De catechismus van Corijn

Sinds enige tijd is Eric Corijn emeritus (professorenjargon voor ‘gepensioneerd’) en dus niet langer onderworpen aan die idiote publicatiedwang (publish or perish) die in de academische wereld al zo lang kwaliteit opoffert aan kwantiteit. Edoch: sinds dat emeritaat hem meer vrije tijd oplevert is Corijns publicatiedrift eerder nog toegenomen. Het jaar 2022 is nog maar halfweg en er verschenen al drie boeken waarop zijn naam prijkt. Een daarvan is een reader, een bundeling van wetenschappelijke bijdragen waarvoor Corijn (met anderen) optrad als editor ofte coördinator; dergelijke bundels vormen trouwens een behoorlijk deel van zijn academische publicaties. De jongste bundel drukt de hoop uit dat “de stad beter moet/kan/zal worden na corona”; hij werd op Uitpers al eerder besproken.

De (groot-)stad is inderdaad een onderzoeksveld waarover Corijn zich al vele jaren buigt. Niet verrassend besteedt hij daarbij vooral aandacht aan die boeiende maar moeilijke stad waar hij woont: Brussel. Maar zijn theoretische én praktische belangstelling blijft niet beperkt tot de hoofdstad. Al meer dan een halve eeuw volgt Corijn vanuit klein-linkse hoek met actieve bezorgdheid het reilen en zeilen van politieke en sociale strijd in België en meer bepaald in Vlaanderen. Zijn bezorgdheid gold en geldt vooral de overwegend-rechtse oriëntatie van ‘de Vlamingen’ in het algemeen en van de Vlaamse beweging in het bijzonder. Zo was hij – inmiddels alweer dertig jaar geleden – een van de drijvende krachten achter ‘Charta 91’, de democratische tegenbeweging die ontstond na het verbijsterende verkiezingssucces van het Vlaams Blok op die ‘zwarte zondag’ in 1991.

Ondertussen is dat Blok tot ‘Vlaams Belang’ verveld, en wedijvert het – na dertig jaar ‘cordon sanitaire’ – in recente peilingen met de uitgesproken rechts-liberale nationalisten van de N-VA om de eerste plaats in de kiezersgunst. Samen lijken die twee partijen op zowat 45 % van de stemmen te kunnen rekenen, en daarmee eventueel op een meerderheid van zetels in het Vlaams parlement. Reden te over voor Corijn om nog eens alle registers open te trekken tegen de rechtse ‘grondstroom’ in Vlaanderen.

Gotspe

Met de gotspe (ofte: brutale lef) die hem wel vaker kenmerkt stuurt hij zijn alarmkreet de wereld in onder de titel “Vlaanderen, ontwaak”. Het is wellicht ironisch bedoeld, maar voor wie een beetje de geschiedenis kent van de verhouding ‘België/Vlaanderen’ klinkt dit toch eerder beledigend dan grappig. Ach neen, gewoon onnozel.

Want het ‘Vlaanderen’ dat Corijn wil wakkerschudden is – uiteraard? – niet het Vlaanderen dat vóór hem al vele generaties mensen probeerden te laten ‘ontwaken’. Hùn oproep (ofte wake up-call voor wie denkt dat je niet kosmopoliet kan zijn in je moedertaal) probeerde – vanuit de meest uiteenlopende ideologische hoeken – de materieel én geestelijk verpauperde Vlaamse bevolking te mobiliseren voor culturele én sociale emancipatie. Dat is grotendeels ook gelukt, maar de Vlaamse samenleving die daar anno 2022 het resultaat van blijkt, is Corijn – en echt niet alleen hem – een doorn in het oog.

De ‘grondstroom’ in die samenleving is nu rechts tot extreem-rechts, stelt Corijn. En als men een fatale dijkbreuk wil vermijden moet daar snel en krachtig tegen opgetreden worden.

Hoe pakt hij dat aan? Eerst dient natuurlijk het probleem in kaart gebracht. ‘Het populisme en de autoritaire verleiding’ (hst 1) in het algemeen, en ‘de rechts-conservatieve onderstroom in Vlaanderen’ (hst 2) in het bijzonder. Daartegenover moet worden gestreefd naar ‘een alternatief maatschappelijk model’ (hst 3). Dat is niet makkelijk, maar wellicht mag men toch hopen dat het ‘beter zou kunnen worden na corona’ (hst 4).

Het moet gezegd: in die vier hoofdstukken (die grotendeels vooral uitwerken wat eerder al elders verscheen) zijn her en der passages te vinden die in de meest positieve zin des woords ‘de goede onderwijzer’ tonen. Lees: iemand die in begrijpelijke taal de feiten uiteenzet én de onderlinge samenhang daarvan.

Ettelijke passages waarin Corijn de geschiedenis schetst van de politieke en sociale strijd of waar hij elementaire maatschappelijke mechanismen uitlegt, zijn én ‘leesbaar’ én behartenswaardig. Ze getuigen van kennis en talent als ‘onderwijzer’ en verdienen zeker een plaats in een cursus voor eerstejaars. Maar het loopt mis zodra de politieke prediker het overneemt en slechts vertelt wat in zijn ideologische kraam past.

Oudbakken

En helaas zijn de passages waarin de goede onderwijzer aan het woord komt slechts de krenten in een oudbakken brood. De rest (en dat is ongeveer driekwart) van het boek bulkt van herhalingen, clichés, foute of ronduit malafide beweringen. Dat is ergerlijk, ja; maar het is vooral funest voor de geloofwaardigheid van de auteur.

Want dat eerste euvel (herhalingen) ach, dat kan een gevolg zijn van verkeerd begrepen didactiek, of van de slechte gewoonte van vele academici (zie ook hierboven: publicatiedwang) om hun teksten regelmatig te ‘recycleren’ in een andere samenhang. Dat gebeurt ook hier en wordt trouwens expliciet erkend. Tot daar aan toe. Al had een krachtige computer met een uiterst gesofistikeerd programma het boek vermoedelijk met een kwart kunnen reduceren door er alle tekstbrokken uit te halen die (minstens) drie keer opduiken.

Ter attentie van academici en predikers mag hier wellicht nog ‘s worden beklemtoond dat ‘herhalen’ niét hetzelfde is als ‘overtuigen’. Als je iemand kennis wil bijbrengen is herhalen soms nuttig, maar om iemand van een zienswijze te overtuigen is méér nodig. Herhalen is één ding, staven een heel ander.

Dat de auteur wil overtuigen – en niet alleen maar prangende vragen opwerpen – kan geen enkele lezer (v/m/x) ontgaan. Jammer genoeg wordt die lezer hier geconfronteerd met een tweede en nog ergerlijker euvel waaraan dit boek lijdt, en waarvoor in het Frans de fraaie uitdrukking bestaat “qui trop embrasse, mal étreint“: wie teveel wil bewijzen torpedeert daarmee zijn eigen geloofwaardigheid. Het ongenuanceerd sombere beeld dat Corijn van Vlaanderen en de Vlamingen schildert als achtergrond voor zijn waarschuwing is zó ‘zwart’ (haha) dat het onmogelijk kan overtuigen. Het cliché van de Vlaming die de stad ontvlucht om in zijn verkavelingsfermette naar VTM te kijken, is de perfecte uitdrukking van wat door een andere auteur als ‘dédain voor het klootjesvolk’ werd gehekeld. Als je Corijn nog wil geloven waar de prediker in de plaats treedt van de kritische waarnemer, belanden we binnenkort in een maatschappij waar het nog verschrikkelijker leven is dan tegenwoordig. Want voor het Vlaanderen-van-vandaag heeft Corijn geen goed woord over; dat verklaart allicht waarom hij al decennia geleden is uitgeweken naar Brussel, waar zoals bekend alles – sociale rechtvaardigheid incluis – zoveel beter functioneert.

Het doembeeld van de wassende rechtse ‘onderstroom’ moet het vooral hebben van clichés eerder dan van argumenten, laat staan cijfers. Cijfers vind je dan wel bij (onder meer) Mark Elchardus,evenals Corijn VUB-emeritus, wiens jongste boek ‘Reset’ door Corijn met de grond gelijkgemaakt werd, en die – uitgerekend op ‘De Wereld Morgen’ – Corijn van hetzelfde laken een broek past. Eén cijfer slechts uit een rijke voorraad: “Statbel schatte dat in 2019 14,8 % van de bevolking een risico op armoede liep. Dat was 9,8 % in het rechtse Vlaanderen, 18,3 in Wallonië waar volgens Corijn de sociaaldemocratie niet in crisis is, en 31,4 % in Brussel dat als een grootstedelijk gebied door Corijn als een lichtend voorbeeld aan de rest van de bevolking wordt voorgehouden.”

Gravensteen

Herhalingen zijn geen argumenten, clichés evenmin. En over slordig taalgebruik bekreunt zich tegenwoordig blijkbaar niemand nog. Maar foute of malafide beweringen doen het boek – én de geloofwaardigheid van de auteur – evenmin goed. Eén voorbeeld slechts, dat trouwens betrekking heeft op de ‘grondstroom’ waartegen Corijn van leer trekt.

Meer dan tien jaar geleden ontstond de Gravensteengroep omdat een aantal mensen het niet langer pikten dat door vrijwel alle media en opiniemakers een democratische vlaamsgezinde opstelling steevast en a priori werd gelijkgeschakeld met rechts of extreem-rechts. Dat Vlamingen met een onmiskenbaar progressieve reputatie het aandurfden om op te komen voor legitieme Vlaamse eisen was evenwel onaanvaardbaar voor andere Vlamingen, die zich eveneens progressief noemden én blijkbaar het alleenrecht op dat adjectief opeisten. Zij vormden daarop (met onder meer Eric Corijn) de ‘Vooruit’-groep. De naam verwees destijds alleen naar het legendarische Gentse ‘feestlokaal’ en was nog niet gekaapt door de sociaaldemocratische partij, en de groep “wees op een meerschalige wereld en intense interdependentie” (aldus Corijn).

Maar van een “polemiek” tussen beide groepen was in werkelijkheid geen sprake, en dat de Gravensteengroep “het nationalistische project van N-VA wilde ondersteunen met progressieve argumenten” is manifest gelogen. Het was integendeel de steeds scherpere kritiek op de N-VA-koers die de groep uiteindelijk uit elkaar liet vallen. Een zoveelste illustratie van ‘qui trop embrasse…’. Nu mag iedereen zich naar hartelust wentelen in al dan niet bevooroordeelde likes and dislikes maar de waarheid heeft ook haar rechten.

Voor Corijn en zijn geestesgenoten kan ‘Vlaams’ echter onmogelijk iets anders zijn dan bekrompen en (extreem-) rechts. Door van een dermate vertekend beeld uit te gaan komt hij dan – niet verrassend – tot een visie op het hegemonie-debat die alleen maar als enormiteit kan bestempeld worden. Schrik niet: de strijd om hegemonie (grof vereenvoudigd: de heerschappij over de geesten) gaat nu tussen rechts en extreem-rechts. Een nogal merkwaardige visie wanneer je voortdurend leest en hoort hoe rechts en extreem-rechts zich beklagen over het feit dat ‘links’ het voor het zeggen heeft in media en overheidsinstellingen, en van daaruit de mensen opdringt wat ze horen te denken.

Tegelijk ook een uitdagende kijk op het thema, want uiteraard rijst dan de vraag waarom (volgens de auteur) links niet eens meer meespeelt in het touwtrekken om de hegemonie.

Hegemonie

Hoog tijd dus om tot de kern van het probleem ‘hegemonie’ door te dringen, aangezien dat ook de kern is van Corijns bekommernis om de heersende grondstroom. Want in wezen gaat het om twee zijden van dezelfde medaille. Enigszins simplifiërend zou men ‘grondstroom’ kunnen omschrijven als ‘wat de meeste mensen – bewust of onbewust – denken en voelen’. Dat bepaalt natuurlijk méé hun handelen.

Voor wie de macht heeft – of voor wie ze daarentegen wil veroveren – komt het er dus op aan dat denken en voelen in de gewenste richting te houden of te draaien. En dàt – althans voor de machthebbers – liefst zonder dat de mensen zich daarvan te duidelijk bewust zijn. Voor wie de bestaande machtsverhoudingen wil veranderen komt het er daarentegen op aan een bewustzijn te ‘kweken’ dat zoveel mogelijk mensen mobiliseert voor die ommekeer. Kortom: de strijd om de geestelijke hegemonie in een samenleving is in feite de strijd om de (stille) heerschappij over het denken en voelen van de mensen. ‘Over de harten en geesten’ zoals VS-strategen destijds in Viernam tevergeefs probeerden.

Het begrip ‘hegemonie’ (volgens Van Dale: overwicht van een staat of partij over andere) werd vooral bekend door wat de relatief non-conformistische Italiaanse marxist Antonio Gramsci daarover in het interbellum schreef vanuit een fascistische gevangenis. (Tussen deze haakjes: hoe men verondersteld wordt Gramsci te lezen wordt door Corijn uitgelegd in nog een ander boek). Het begrip is vooral sinds de jaren ‘zestig van vorige eeuw deel gaan uitmaken van het politieke taalgebruik, en wordt trouwens ook vaak gehanteerd door (extreem-)rechts. De strijd om ‘de harten en geesten’ is inderdaad van cruciaal belang, zeker in een (min of meer) democratische samenleving waar de mentale krachtmeting – gelukkig / voorlopig? – de plaats heeft ingenomen van wapengeweld. Vooral voor links is die strijd van vitaal belang, aangezien links een gewapende confrontatie altijd verliest.

Dat maakt de vraag des te belangrijker wààr de hegemonie van ‘links’ dan wel is gebleven – àls ze er al ooit was – en vooral: hoe het komt dat ze is weggedeemsterd. Want dat is toch wel merkwaardig: hoewel rechts heel zelfbewust beweert dat het de ‘grondstroom’ vertegenwoordigt, jammert het voortdurend dat media en overheden daartegen de ‘linkse’ hegemonie in stand willen houden. Terwijl links juist klaagt dat de hegemonie van rechts de geesten ondertussen al zo ver heeft vergiftigd dat ze gewillig meedraaien in een steeds competitievere consumptiemaatschappij.

Perspectief

Over de verhouding tussen grondstroom en hegemonie valt dus een stevige boom op te zetten, maar die valt in dit boek niet of nauwelijks te ontwaren. Integendeel. Want als links die grondstroom – en de politiek die daarvan gebruik maakt – in een andere richting wil sturen én dat op een min of meer democratische manier wil doen, zal dat toch moeten gebeuren via een strijd om de hegemonie. En die zal links niet winnen door het ‘klootjesvolk’ de huid vol te schelden. Om de grondstroom te verleggen zal de hegemonie van het kapitalistische systeem moeten worden aangevreten met een samenhangend geheel van goed onderbouwde argumenten plus een toch min of meer realistisch toekomstperspectief.

Hoe de ideale maatschappij er zou kunnen uitzien wordt her en der in dit boek geschetst op een bijna aandoenlijk idyllische manier. Maar ook Corijn erkent dat daarvoor een “nieuw ontwerp” nodig is, dat evenwel erg moeilijk te verwezenlijken is in een “overwegend rechtse beeldvorming”. Hij acht een open debat tussen de verschillende (min of meer) linkse partijen (Groen, Vooruit, PvdA) noodzakelijk maar weinig waarschijnlijk. En blijft zelf uiterst vaag over hoé dat “nieuw ontwerp” er concreet zou kunnen/moeten uitzien. “Ideeën en voorstellen volstaan niet” schrijft Corijn dapper; ” ze moeten verwijzen naar praktijken”. En vervolgens verglijdt hij over praktijken weer in iets wat moeilijk anders dan als wensdenken kan worden betiteld.

Het heil moet uit de grote steden komen, heet het. De (grote) stad als drager en zelfs motor van een perspectief voor een andere en betere toekomst … het is een concept dat al ruim tien jaar veld wint en ronduit mode is geworden. Smart cities en picnic the streets staan in de gunst van opiniemakers allerhande, maar … zou ook maar één van die auteurs echt geloven dat daarmee de heersende ‘orde’ zelfs maar aan het wankelen wordt gebracht? Een “stadspartij” (in plaats van een standen-partij?) is een leuk ideetje, maar de invulling (voor zover überhaupt aanwezig) doet toch vooral denken aan die afgezaagde, en vooral bij rechts populaire slogan “niet links, niet rechts, maar vooruit” . In de enige min of meer grote stad die dit land rijk is, staat de realiteit in elk geval mijlenver af van Corijns geïdealiseerde beeld. Er hoeft daarbij niets eens verwezen naar het titaantjesgevecht over verdoofd slachten; het volstaat te denken aan de indrukwekkende onwil van negentien aaneengeplakte baronieën om “in praktijken” samen te werken. Wie die realiteit wil zien ontwaart niet meteen een evident toekomstperspectief. En of de stad of de samenleving uit de corona-crisis inderdaad de noodzakelijke lessen zullen trekken én “in praktijken” omzetten is nog maar de vraag.

Larmoyant

Dàt is helaas het teleurstellende eindoordeel over dit boek. Het bevat ettelijke haarscherpe analyses, veel samenhangende en terechte kritiek,een duidelijke bezorgdheid over de toekomst, en soms ook enkele helaas erg vage perspectieven hoe het anders zou kunnen … maar nooit een iets of wat realistische schets van de weg om daar te geraken.

De lezer krijgt – op het larmoyante af – veel gejammer voorgeschoteld, en veel wensdenken (ofte wishful thinking voor gekolonialiseerde kosmopolieten) maar geen zweem van een ietwat concreet stappenplan. Ongetwijfeld zullen wijkcomités, coöperaties, burgerinitiatieven, ‘slimme steden’, enz daarin hun nut bewijzen. Maar Corijn, die Gramsci heeft gelezen, ziet vooral nood aan het “uitwerken van een echte filosofie van de praxis”. Dat moet – uiteraard “transversaal” – gebeuren via de nieuwe sociale bewegingen, die de plaats van het traditionele middenveld hebben ingenomen. Helaas zitten daarin vooral hooggeschoolden “die zich niet meer in de traditionele zuilen wensten te engageren omdat daarin te veel kortgeschoolden met hun eigen, in de ogen van de voorhoede verwerpelijke, zorgen en ideeën zaten” vreest Mark Elchardus. Hem lijkt dit boek dan ook “vooral een oproep aan een kleine schare gelijkgezinden om nog meer te gaan samenzitten en te palaveren”. Mark wié? De ooit gezaghebbende sociaalwetenschapper wordt vanwege zijn ‘Reset’ door Corijn zonder veel omhaal weggezet “in het vaarwater van een nationaal socialisme”. Zonder koppelteken tussen beide laatste woorden, maar méér scheelt het niet. Zie hierboven: argumenteren of schelden …

Edi Clijsters

Vlaanderen ontwaak! Tegen de grondstroom
Eric CORIJN
s.l., Ertsberg
2022
237
Deel dit artikel

Andere boeken