De Chinezen volop terug in Afrika

S. Michel & M. Beuret, La Chinafrique. Pékin face à la conquête du continent noir,

Paris, Grasset, 2008.

Met het Chinese nieuwjaar van 1421 ontving de Keizer niet minder dan 28 chefs en hoogwaardigheidsbekleders uit Azië, Arabië, de Indische Oceaan en Afrika. Het was voor die tijd een uitzonderlijke internationale bijeenkomst. Het keizerrijk had zijn deuren geopend voor de rest van de wereld. Er was een vloot van zo’n drieduizend schepen, en, ‘nood breekt wet’, toen net als nu. Voor het bouwen van die vloot werd Zuid-China grotendeels ontbost.

Bij de dood van de keizer gingen de deuren echter weer dicht. Vijf eeuwen later hebben de Chinezen hun geschiedenis herschreven. De banden tussen China en Afrika zijn het resultaat van het vuige werk van de Europese kolonialen, zo wordt nu gesteld. Na de onafhankelijkheid van de Afrikaanse landen, in de tweede helft van de twintigste eeuw, kon China op tal van Afrikaanse landen rekenen om zijn zetel in de VN te herwinnen. Er werden fabrieken, stuwdammen, scholen, spoorlijnen en andere infrastructuur gebouwd. Men moet hierbij wel onthouden dat China in concurrentie was met de ‘sociaal-imperialistische’ Sovjet-Unie en dat de belangstelling voor China veel ups en downs kende in Afrika.

Vandaag is China echter terug. Om te blijven, zo ziet het ernaar uit.

In dit boek van twee Franse journalisten die de belangrijkste Afrikaanse landen met Chinese aanwezigheid hebben bezocht en ook op het Chinese vasteland zijn gaan kijken naar de fabrieken en de steden waar de migranten vandaan komen, steek je erg veel informatie op.

Het eerste punt is dat China de oude koloniale machten aan het verdringen is. Ze stellen geen moeilijke voorwaarden, ze werken keihard, ze leven zelf in moeilijke omstandigheden – en niet in luxevilla’s zoals de Britten en de Fransen -, ze moeien zich niet met binnenlandse aangelegenheden, en ze hebben véél véél geld. Ze brengen hun arbeiders mee die zonder morren lange dagen werken tegen een hongerloon. Dat wekt bewondering en respect af bij de Afrikanen.

Ten tweede zijn het niet enkel overheidsbedrijven of staten die met elkaar zaken doen. Heel wat privé-bedrijven en zakenlui gaan op ‘avontuur’ in Afrika, brengen hun hele familie mee en bezitten hele ketens van fabrieken en distributiebedrijven.

Ze gaan zeer verstandig te werk om de Afrikanen voor zich te winnen. Vooraleer contact wordt opgenomen zal men zich informeren over de belangstelling van de Afrikaanse verantwoordelijken, klassieke muziek, goede wijn, een reis naar Europa of naar de Verenigde Staten, het kan allemaal en is van te voren ingepland.

De Chinezen moeten vooral de Wereldbank erg dankbaar zijn. Zij is het immers die voor alle overheidsbestellingen de landen heeft verplicht openbare aanbestedingen te organiseren. En al die grote bestellingen worden de Chinezen in de schoot geworpen, niemand kan tegen hun prijzen op.

Ze kiezen hun landen ook erg goed uit. Marokko is van centraal belang want het heeft vrijhandelsakkoorden met de Europese Unie, met de Verenigde Staten, met de Emiraten, Turkije, Tunesië, Egypte…

China is ook niet te beroerd om wapens te leveren. Het zou inmiddels een van de grootste exporteurs van lichte wapens ter wereld zijn geworden.

En ja, uiteraard is het hen om grondstoffen te doen, olie in Nigeria, Soedan, Congo-Brazzaville en Angola, uranium in Niger, koper in Zambia. Maar, zo weten de Chinezen, om te nemen moet je eerst geven, en dat doen ze erg goed.

Kortom, ze doen alles wat de Europeanen ook altijd gedaan hebben in Afrika, maar zonder het moraliserende vingertje. Ze doen zaken, punt. Ze blijven zelfs van de Afrikaanse vrouwen af, in Douala, Kameroen, zijn zowat 300 Chinese prostituees actief.

Ze hebben ook de Europese praktijken over genomen om rebellen tegen regeringen, regeringen tegen rebellen op te zetten, om hun doel te bereiken. In het Noorden van Niger zijn zowel de Fransen en de Chinezen met elkaar in concurrentie en aan het onderhandelen voor of tegen de regering, afhankelijk van de conjunctuur.

In Tsjaad zijn de rebellen, die vanuit Soedan Idriss Déby bedreigen plots veel minder gevaarlijk geworden, sinds Tsjaad Taiwan liet vallen en de Volksrepubliek China ging erkennen. In Ivoorkust wordt er gefluisterd dat de burgeroorlog door Frankrijk kan zijn aangestoken, omdat men president Gbagbo weg wilde die teveel plannen met de Chinezen zou hebben gehad. De belangen van Frankrijk in Ivoorkust zijn groot: Bouygues voor de bouwwerken, water en elektriciteit, Bolloré voor het spoor, de rubber, de koffie en de haven van Abidjan, France Télécom voor de telecommunicatie, de Société générale, BNP-Paribas en Crédit Lyonnais bij de banken en de verzekeringen, Total voor de olie …

Frankrijk heeft ons verraden, zo hoor je veel Afrikanen vandaag zeggen. We werken liever met de Chinezen, het brengt meer op, en ze moeien zich nergens mee. Afijn, niet openlijk.

Toch beginnen ook hier stilaan wat donderwolken te komen. Veel Afrikaanse werknemers klagen over de slechte behandeling die ze krijgen van hun Chinese bazen. En corruptie mag dan geen probleem op zich vormen, trop dat is teveel. In het superrijke Angola waar verschillende grote projecten zijn opgezet, is twee miljard dollar in rook opgegaan. De bouw van de spoorlijn werd meteen gestopt.

De Chinezen mogen dan overal voor een bijzondere couleur locale zorgen – karaokebars en Chinese restaurants zijn er overal – sommigen denken dat deze bonanza niet kan blijven duren. Op veel plekken werkt China mee aan vredesmissies van de VN, omdat ze nu eenmaal ook hun eigen investeringen willen beschermen. De corruptie kan uit de hand lopen, de werknemers kunnen er genoeg van krijgen.

Maar het beeld dat de twee journalisten weten te schetsen is niet dat van een armzalig hongerig Afrika, wel van rijke elites die zich gewoon alles kunnen veroorloven, zich grote huizen laten bouwen en van de chinezen wel aanvaarden wat ze van de zwarte Afrikanen niet kunnen hebben: er is een Chinese middenstand aan het ontstaan waarvan men vermoedt dat die wel nooit de macht zal overnemen. Afwachten. De kapitaalvlucht uit Afrika is inmiddels veel groter dan de buitenlandse schuldenlast.

(Uitpers, nr 101, 10de jg., september 2008)

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=839266&refsource=uitpers

(Visited 2 times, 1 visits today)
Deel dit artikel
Over Francine Mestrum

Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ voor een transformatieve en universele sociale bescherming. Francine schrijft geregeld voor Wall Street International Magazine, Other News, Alainet, Social Europe en Uitpers