelijke documenten zijn niet publiek . Uit verklaringen van staatswege (Cubaanse staat en VS) en van de verdediging, krijgen we ongeveer het volgende beeld.

Drie van de vijf zijn Cuba met valse papieren binnengekomen; alle vijf hebben ze als agent van een vreemde mogendheid gewerkt zonder vergunning (dat valt nauwelijks te ontkennen, en is in de VS strafbaar; tussen haakjes: hoe veel Amerikaanse agenten werken er zonder vergunning buiten hun land, met name in België – moeten wij dat ook niet eens strafbaar gaan stellen?). Alle vijf hebben ze valse documenten gebruikt (dat doet elke undercover) en een valse identiteit aangenomen – ook dat ontkennen zij meestal niet. Een veroordeling voor die minder zware feiten ligt voor de hand, ook al roept de verdediging de ‘noodtoestand’ in: conform de Amerikaanse (en overigens ook de Belgische, dit is vrij internationaal) wet is er geen misdrijf als de dader handelde om een zwaarder kwaad te voorkomen. (Maar het moet een onmiddellijk dreigend kwaad zijn, en wetsovertreding moet het enige middel zijn om het te voorkomen – dat is zo, zeggen de Cubanen, want wij hebben informatie aan de FBI doorgegeven en die doet daar niets mee. De FBI zegt inderdaad informatie over dreigende aanslagen te hebben doorgekregen van de Cubaanse verdediging, maar ontkent dat die relevant was). Toetsen kunnen we dat niet: geheim. Kans dat een Amerikaanse rechter, gezworene of ingezworen, voor Cubaanse agenten noodtoestand zal aanvaarden lijkt me uiterst miniem. Maar dat zijn geen feiten waarvoor je jaren zou opgesloten worden. Vliegtuig op, richting Cuba zou daar en hier de voor de hand liggende reactie zijn.

Veel belangrijker zijn de andere tenlasteleggingen. Aanvankelijk dus spionage, maar geen enkel ‘geheim’ Amerikaans document of gegeven is aangetroffen (daarover zijn verschillende hoge Amerikaanse ambtenaren gehoord ). Spionage wordt dan een moeilijke tenlastelegging. De aanklager vat het briljante idee op de 5 te beschuldigen van “samenzwering tot spionage”. In België kennen we iets dat daar op lijkt: bendevorming, overigens ook een artikel dat nu en dan als noodoplossing boven de pinnen wordt gehaald. Waarop is dat gebaseerd? Op die duizenden in beslag genomen bestanden, maar – voor zover ik uit de hoorzitting kon opmaken – heeft de aanklager de grootste moeite om daar enige ‘samenzwering’ tegen Amerikaanse belangen uit te distilleren. Terroristische, zelfs gewone oppositiegroepen, zijn immers geen object van specifieke staatsbescherming… toch niet officieel. Een van hen, Gerardo Hernández, is ooit op een marinebasis gezien, maar dan in het publiek toegankelijke gedeelte daarvan (in het proces in Atlanta werd druk gedebatteerd over het verschil tussen een publieke zone en een zone die alleen maar ‘niet verboden’ was…de voorzitter leek nogal sceptisch).

Maar er is erger: Hernández wordt bovendien van “samenzwering tot moord” beschuldigd. Waar slaat dat op? In februari 1996 zijn twee vliegtuigjes boven Cuba neergeschoten, twee doden. Volgens Cuba boven Cubaanse zee, volgens de VS-autoriteiten in internationaal luchtruim. Vast staat dat ze de bedoeling hadden Cuba te overvliegen. Bij dergelijke vluchten worden dan grote aantallen pamfletten uitgestrooid, met oproepen tot sabotage en andere vormen van opstand tegen het regime. Daar zijn tal van precedenten van, en Cuba had dan ook al gewaarschuwd met harde tegenactie. Ik laat in het midden of het neerschieten van een vliegmachine in zo’n geval verantwoord is, de vraag mag ook gesteld worden wat de VS in het omgekeerde geval zou doen. Maar wat heeft Hernández daarmee te maken? Volgens de aanklacht heeft hij “samengezworen” om de vliegers neer te halen. Dat veronderstelt: een afspraak (met de Cubaanse luchtafweer) om dat te doen, in de wetenschap dat het boven territoriale zee zou gebeuren. Want anders valt het sowieso onder Cubaanse wetgeving (wat door de rechter expliciet werd gezegd en door de aanklager impliciet toegegeven). Bewijs? Aanklager: 29 e-mails. Rechter: maar “what is the strongest language used” ? (wat is de klip-en-klaarste tekst?) Aanklager: u moet ze in de context zien. President: maar wat is dan de sterkste nota, er moet er toch een zijn die boven de context uitsteekt? Uiteindelijk komt de aanklager met een bericht aan Hernández, waarin hem gevraagd wordt NIET mee te vliegen met de betrokken vlucht. “Under no circumstance”. Duidelijk is dat Hernández met die vluchten bezig was – en blijkbaar was denkbaar dat hij, als infiltrant en volgens de daders dus als bendelid, mee zou vliegen. Voorzitter: blijkt daaruit dat hij wist dat het vliegtuig zou neergehaald worden? Dat het de bedoeling was dat boven de internationale zee te doen? Dat Hernández die bedoeling kende? Aanklager: Your honor, wij menen dat dat uit circumstancial evidence blijkt… Hij is geen gewoon agentje, hij is een redelijk hooggeplaatste officier van de Cubaanse veiligheidsdienst; en na het incident met het vliegtuig heeft de hele groep promotie gekregen.

Maar niet valt in te zien waarom Cuba opzettelijk dat vliegtuig in het vrije luchtruim zou raken, als ze net zo goed een paar seconden konden wachten. Dat zou immers, aldus de verdediging in nogal Cuba-ongenegen termen, een “act of war” zijn – die zijn cliënt niet kon voorzien. En dus is het ook niet erg geloofwaardig dat uit de context zou blijken, dat ze die bedoeling tussen de regels aan Hernández zouden geopenbaard hebben…
De tenlastelegging werd door de openbare aanklager in Miami kort voor de juryzitting daar ingetrokken wegens gebrek aan bewijs; maar de rechter oordeelde dat het daar te laat voor was en verklaarde die intrekking onontvankelijk.

3. De echte inzet van de zaak.

Vanuit Cubaans perspectief zijn de Vijf helden. Waarom? Om dezelfde reden waarom politie-of andere mensen die terreuraanslagen voorkomen, overal als helden worden beschouwd.

Cuba oefent zijn recht van zelfverdediging uit door de gewelddadige oppositie te bestrijden (en niet alleen de gewelddadige hoor ik iemand tegenwerpen – wat ook zo is, maar daar gaat het nu niet over). De VS-autoriteiten weten dat groepen, die wereldwijd verboden activiteiten voorbereiden, op hun grondgebied actief zijn en dat er effectieve daders van aanslagen rondlopen. Ze doen daar vrijwel nooit iets tegen. Dus moeten we hen helpen op te treden, en het desnoods zelf doen.

De Amerikaanse regering zit hier in principe moeilijk mee: ze wil regime change in Cuba, ze kan niet ontkennen daar actief aan mee te werken – alle opeenvolgende regeringen sinds 1960-, met inbegrip van gewelddadige acties, minstens in het verleden. Officieel toegeven dat ze terreuracties steunt, is in deze tijd van War on terror wel erg moeilijk geworden. Maar die terreurgroepen laten vallen, is in strijd met haar Cuba-politiek. Dit proces legt dan ook een schreeuwend contrast bloot tussen twee politieke lijnen. De Amerikaanse regering komt zeer direct in de rechtsgang tussenbeide, onder meer door het proces de status van ‘staatsveiligheid’ te geven, waardoor onder meer een deel van het bewijs voor de verdediging kan worden achtergehouden.

Men weet ook dat Bush een uiterst gepolitiseerde benoemingspolitiek volgt om het gerecht zo veel mogelijk naar zijn hand te zetten in de ‘strijd tegen terreur’ (Guantanamo, systematische afluistering, geheime gevangenissen, jarenlange detentie zonder proces) en … tegen Cuba. De obsessie met Cuba is eigenlijk een fantoompijn van de koude oorlog – de enige reden waarom die voortleeft is dat de anti-Cubaanse groep in Miami en in mindere mate in steden als New York een decisief aantal stemmen kan bijeenbrengen: Florida was, zoals u zich herinnert, de staat waarin Bush het uiteindelijk na een hoogst bedenkelijke telprocedure met een paar duizend stemmen van Gore won, wat hem de nodige kiesmannen verschafte om (met minder stemmen dan Gore) verkozen te worden! Voor Cuba staat, zoals al veertig jaar lang, zijn nationale soevereiniteit op het spel, en zijn keuze voor een socialistisch regime – dat nadelen heeft, maar onder meer minder bedelaars en daklozen produceert dan ik in Atlanta of Birmingham gezien heb… En waar – naast toegenomen cynisme – veel idealisme blijft bestaan, bij artsen, in het onderwijs, in sociale diensten – en bij mensen als de Cuban Five…

4. Over de rechtsgang zelf.

In de V.S. is de jury een heilige instelling. Ze vervult er een veel grotere rol in de strafprocedure (en zelfs op civielrechtelijk gebied) dan bij ons: ofwel sluiten de partijen een akkoord over schuld en boete, ofwel komt de zaak in haar zwaarste kwalificatie voor de jury. Bovendien is de effectieve beslissingsmacht van de jury er groter dan in ons Hof van Assisen, waar de carrièrerechters het debat veel strakker leiden en de advocaten minder ingebonden worden (het model vindt bij ons meer en meer navolging, maar de wet is nog niet helemaal mee), waar de voorzitter door de vraagstelling aan de gezworenen de afloop kan beïnvloeden (in de VS stelt de aanklager de vragen op), waar het openbaar ministerie veel minder een ‘objectiverende’ rol speelt dan bij ons (het vermindert!) en waar geen onderzoeksrechter bestaat, waar de rechters meebeslissen over de schuld, als de jury met zeven tegen twaalf ‘ja’ antwoordt op een vraag. In de VS gelooft men sterk in de gelijkheid van de partijen – maar staat de behoeftige op gelijke voet met de rijke en met de staat?; de oorsprong van ons model is: bescherm de zwakkere tegen de sterkere staatsmacht, daar heb je (onder meer) onderzoeksrechters voor.

En in de VS gelooft men heilig in het recht van de mens om ‘door zijn gelijken’ te worden geoordeeld; het staat met zoveel woorden in de grondwet – terwijl bij ons het wantrouwen tegen de jury almaar vaker geventileerd wordt, en de bevoegdheid van het Hof van Assisen ingeperkt.

Maar ideale justitiemodellen bestaan niet: de zwakte van de jury ligt in de maatschappelijke realiteit, waaruit zij, en de beklaagden, afkomstig zijn. Dat werkt, waarschijnlijk in alle culturen ter wereld, in het nadeel van wie geen deel uitmaakt van de samenleving (buitenlanders in ’t algemeen; vroeger negers, en dat is nog niet helemaal veranderd – maar wat moeten we denken over Cubaanse communisten, de aliens bij uitstek???). In politieke zaken kan het makkelijk een schervengericht worden.

De tegenstanders van het jurysysteem zeggen dat professionele rechters daar … professioneler mee (zouden moeten) omgaan, maar dat hangt natuurlijk sterk van de selectie van die rechters af. Die worden in de VS op sommige niveaus verkozen, maar meestal benoemd… door de zittende macht. (federale rechters, die in de zaak van de Cuban 5 optreden, worden door de federale regering voor het leven benoemd. Er is geen traditie van ‘evenhandedness’, alle presidenten benoemen onbeschaamd uit eigen rang, maar niet allemaal zijn ze even fanatiek).

Berucht is met name de benoemingspolitiek van de regering-Bush en haar minister van justitie, Alberto Gonzalez, die zopas is moeten aftreden omdat hij van systematische uitzuivering van ‘democratische’ aanklagers (die afzetbaar zijn) en systematische benoeming van uiterst conservatieve rechters en aanklagers zijn voornaamste beleidskenmerk had gemaakt.

Het proces in Miami heeft zeven maanden geduurd, herhaalde verzoeken van de verdediging om de zaak naar een ander rechtsgebied te verwijzen zijn afgewezen. Hun argument was: de media hier in Miami staan unaniem achter de aanklager en eisen het vel van de Cubaanse ‘terroristen’, tegen wie zij de publieke opinie ongenuanceerd opruien wegens spionage en beoogde terreuraanslagen (terwijl ze daar niet eens van beschuldigd werden). Het neerschieten van de twee vliegtuigjes lag nog vers in het geheugen en het opblazen van Cubaanse hotels en andere eigendommen was altijd ofwel doodgezwegen, ofwel toegejuicht. De juryleden kregen niet alleen een dagelijks persbombardement tegen de verdachten te verwerken, zij werden ook persoonlijk gevolgd, opgebeld, thuis bezocht door anti-castristen. Het lijdt geen twijfel dat de druk op hen groot geweest is, nog afgezien van de vraag of ze die druk wel nodig hadden.

De rechter wijst, na tal van incidenten, de vraag tot verwijzing van de zaak iedere keer af. Hij vindt dat de jury groot genoeg is om aan druk te weerstaan, en voegt eraan toe dat er geen Cubanen in zitten. Er is geen reden om aan hun onpartijdigheid te twijfelen oordeelt hij. Uiteindelijk worden de vijf op alle punten schuldig verklaard .
De straf wordt dan, net als bij ons, door de rechter bepaald. En die is niet mals: tweemaal levenslang + 15 jaar voor Hernández . Twee anderen krijgen één keer levenslang en nog wat jaren er bovenop. De andere twee krijgen ‘slechts’ 19 en 15 jaar.

Florida kent geen doodstraf maar heeft in plaats daarvan de ‘niet voor inkorting vatbare’ levenslange opsluiting ingevoerd: vrijlating is nooit meer mogelijk. (In ons land bekend als de ‘onsamendrukbare’ straf, een gallicisme dat gelukkig nog geen wet is geworden)


Schuldig verklaard door een jury, daar is bij ons geen hoger beroep tegen mogelijk; in de V.S. ook niet echt. Maar is een appeal die het midden houdt tussen hoger beroep en cassatie (waar alleen wetskrenking of procedurefouten mogen worden ingeroepen). Vergelijk het met onze cassatieprocedure, als je in aanmerking neemt dat die ook een ‘Straatsburg’-toets omvat (d.w.z. het Hof neemt kennis van middelen die schending van de Belgische wet aanvoeren, maar ook de aanzienlijk ruimer omschreven ‘fair trial’-criteria van het Europese verdrag voor de rechten van de mens). Het Court of appeal kan oordelen dat de procedure niet eerlijk of correct is verlopen (bijv: dat bewijs ten gunste zou zijn achtergehouden, dat de rechter de jury beïnvloed heeft ten nadele van de verdachte…), dat het bewijs kennelijk onvoldoende was om tot een veroordeling te komen (dus niet zomaar een verschil van mening met de jury: men weegt af of de jury redelijkerwijs tot haar eindbeslissing kon komen). Blijkbaar is beroep ook mogelijk over de strafmaat zelf als die ‘onredelijk’ wordt geacht (dus ook niet zomaar ‘te zwaar’).
De vijf gaan ‘in beroep’, dat brengt de zaak naar het Court of appeal van Atlanta, Georgia; een paar honderd km van Miami. Zij roepen een twintigtal grieven in.

Twee jaar geleden (9 augustus 2005) zijn drie raadsheren (een ‘panel’, wij zouden zeggen: een kamer) van het Hof van beroep te Atlanta ingegaan op de eerste grief van de verdediging: de jury stond in Miami onder zware druk van een Cuba-vijandig deel van de publieke opinie en de media. De veroordeling wordt vernietigd en een nieuw proces bevolen, buiten Miami. Het 76-blz. lange arrest leest als een requisitoir tegen de rechtsgang en de sfeer van partijdigheid in de Floridaanse stad. “The perception that these groups could harm jurors that rendered a verdict unfavorable to their views was palpable.” (De indruk dat zij, nl. de gewelddadige anti-Cubaanse bendes, gezworenen kwaad zouden kunnen doen indien ze zouden beslissen in een zin die deze groepen onwelgevallig zou zijn, was tastbaar).

Het panel volgt daarin de kritiek van een werkgroep van de VN-Commissie voor de rechten van de mens, die op deze grond had geoordeeld dat de Vijf geen eerlijk proces hadden gekregen. (de groep oordeelde bovendien dat hun gevangenhouding een daad van willekeur uitmaakte).

Victorie! Hoop voor de vijf Cubanen, die intussen zeven jaar vastzitten, afzonderlijk, meestal in eenzame opsluiting en met één keer contact met hun familie of helemaal geen; en bovendien zeer beperkte contactmogelijkheden met hun advocaten, wat uiteraard een probleem is bij de voorbereiding van de verdediging.. Dit aspect van jarenlange afzondering is door Amnesty International aan de kaak gesteld.
Maar de hoop wordt snel teniet gedaan. De federale Minister van justitie (Alberto Gonzalez dus ) geeft opdracht dit arrest aan te vechten bij de verenigde kamers van het Hof.

Deze procedure is bijzonder zeldzaam. Verschillende juristen die in Atlanta het proces bijwoonden hebben mij bevestigd dat ze het nooit eerder hadden meegemaakt en mijn handboek “Criminal justice in Amerika” vermeldt de mogelijkheid niet. Misschien heeft die te maken met het ‘staatsveiligheidskarakter’ van de zaak.

Het voltallige hof, twaalf raadsheren, hoort de argumenten en doet vier maand later, in augustus 2006, wat de prosecutor vraagt: de vernietiging herroepen. De drie leden van de kamer, wier arrest wordt ingetrokken, distantiëren zich in een dissenting opinion.

We zijn opnieuw een jaar later; in Europa zou men ernstig gaan twijfelen aan de naleving van het recht van de verdachten om binnen een redelijke termijn berecht te worden. De Amerikaanse rechtspleging is sowieso een hersenbreker voor wie met continentaal-Europese wetboeken is afgestudeerd.
Atlanta, 20 augustus 2007. De advocaten verschijnen opnieuw voor dezelfde kamer die eerder in gunstige zin oordeelde (maar één van de raadsheren is intussen op pensioen en vervangen – mij wordt gezegd: door een Bushgetrouwe).
Tussen haakjes, heel die appealprocedure, in al haar fases, speelt zich buiten tegenwoordigheid van de beschuldigden af!
Wat nu voorkomt is: de rest van de argumentatie tegen de veroordeling (omdat zij de veroordeling hadden vernietigd op grond van één middel, hoefden ze de andere destijds niet meer te onderzoeken; dat gebeurt nu dus wel). Vooral: krenking van hun recht op een eerlijk proces door prosecutorial misconduct. De aanklager heeft in zijn final arguments (het slotpleidooi, dat alleen op het voorgelegde bewijs mag steunen) onrechtmatige argumentatie aangevoerd. Ik heb vooral onthouden: hij bezwoer de jury dat de Vijf de Amerikaanse samenleving wilden vernietigen, dat het terroristen waren. En bovendien verweet hij hen zich te laten verdedigen op kosten van de Amerikaanse belastingbetaler, het tax payers argument, waarover een uitgebreide jurisprudentie blijkt te bestaan. De voorzitter stipte aan: er is 28 keer een objection geweest, en die is 28 keer sustained (door de rechter bijgetreden) – dat kennen we uit tv-series. (‘Objection, your honour!’ – ‘sustained’ – of overruled…) (blijkbaar houdt de griffier dat allemaal bij, wat bij ons niet gebeurt !)

Tweede resterend hoofdmiddel (dat per veroordeling geldt): te zwak bewijsmateriaal om tot een veroordeling op de twee hoofdpunten te komen. Uiteindelijk en subsidiair: onredelijk zware straf, vergeleken met andere spionagezaken.

De zitting verloopt sereen, maar soms scherp. De voorzitter begint met het publiek uit te leggen dat zijn kamer onpartijdig moet zijn, soms scherpe vragen zal stellen als ‘advocaat van de duivel’, maar dat geldt beide partijen zegt hij, en we houden ze in equal distrust. Omdat er ongewoon veel mensen (ook veel buitenlandse waarnemers) aanwezig zijn, wijst hij deze erop dat ze geen tekenen van goed- of afkeuring mogen geven, een haast letterlijk citaat uit het Belgische wetboek van strafvordering. Hij vraagt de partijen letterwoorden en afkortingen te vermijden, de zaak is zonder dat al ingewikkeld genoeg met al die organisaties – hij heeft het over de diverse revanchistische groepen, die in het dossier uitvoerig besproken worden. Hij verontschuldigt zich voor zijn afgrijselijke uitspraak van Spaanse namen. Dan vraagt hij de landsadvocaat de notulen van de geheime zitting in Miami over te leggen (houdt de griffier die dan niet bij, vraag ik mij af – en Edith Flamand, altijd nog iets wantrouwiger dan ik: maar dan kan die staatsadvocaat – wellicht eerder een ambtenaar – daar toch mee knoeien?).
Al heeft die zitting maar een goed uur geduurd, ik heb meteen een vrij goed beeld gekregen van het Amerikaanse recht. Er staat een grote timerklok: eerst krijgt de verzoeker (de raadslieden van de veroordeelden dus) het woord gedurende twintig minuten. Ze worden voortdurend onderbroken door vragen en tegenwerpingen van de rechters. Dan de landsadvocaat, een half uur, laat zich op een bepaald moment – als de voorzitter hem nogal sceptische vragen stelt- ontvallen: U moet niet alleen de middelen van de verzoekers lezen!. En tenslotte de verdediging weer: 10’.

Behalve over de kwestie van het luchtruim en het neerschieten van de vliegers, draaide de zitting vooral rond technisch-juridische kwesties over het begrip ‘spionage’ en over de vraag of de openbare aanklager de jury onrechtmatig beïnvloed had.

Dat deze zitting op zichzelf correct is verlopen, staat wel vast.
Uitspraak wordt pas over weken, zo niet maanden verwacht. De advocaten leken optimistisch, enkele juristen die de zitting bijwoonden bevestigden de indruk, dat het Hof wellicht een nieuw proces zou bevelen. Maar het blijft afwachten.

5. Politiek.

Zal deze zaak op gerechtelijk vlak een rechtvaardige afloop kennen? Moeilijk te zeggen, maar dat zal alleszins veel tijd vragen. Echt politiek processen hebben altijd iets van een schimmenspel: wellicht worden formele procedures gerespecteerd, de wet nageleefd – maar dat is toch niet het hele beeld.
Als het Hof van Atlanta opnieuw een heropening van de zaak beveelt – is het niet uitgesloten dat de regering weer de verenigde kamers inschakelt (al is er daartegen een nieuwe minister van justitie…). Anders komt er een nieuw assisenproces, en wel in Atlanta. Wanneer begint dat? Hoe lang zal dat duren (het eerste nam zeven maanden). Hoe zal het aflopen? En bij goede of slechte afloop is er nog het Supreme Court van de VS… In afwachting blijven de betrokkenen opgesloten.

Op politiek vlak kan er intussen van alles gebeuren. Een democraat kan president worden, in Cuba kan Fidel definitief terugtreden (biologisch of alleen institutioneel…), er kan een dooi tussen beide landen komen… De eerste generatie van de revanchisten sterft uit; maakt dat een detente mogelijk, of blijven er nieuwe komen? Ooit zal er wel enige dooi optreden, maar wellicht niet in de eerste drie, vier jaar en misschien veel langer als postcastristisch Cuba zich niet naar de wensen van het Imperium plooit. Maar in de jaren tachtig ondernam de regering-Castro een charmeoffensief naar de Cubaanse diaspora; velen kwamen hun familie in Cuba bezoeken, en er kwamen allerlei organisaties voor betere Cubaans-Amerikaanse betrekkingen. Dat was niet naar de zin van de VS-regering, die de reismogelijkheden en de overmaking van geld zo veel mogelijk tegenwerkte – maar ook de Cubaanse regering draaide de openheid terug. Pas in de laatste jaren knoopte ze weer aan met de toenadering tot de diaspora.

Voor de Cinco is er dan ook niet zoveel hoop op een spoedige oplossing, tenzij media- en internationale druk zou toenemen. Zoals alle landen zijn ook de VS daar toch enigszins gevoelig voor.
In dat opzicht was de radiostilte van de voorbije jaren typisch voor de eenzijdigheid van zowel het mensenrechtendiscours als het terrorismediscours: de VS kunnen zich zowat alles permitteren. Pas sinds enkele maanden komen de vijf nu en dan in de media, in de VS en daarbuiten. Een paar weken geleden ‘haalden’ ze de New York Times, in een erg sceptisch artikel, maar toch. Een krant in Atlanta schreef over het proces, en in vrij kritische termen.
In de Europese media wordt er ook iets meer over gelezen. Een maand voor de zitting in Atlanta, zond de BBC World een interview uit met Gerardo Hernández. Ook onze media hebben de zaak ontdekt (VRT-radio, Standaard, Morgen, Gazet van Antwerpen, Belang van Limburg, Belga…). Dat heeft blijkbaar vooral met de aanwezigheid van Belgische juristen te maken (o.m. Paul Bekaert, afgevaardigd door de Orde van Vlaamse Balies, E. Flamand, ikzelf). Het internationale steuncomité verzet veel werk, met engelengeduld.

De advocaten – pro deo’s, maar die schijnen hier redelijk betaald te worden – nemen de zaak op zich als een missie, al leggen ze er graag en zeer expliciet de nadruk op dat ze geen communisten zijn. “Of course you hate Cuba” hebben ze tegen de jury gezegd. ‘Captatio benevolentiae’ heet dat in de retorica… Het wordt tegen hen gebruikt: als jullie de jury zo mogen beïnvloeden, dan mogen wij ook zeggen dat jullie de belastingbetaler een hoop geld kosten, aldus de tegenpartij.

Een van de opmerkelijkste verschijningen op de rechtszitting en op de persconferentie nadien was Ramsey Clark, de gewezen procureur-generaal en minister van justitie (dat is hier hetzelfde) onder Lyndon Johnson.

Hij noemde het proces ‘misbegotten’ (het had er nooit mogen komen) en zei te hopen dat de 5 onmiddellijk worden vrijgelaten, dat de Amerikaanse regering haar aanklacht tegen hen intrekt, hun een schadevergoeding uitbetaalt en hen aanneemt om terroristen te bestrijden, in plaats van terroristen in bescherming te nemen.

Ik sluit me daar graag bij aan. Maar hoop is iets anders dan verwachting…
In Cuba kent iedereen los Cinco. De slogan, die geen redenaar zal vergeten, luidt: “Volverán los cinco” (de Vijf zullen terug komen!). Ik zou zeggen: Que vuelvan! – ik wens het ze toe.

(Uitpers, nr 89, 9de jg., september 2007)


Verder volgen? Iets doen? Zie onder meer de websites www.freethecubanfive.com; www.freethefive.org. In België ‘vertegenwoordigd’ door Free-the-Five Comité – België (Katrien Demuynck) Haachtsesteenweg 53 – 1210 Brussel, 02 209 23 50 – 0476 810 413 –
free-the-five@cubanismo.net

(Visited 6 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 80 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook