De context van de Syrische bezetting van Libanon

De moord op de Libanese miljonair en ex-premier Rafiq al-Hariri heeft niet alleen van Libanon maar ook Syrië terug voorpaginanieuws gemaakt. Er gaat amper een dag voorbij of Damascus krijgt een nieuwe oproep te verwerken om de bepalingen van Resolutie 1559 van de VN-Veiligheidsraad uit te voeren. Deze vraagt de terugtrekking van alle vreemde troepen en het herstel van de soevereiniteit en politieke onafhankelijkheid van Libanon.

Syrië verklaart zich nu akkoord tot een terugtrekking in twee fazen. Een deel van de troepen (4 tot 6.000 afhankelijk van de bron) is al huiswaarts gekeerd. De terugtrekking van het ander deel, dat in de Bekaa-vallei is gelegerd, is voer voor een Libanees-Syrische militaire top op 7 april. Vermoedelijk zal deze terugtrekking plaatsvinden nog voor de parlementsverkiezingen van mei. Dat is in elk geval wat geëist wordt van de indieners van resolutie 1559, Frankrijk en de Verenigde Staten. De Europese Unie heeft op haar lentetop van 23 maart deze eis bevestigd.

Een belangrijk deel, wellicht de meerderheid, van de Libanese bevolking ziet de Syriërs graag vertrekken, zeker als het gaat over de gevreesde militaire inlichtingendienst. De toekomst van Libanon blijft evenwel onzeker. Eens de terugtrekking voltooid garandeert weinig dat het einde van ‘Pax-Syrië’ zal leiden tot een vreedzaam en stabiel klimaat. Op maandag 14 maart veroverden honderdduizenden van de Libanese oppositie het Martelaarsplein in Beiroet. Een week daarvoor lieten Hizbollah en Amal met eveneens honderdduizenden zien dat de pro-Syrische krachten evenmin te onderschatten zijn. De krachtmeting verloopt vreedzaam, maar de schaduw van de Libanese burgeroorlog hangt boven het politieke proces. Daarnaast is nog niet duidelijk in hoeverre de Syrische greep op de Libanese politiek met de militaire terugtrekking zal verminderd zijn. President Emile Lahoud wordt door veel Libanezen beschouwd als een stroman. Bij de oppositie is men de Syrische interventie voor een amendement op de Grondwet (2004) om Lahouds mandaat te kunnen verlengen niet vergeten. Deze inmenging vormde trouwens de reden voor het ontslag van Hariri als premier.

Resolutie 1559 in perspectief

Resolutie 1559 kwam tot stand onder impuls van Frankrijk en Verenigde Staten. Maar heel groot was de consensus niet. De stemronde gaf 9 voor stemmen voor tegen 6 onthoudingen onder wie China en Rusland. De vertegenwoordiger van de Russische Federatie legde voorstellen voor amendementen op tafel om de resolutie meer in de context van een oplossing in heel het Midden-Oosten te plaatsen. Rusland vond de resolutie te eenzijdig en zoals veel andere onthouders te veel een inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van Libanon. De amendementen haalden het niet. Opmerkelijk ook was de interventie van de Libanese vertegenwoordiger bij de VN, Mohamad Issa. Deze stelde dat Syrië de legermacht ontplooide en herontplooide op verzoek van Libanon zelf om stabiliteit en veiligheid te brengen. Daardoor werden de radicale reacties als gevolg van terugkerende Israëlische acties onder controle gehouden.

De Verenigde Staten van hun kant zeiden dat Syrië zijn wil oplegde en het principe van eerlijke en vrije presidentiële verkiezingen onmogelijk heeft gemaakt. Het Libanese kabinet en parlement zijn duidelijk onder druk gezet om grondwet te veranderen om de termijn van president Lahoud met drie jaar te verlengen.

De andere bezettingen in het Midden-Oosten

Resolutie 1559 spreekt over de terugtrekking van ‘alle niet-Libanese troepen’. Voor partijen als Hizbollah is daarmee impliciet ook Israël genoemd dat na de terugtrekking uit Zuid-Libanon in mei 2000 wel nog de ‘Shaba-farms’ bezet houdt. Het gaat om een vruchtbare strook van 14 op 2 km dat volgens een akkoord tussen Libanon en Syrië (1951) tot het Libanees grondgebied behoort. Israël, en ook de VN, beschouwen het gebied daarentegen als deel van de Golan-hoogte, veroverd Syrisch grondgebied dus.

Israël houdt de Golanhoogte al sinds 1967 bezet en lijkt niet van plan er ooit nog te vertrekken. Het gebied is inmiddels al gekoloniseerd. De VS hebben, in tegenstelling tot hun inspanningen rond de Syrische bezetting van Libanon, tot nu toe weinig druk op Israël uitgeoefend om dat gebied net als de Palestijnse gebieden te ontruimen. Aan resoluties ontbreekt het nochtans niet. Zelfs resolutie 1559 vermeldt indirect (via Resolutie 1553) “het belang en de noodzaak voor een rechtvaardige en duurzame vrede gebaseerd op alle relevante resoluties waaronder 242 (1967) van 22 november 1967 en 338 (1973) van 22 oktober 1973”. Deze resoluties vragen de terugtrekking (en via 338 onmiddellijke terugtrekking) van Israël uit de gebieden die het bezet. Alleen al in 2004 zijn vier resoluties gestemd (1525; 1544; 1550; 1553) die telkens deze zelfde boodschap hernemen, evenwel zonder gevolg. Onze minister van Buitenlandse zaken De Gucht verklaarde in De Standaard (8 maart): “Ik vind dat we de druk op Syrië moeten aanhouden om tot een volledige en onvoorwaardelijke terugtrekking te komen.” Hij koppelde er in een adem het lot van het Associatie-akkoord tussen Syrië en de Europese Unie aan, dat wel al getekend is, maar nog moet geratificeerd worden. Na de door het Europees Parlement gestemde resolutie om het Associatie-akkoord met Israël op te schorten omwille van de Israëlische schendingen van het akkoord – de uitvoer vanuit joodse nederzettingen in bezet gebied – keken de Europese ministers van Buitenlandse Zaken de andere kant op. De Gucht wil naar eigen zeggen het ‘vredesproces’ niet in gevaar brengen. Twee maten, twee gewichten?

Historisch perspectief: het verraad van de koloniale machten

Een aantal westerse landen die vandaag de politieke correctheid prediken liggen dikwijls aan de basis van de actuele politieke problemen. Dat geldt zeker in het Midden-Oosten. Arabische nationalisten hebben het nooit echt verkropt dat de koloniale machten dubbel spel speelden door via een geheime overeenkomst (Sykes-Picot, 1916) de vorming van een grote onafhankelijke Arabische staat onderuit te halen. In Damascus legden de nationalisten zich daar toen niet zomaar bij neer. Een ‘Algemeen Syrisch Congres’ riep begin 1920 de onafhankelijkheid uit van Syrië ‘binnen zijn natuurlijk grenzen’, dat wil zeggen het historische Groot-Syrië (Syrië, Libanon en Palestina). Franse troepen bezetten daarop Damascus en begonnen aan hun koloniaal belangenspel. Om tegemoet te komen aan de (Frans sprekende) maronitische christenen in het Libanongebergte creëerden ze op 1 september 1920 een aparte staatkundige eenheid: Libanon. Deze nieuwe staat werd levensvatbaar gemaakt door er Beiroet, Tripoli, het sjiïtische zuiden en de eveneens sjiïtische Bekaa-vallei aan vast te hechten. Er werd zorgvuldig op gelet de christenen een nipte meerderheid te geven. De vorming van Libanon betekende ook een verzwakking en dus een gemakkelijker te besturen Syrië. Dit spel van verdelen en heersen was er mee de oorzaak van dat het vijf decennia later tot een bloedige burgeroorlog kwam in Libanon. Syrië op zijn beurt heeft de opdeling van de Syrische provincies uit de Ottomaanse tijd (meer dan 300.000 vierkante kilometer groot) naar bijna de helft nooit echt kunnen verkroppen.

Pas in 1991, met de ondertekening van het Verdrag van Broederschap, Samenwerking en Coördinatie en het Defensieverdrag garandeert de Syrische leider Hafez al-Assad voor het eerst de onafhankelijkheid van Libanon. Maar eigenlijk kwam het er in de praktijk op neer dat het Libanese regime moest regeren volgens de instructies uit Damascus. Dat Frankrijk zich nu actief mengt in de Libanese zaak en Syrië dwingt tot vertrekken heeft nog altijd te maken met de oude historische en culturele banden met Fransprekend Libanon.

Syrië depanneert tweemaal tijdens de Libanese burgeroorlog

In de eerste fase van de burgeroorlog (1975 – 1976), toen de burgeroorlog grosso modo tussen twee allianties (de islamitische Progressieve Nationale Beweging en het overwegend Christelijke Nationaal Front) werd uitgevochten, greep Syrië in het voorjaar van 1976 in om de huid te redden van de zittende christelijke president Franjieh en de Falangisten. Het Syrisch ingrijpen werd aangemoedigd door Israël en de VS die op die manier de invloed van de PLO in Libanon hoopten terug te dringen. In de jaren na de burgeroorlog wisselden de kampen geregeld en zou ook Israël tweemaal bloedig ingrijpen. Pas in 1989 bereikten de nog levende Libanese parlementariërs een akkoord in het Saoedische Taïef. Er kwam een nieuwe machtsverdeling tussen de verschillende bevolkingsgroepen van Libanon en er stond inderdaad ook in, zoals de Fransen en de VS daar nu graag aan doen herinneren, dat er een onmiddellijke en volledige terugtrekking moest komen van de Syrische troepen. Het akkoord bracht evenwel geen onmiddellijke rust. In volle golfcrisis, toen de VS en Frankrijk Syrië nodig hadden voor hun confrontatie met Irak, gaven deze aan Assad voor de tweede maal hun stilzwijgende goedkeuring om nogmaals orde op zaken te stellen in Libanon door het regime van president Hrawi te verlossen van de opstandige generaal Aoun. De Syrische bezetting kwam de westerse grootmachten, ondanks de Taif-akkoorden gelegen, zoals het hen nu ongelegen uitkomt.

Amerikaanse agenda

Na de moord op Hariri, escaleerde de anti-Syrische stemming in de VS. Zonder enig bewijs of aanwijzing over wie achter de moord zit, riepen twee senatoren, George Allen en Eliot Engel, respectievelijk Republikein en Democraat, op om een ‘boodschap te sturen’ en Damascus te onderwerpen aan ‘nieuwe strenge maatregelen’. Hoewel het regime van Bashar al-Assad de moord een ‘gruwelijke misdaad’ heeft genoemd, vond de VS-minister van Buitenlandse zaken, Condoleezza Rice, dat de tijd rijp was voor het terugroepen van de VS-ambassadeur voor ‘overleg’.

Als Syrië achter de moord zou zitten, dan is het een domme daad. Het was immers voorspelbaar dat dit de anti-Syrische oppositie een stevige duw in de rug en de VS een voldoende argument in handen zou geven om Damascus in alles en nog wat stevig onder druk te zetten.

President Bush had in zijn state of the Union (februari 2005) al duidelijk gemaakt dat het niet langer “regimes die terroristen herbergen en in het bezit zijn van massavernietigingswapens” zou tolereren. En: “Syrië laat nog altijd toe dat zijn grondgebied en delen van Libanon worden gebruikt door terroristen die elke mogelijke kans op vrede proberen te vernietigen”. De volgende dag vertelde Wolfowitz de Senaatsleden van de ‘Armed Services Committee’ dat Syrië moet stoppen met het “destabiliseren van Irak’.

Syrië staat op de VS-lijst van landen die het terrorisme sponsoren. In november 2003 stemde het Congres de ‘Syria accountability Act’, waarin Syrië beschuldigd wordt van het ‘herbergen van terroristen’, het ‘ontwikkelen van massavernietigingswapens’ en het ‘bezetten van Libanon’. Syrië wordt er “verantwoordelijk gehouden voor de ernstige veiligheidsproblemen die het heeft veroorzaakt in het Midden-Oosten”. Kort daarop werd de export naar Syrië aan banden gelegd en Syrische vliegtuigen van Amerikaanse bodem verbannen.

In een tribune in de Wall Street Journal (7 januari 2004) winden David Frum en Richard Perle, bekende namen uit het oerconservatieve VS-kamp er geen doekjes om : “wanneer de deur (naar democratie) is gesloten” dan kan “Amerikaanse macht de enige weg zijn om ze weer te openen”. Een aantal jaren legde Perle samen met Douglas Feith (die ondertussen vice-minister van Defensie is geworden), David Wurmser (de Syrië-adviseur van vice-president Dick Cheney) en andere neo-cons al de basis voor de actuele Amerikaanse Syrië-politiek in een rapport met de titel : ‘A Clean Break. A new strategy for securing the realm (1996, te vinden op http://www.israeleconomy.org/strat1.htm ). Het rapport laat zonder omwegen verstaan dat de essentie van de politiek tegenover Syrië gaat over het scheppen van een voor Israël voordelige “strategische omgeving… door het verzwakken, inkapselen en zelfs terugdringen” van het regime in Damascus.

(Uitpers, nr. 63, 6de jg., april 2005)

Visited 10 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Ludo De Brabander

Ik ben redactielid en medeoprichter van Uitpers. Je kan me ook vinden als woordvoerder van Vrede vzw. De meeste van mijn geschreven bijdrages gaan over militarisme en conflict (NAVO, bewapening, wapenhandel, militaire interventies,...) en de regio van het Midden-Oosten. Ik ben co-auteur van 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009) en auteur van 'Oorlog zonder Grenzen' (EPO, 2016), 'Het Koerdisch Utopia' (EPO, 2018) en 'Weg van Oorlog. Over militarisme en antimilitarisme' (EPO, 2019).