De Canadezen en de bevrijding van België

Jacques R. Pauwels. De Canadezen en de bevrijding van België 1944-1945. Uitg. EPO Berchem, 2004. 200 blz. 18,50 euro. ISBN 90-6445-361-6.

Zestig jaar geleden bevrijdden drie legers ons land van de nazibezetting. De Amerikanen verjoegen de Duitsers uit Wallonië. De Britten maakten het centrum van het land schoon. En de Canadezen (met steun van een Poolse pantserdivisie) namen West-Vlaanderen en een deel van Oost-Vlaanderen voor hun rekening.

Daarna werden de "Canucks" – een bijnaam die de Canadese soldaten als een eretitel beschouwden – ingezet in de haven van Antwerpen en omstreken om later deel te nemen aan de moeilijke en bikkelharde bevrijding van Nederland. De historicus Jacques R. Pauwels (die in Canada woont, waar hij lange tijd doceerde) schreef zopas een boeiende kroniek over de Canadezen in Vlaanderen, anno 1944. Ons land was voor hen volslagen onbekend terrein. Maar ze voelden er zich snel thuis. De Canadezen hadden ook veel respect voor het verzet in ons land. De Belgische verzetslui bleken voor de Canadese militaire operaties tegen de Wehrmacht van onschatbare waarde.

De militaire operaties van het Canadese leger in ons land, begin september 1944, leken aanvankelijk op een plezierreisje. Jacques R. Pauwels beschrijft – voornamelijk aan de hand van Canadese bronnen – hoe de Canucks in de vooravond van 6 september 1944 nagenoeg ongemerkt vanuit Frankrijk de Belgische grens overstaken in de buurt van het West-Vlaamse Leisele. In geen tijd stootten ze door naar Brugge. "Een afvaardiging van het stadsbestuur had hen namelijk verzocht Brugge met zijn monumenten en kunstschatten zoveel mogelijk van oorlogsgeweld te vrijwaren," schrijft Pauwels. En de Canucks slaagden daar wonderwel in. Zonder enige tegenstand van de Duitsers werden ze op 7 september 1944 door een dolenthousiaste Brugse bevolking verwelkomd. De Bruggelingen zijn de bevrijding door de Canucks absoluut niet vergeten. Onlangs vertelde een Brugse vriend me hoe hij als uk van vijf jaar de Canadese soldaten zijn stad had zien binnentrekken. Voor het eerst in zijn leven at hij chocolade – gekregen van een jonge Canuck. Het enige trauma dat hij hieraan heeft overgehouden: een gruwelijke afkeer voor bananen. Dank zij de Canadese bevrijders had deze kleine Bruggeling ook voor het eerst in zijn leven bananen leren kennen. Hij had er zo veel van gesmuld dat hij er doodziek van werd. Sindsdien zijn bananen niet meer aan hem besteed.

Vijand onderschat

De Canadezen hadden deelgenomen aan de landing in Normandië. Vanaf eind juli 1944, eens de Duitse verdedigingsring doorbroken, leken de geallieerden op weg naar een triomftocht. En zo leek het ook voor de Canadezen in West-België. In een handomdraai waren Ieper, Roeselare, Tielt, Brugge en Oostende bevrijd. Op 7 september, een dag nadat de voorhoede van de Canucks de Belgische grens was overgestoken, viel de haven van Oostende, zonder Duitse tegenstand. De Duitsers hadden weliswaar een deel van de haveninstallaties vernietigd. En op 13 september was heel de Belgische kust van De Panne tot Zeebrugge schoongeveegd.

"De eens zo gevreesde Wehrmacht scheen hopeloos verslagen en trok zich hals over kop – dikwijls per fiets, met paard en kar en zelfs te voet terug," aldus Jacques Pauwels. "Bevoorradingsproblemen gaven Britse en Amerikaanse strategen grote kopzorgen en bedreigden de opmars. Het was immers uitgesloten dat de troepen van het steeds verder wegebbende front nog langer zouden kunnen bevoorraad worden via de kunstmatige haven aan de Normandische kust, Mulberry. Gelukkig waren de Britten na de bevrijding van Parijs bliksemsnel door Noord-Frankrijk en België geraasd en hadden op 4 september Antwerpen ingenomen zonder dat de totaal ontredderde Duitsers de kans hadden gekregen de haveninstallaties onbruikbaar te maken. Het Antwerpse verzet had zich daarbij trouwens buitengewoon verdienstelijk gemaakt" (1).

"Een geschikter bevoorradingscentrum dan de wereldhaven aan de Schelde was er in Noord-West-Europa nauwelijks te vinden. Via Antwerpen kon men zelfs een uiterst snelle doorstoot naar het hart van Duitsland met munitie, brandstof en allerlei materieel ondersteunen. De Duitsers zaten nog wel in de noordelijke voorsteden van de Sinjorenstad zelf, maar de Britse bevelhebber Montgomery begon reeds met de operatie ‘Market Garden’, een verrassingsaanval te land en in de lucht om strategische bruggen over de Maas en de Rijn in de buurt van Nijmegen en Arnhem intact in handen te krijgen. Op die manier zou men in het Ruhrgebied kunnen doordringen om van daar snel naar Berlijn door te stoten. In Londen en Washington droomden de politieke en militaire leiders er immers van om de eigen troepen, en niet het Rode Leger, de Duitse hoofdstad te doen innemen. Van een dergelijke triomfantelijke intrede verwachtte men niet alleen prestige, maar ook grote voordelen in de komende onderhandelingen met Moskou over het naoorlogse Duitsland en de rest van Europa. Montgomery was dus gehaast omdat de westelijke geallieerden de race naar Berlijn wilden winnen."

En dat zouden de Canadezen in Vlaanderen snel geweten hebben. Montgomery – en met hem ook de top van het Canadese leger – onderschatten de sterkte van de nazivijand schromelijk. De Wehrmacht was allesbehalve verslagen.

Lijdensweg

En de race naar Berlijn werd geen vlugge wedstrijd, maar een lijdensweg. Achter schijnbaar onooglijke waterloopjes in Vlaanderen, zoals het Leopolskanaal, zaten tot de tanden bewapende, goed getrainde veteranen van de Wehrmacht die aan het Oostfront de soldatenstiel hadden geleerd. De Canadezen beten er bijna de tanden op stuk. Bij de gevechten tegen deze uiterst weerbarstige Duitse "achterhoede" sneuvelden talloze Canadese militairen. De Duitsers beschikten overigens ook nog steeds over een ijzersterke verdedigingswal in de buurt van Breskens, Vlissingen en Zuid-Beveland. Met hun zware kustbatterijen beheersten ze van hieruit de Scheldemonding, zodat de geallieerden de intacte haven van Antwerpen voorlopig niet konden gebruiken voor hun eindoffensief tegen Hitler.

"De Canadezen en de bevrijding van België" is een militaire kroniek, waarin de lezer bijna dag op dag de verdere vijandelijkheden, waarbij de Canadezen betrokken waren, kan volgen: de slag om het Leopoldskanaal, de Scheldeslag, de uitschakeling van de "Breskens Pocket" (de kustbatterijen van de Duitsers), de aartsmoeilijke bevrijding van Nederland en de hongerwinter van 1944-1945 in Nederland, waaraan ook de Canucks niet ontsnapten.

Na de ‘Operatie Switchback’, die het einde van de Wehrmacht in de "Breskens Pocket" betekende, maakten de Canucks hun bloedige balans. Hoeveel Duitsers ze hadden uitgeschakeld bij de gevechten heeft niemand ooit kunnen achterhalen. Vast staat dat de Canadezen 12.707 Duitse militairen naar de geallieerde krijgsgevangenkampen afvoerden. De Canucks leden niettemin zware verliezen in de "Breskens Pocket": 314 doden, 1.532 gewonden en 231 vermisten. Er waren meer dan 400 gevallen van "battle exhaustion", een "niet te onderschatten soort psychologische verwonding, waardoor soldaten voor onbepaalde tijd niet meer konden worden ingezet en dikwijls in speciale psychiatrische instellingen van het Canadese leger moesten worden opgenomen".

Na de capitulatie van nazi-Duitsland konden de Canucks hun doden tellen, die bij de bevrijding van ons land waren gevallen. De grootste Canadese begraafplaats bevindt zich in Adegem (nu een deelgemeente van Maldegem). 844 soldaten en vliegeniers, die hun leven lieten tijdens de bevrijding (en vooral tijdens de operatie Switchback) kregen er een laatste rustplaats. Op het Brusselse stedelijke kerkhof in Evere liggen meer dan honderd jonge Canadezen begraven. 350 Canucks die bij de gevechten in Antwerpen sneuvelden kregen een graf op het Schoonselhof en op het Britse kerkhof in Heverlee liggen de graven van 157 Canadese vliegeniers.

Luilekkerland België

Even boeiend is Jacques R. Pauwels als hij het verhaal vertelt van de Canucks, die in België – in volle oorlogstijd – een soort luilekkerland aantroffen. De auteur wijdt hieraan twee van de vier hoofdstukken van zijn boek.

De Canadezen, die België bevrijdden, hadden deelgenomen aan de landing in Normandië. Ze hadden keihard slag gevoerd om de Duitse verdedigingswal aan de Franse Atlantische kust op te rollen. Ze hadden gevochten in totaal verwoeste steden zoals Caen. De meeste van de Canadese soldaten waren erg jong (wie overleefde was op 25 jaar officier). Ze waren zo van het onmetelijke Canadese platteland weggeplukt. De meesten onder hen hadden nog nooit een stad gezien. Sommigen waren voor hun inzet in Normandië even met verlof geweest in Londen. Maar dat was in die dagen een intrieste metropool: voedselschaarste, rantsoenering en ’s avonds totale verduistering. Eens de Belgische grens over, ontdekten deze jonge Canucks een land, waar alles in overvloed was. En… een dolblije bevolking, die hen als echte helden verwelkomde. Wijn, bier, lekker eten… het kon niet op. Nochtans waren vele Canadezen met gemengde gevoelens naar ons land gekomen. Velen onder hen – en voornamelijk dan de officieren – dachten dat er in België alleen maar nazi-collaborateurs rondliepen. Ze hadden gehoord dat de Belgische koning Leopold III bij het begin van de oorlog "verraad had gepleegd" of tenminste "de geallieerden in de steek had gelaten". "De Canadezen waren bijzonder aangenaam verrast toen ze in België met open armen werden begroet en een onthaal kregen dat in enthousiasme en opwinding ruim overtrof wat ze in Frankrijk hadden meegemaakt", schrijft Jacques R. Pauwels. "De bevlagde huizen, luidende kerkklokken, lachende gezichten, kussen en bloemen, deden ook bij de meest sceptische Canuck de laatste twijfel over de Belgen verzwinden." "Tot hun eigen verbazing voelden de Canucks zich hier gauw thuis en de paar weken die ze in Vlaanderen doorbrachten, zouden hen later als één van de hoogtepunten van hun oorlogstijd bijblijven."

"De slagvelden van Normandië, de ruïnes van het totaal verwoeste Caen, vluchtelingen, vernieling en armoede, waren de indrukken, die de Canadezen van Frankrijk hadden overgehouden. In ons land verwachtten ze dezelfde desolate scènes aan te treffen, te meer daar ze wisten dat Vlaanderen ook in 1940 opnieuw als slagveld van Europa had gediend en vier jaar lang onder de knoet van een bezetter had gezwoegd. Tot hun verwondering stelden ze echter vast dat de Vlaamse provincies grotendeels aan de vernielingen van de oorlog waren ontsnapt en dat ze de beproevingen van de bezetting schijnbaar glansrijk hadden doorstaan. Vooral de vele Canadese soldaten die zelf uit landbouwstreken kwamen, waren onder de indruk van de mooie boerderijen, de kraaknette huizen, de boomgaarden, weiden en tuinen, die ze te zien kregen."

"In Normandië hadden de Canucks (dikwijls voor tamelijk veel geld) wel al eens een fles Calvados op de kop kunnen tikken, maar aan de vreemde smaak van die appelbrandewijn konden ze maar moeilijk wennen. Pas in België kregen ze zowel cognac, als wijn en fijne likeuren – Bénédictine onder andere – te drinken en zelfs zeldzame delicatessen zoals crêpes Suzette met champagne, te genieten. Aan de goedkope jenever die in vele Vlaamse stadjes ter plaatse gedistilleerd werd, geraakten de Canadese soldaten zelfs verslaafd. Niet alleen de kwaliteit, maar ook de kwantiteit van het voedsel dat ze in ons land voorgeschoteld kregen, maakten op de Canucks een grote indruk, en de Breugeliaanse gulheid van de Vlamingen sloeg hen met verstomming."

Rare Vlamingen

De Canadezen werden door de Vlamingen met vlag en wimpel onthaald. En de aanwezigheid van het Canadese leger in ons land zorgde tegelijk voor een "niet te onderschatten bijdrage tot de economische en sociale heropleving van België na de oorlog". Tussen oktober 1944 en januari 1945 steeg het aantal banen dat de Belgen bij de geallieerde troepen (ook de Canadese) wisten te bemachtigen van 9.000 tot 65.000.

Toch was niet alles koek en ei tussen de Vlamingen en de Canadese bevrijders. De Canadese soldaten mochten dan al boerenjongens zijn, ze waren wel erg zindelijk opgevoed. Ze stoorden zich aan de slechte gewoonte van de Vlamingen om langs de weg of op straten ongegeneerd "wild te plassen". In Lokeren deden de Canucks hun beklag over het feit dat de plaatselijke jonge dames zonder enige schroom kwamen kijken als ze op hun soldatenlatrines hun gevoeg zaten de te doen.

De Canucks waren verslingerd op de Vlaamse jonge meiden, maar vonden dat de doorsnee Vlaamse vrouw veel te vroom was. En van de politieke gevoeligheden in Vlaanderen begrepen ze al helemaal niets. De vijandschap tussen "witten" en "zwarten" ging hun verstand te boven. De behandeling, die echte of vermeende collaborateurs te beurt viel, vonden ze stuitend. "Dat jonge vrouwen kaal geschoren werden of dat hakenkruisen op de deuren en gevels werden geverfd of "zwarten" in de kooien van de Antwerpse zoo tentoongesteld stonden, vonden de Canucks zinloos en onwaardig."

Jacques R. Pauwels vertelt ook het verhaal van een aantal Canadezen, die vonden dat bij de repressie wel eens "met twee maten en twee gewichten werd gemeten". "Naïeve meelopers van de Duitsers werden onbarmhartig als wild opgejaagd, terwijl de ware schuldigen – dikwijls hoge pieten – na de bevrijding niet alleen hun verdiende straf konden ontlopen, maar hun rijkdom en invloed wisten te vergroten." De auteur citeert uit de brieven van een Canadese officier aan zijn moeder: "Ik ben voor het eerst sedert mijn aankomst in België naar een feestje geweest in de nabije stad. De hele plaatselijke high society was er aanwezig. Het was een schitterend feest in een prachtig kasteel, met allerlei eten en drinken. Deze mensen zijn rijk omdat ze met de Duitsers hebben gecollaboreerd en nu collaboreren ze met ons. Indien het van het gewone volk hier in België afhing, zouden ze reeds lang terechtgesteld of in de gevangenis gegooid zijn. Eigenlijk is het een soort regering van profiteurs (racketeering government) die wij hier in België aan de macht houden."

Een Canadese soldaat toonde zich diep geschokt over de burgers die hij in Oostende twee "zwarte" meisjes zag mishandelen. "Wij moeten hun dikke konten komen bevrijden, maar zijzelf amuseren zich liever met het aframmelen van naakte meisjes. Waarom vechten de Belgen verdomme niet tegen de Duitsers in plaats van tegen kinderen?"

Nochtans, zo herinnert Jacques R. Pauwels ons eraan, waren de Canadese militairen op dit vlak ook geen watjes. Op meer dan één plek in Vlaanderen stelden de Canadezen hun Duitse krijgsgevangen onmiddellijk terecht…

Bruxelles, la belle

Ook nadat de Canucks waren ingezet aan het Rijnfront en Nederland mee hielpen bevrijden, bleef ons land een belangrijke pleisterplek voor hen. Een vakantiepasje van enkele dagen naar Brussel of Antwerpen opende voor hen de poorten van het paradijs. Brussel was in die dagen een bruisende stad. "Brussel met zijn knappe winkels, cafés en nachtclubs was een veel normalere stad dan dat meelijwekkende Londen met zijn littekens en verduisteringen," schreef een Canuck naar zijn thuisfront. In Brussel waren de Canadezen in erg comfortabele hotels gelogeerd. Onze hoofdstad was een niet onaangenaam oord voor de "repos du guerrier". Toen iemand in die dagen in Brussel op het idee kwam om de Canadezen niet langer in legerhotels, maar bij gewone burgers onderdak te verschaffen, meldden zich op nauwelijks twee dagen 5.000 Brusselse gezinnen aan om één of meerdere Canucks als gast te ontvangen. De Canadezen hielden er de rest van hun leven de mooiste herinneringen aan over. Alle verhoudingen in acht genomen, leek hun aanwezigheid tijdens de bevrijding van een deel van Vlaanderen op een plezierreis. Hun voorgangers – de Canucks van 1914-1918 – hadden van Vlaanderen een heel ander beeld. Ontelbare Canucks sneuvelden in 1917 in de modder van het slagveld bij Ieper en Passendale (2). Na de eerste wereldoorlog variëerden de officiële ramingen over de slachting in Passendale van 36.000 tot 150.000 doden. Op het slagveld van Passendale werden 90.000 Britse, Canadese, Australische en Nieuw-Zeelandse soldaten als vermist opgegeven. De Canucks kregen in die dagen in de West-Vlaamse modder wel een erg letterlijk beeld van het begrip "kannonnenvlees". De akkers rond Passendale waren veranderd in een maanlandschap van loopgrachten en bomkraters. Om de kanonnen dichter bij de frontlijn te brengen moesten er in allerijl berijdbare wegen worden aangelegd. De bomtrechters werden gevuld met lijken van gesneuvelde geallieerde en Duitse soldaten,

Voor de Canucks van 1914-1918 was Vlaanderen een abattoir, een knekelhuis. De Canucks van 1944 logeerden hier – ondanks de oorlog – af en toe in de hemel.

(Uitpers, nr. 57, 6de jg., oktober 2004)

Voetnoten

(1) Jacques R. Pauwels gaat in dit boek niet gedetailleerd in op de rol van het Belgische verzet. In zijn bibliografie verwijst hij ondermeer naar het boek van Frank Stappaerts, "Kolonel Harry. Een getuigenis over de bevrijding van Antwerpen", EPO, Berchem, 1997. Frank Stappaerts doet in dit werk het verhaal van het Antwerpse verzet dat de vernietiging van de haveninstallaties door de Duitsers in 1944 kon verhinderen.

(2) Over de slag bij Passendale werd eerder dit jaar het standaardwerk van de Britse historica Lyn Macdonald heruitgegeven in het Nederlands. Lyn Macdonald, "Passendale 1917", Anthos, Manteau, Amsterdam, Antwerpen, 2004.

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel