De bloedbadpolitiek in Soedan

Op een dag in de zomer van 2004 vielen meer dan 400 gewapende leden van de Janjaweed-militie het West-Soedanese dorp Donki Dereisa aan. Ze doodden 150 burgers, onder wie zes jonge kinderen van drie tot veertien jaar, die werden gevangen genomen tijdens de aanval en later op de dag levend verbrand volgens de in Washington gebaseerde mensenrechtengroep Refugees International.

Een man die probeerde de kinderen te redden werd onthoofd en aan stukken gescheurd. Ooggetuigen zeggen dat een militair vliegtuig het dorp bombardeerde tijdens de aanval en dat soldaten van het Soedanese leger deelnamen aan de strijd. Regeringsbronnen ontkenden nadien elke betrokkenheid en minimaliseerden het incident.

Dat soort antwoorden is, vanaf het begin, typisch voor de voortdurende crisis in de Soedanese provincie Darfoer. Maar journalisten, hulpverleners en mensenrechtenwaarnemers spreken van een operatie van verbrande aarde, die gezamenlijk wordt uitgevoerd door de regering en de Janjaweed met slachtingen op grote schaal, executies zonder vorm van proces, het vernietingen van heelder dorpen en de ontvolking van grote stukken landbouwgrond.

“De regering en haar Janjaweed-bondgenoten hebben – dikwijls in koelen bloede – duizenden leden van de Foer, de Masalit en Zaghawa gedood, vrouwen verkracht en dorpen, voedselvoorraden en andere essentiële producten voor de burgerlijke bevolking vernield”, zegt een recent rapport van Human Rights Watch.

Ten minste 70,000 burgers werden gedood, 400 dorpen vernield en meer dan 1,5 miljoen mensen moesten op de vlucht gaan, van wie 200.000 naar het naburige Tsjaad, in een brutale campagne waarin Darfoer het voorbije jaar werd verwoest. Leidende ambtenaren van de Verenigde Naties spreken van “’s werelds ergste humanitaire crisis”.

Alhoewel de grootschalige aanvallen gedurende de zomer verminderden omdat een hele reeks journalisten, diplomaten en hulpverlenders de streek aandeden – onder wie de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell – gaan de terreurdaden nog altijd door. Militieleden verkrachten vrouwen en meisjes als ze hun kampen verlaten om brandhout te sprokkelen, zegt Dennis McNamara, een hoge ambtenaar in het Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Hulp van de Verenigde Naties in Nairobi.

Terreur is een dagdagelijks feit geworden voor de Darfoeri’s volgens de speciale afgezant voor Soen van secretaris-generaal Kofi Annan van de VN, Jan Pronk. Deze laatste zei op 8 oktober aan de Veiligheidsraad dat er sinds augustus “geen systematische verbetering was van de veiligheid van de mensen en geen vooruitgang wat betreft het beëindigen van de straffeloosheid. In antwoord daarop richtte Kofi Annan een uit vijf leden bestaande commissie op, die moet vaststellen of er een genocide plaats heeft. De commissie wordt voorgezeten door Antonio Cassese, een Italiaanse rechter die de eerste voorzitter was van het International Strafrechthof voor voormalig Joegoslavië. De vier andere leden van de commissie komen uit Egypte, Pakistan, Ghana en Peru. De oprichting van de commissie wijst op toenemend internationaal protest tegen dit bloedbad, waarover bijna een jaar lang werd gezwegen.

Halfweg oktober opperde de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken de mogelijkheid van sancties van de Europese Unie tegen Soedan en Groot-Brittannië, Australië en Nieuw-Zeeland boden aan vredessoldaten te sturen. Het Amerikaanse Congres noemde de moorden “genocide” en, op 18 september, drukte de regering-Bush een resolutie door in de Veiligheidsraad van de VN, waarin met sancties werd gedreigd.

George W. Bush (evenals de Democratische presidentskandidaat John Kerry) herhaalde de beschuldiging van genocide van het Congres, maar, zoals iedereen, ondernam hij niets om de slachting te stoppen. In feite heeft niemand, uit welke hoek ook, behalve wat publiek handengewring ook maar iets gedaan buiten het sturen van een paar dozijn monitors van de Afrikaanse Unie om vast te stellen wat er gebeurt. En blijkbaar is het onwaarschijnlijk dat er iets zal gebeuren – behalve het sturen van nog meer waarnemers en het versnellen van de al laattijdige hulpinspanningen – iets wat de regering in Khartoem, en zowat iedereen, uitkomt, behalve de Darfoeri’s.

De wortels van het conflict

De crisis in Darfoer, die dikwijls wordt beschreven als tribale oorlogvoering tussen Arabieren en Afrikanen, is zowel meer en minder dan dat. De strijders aan het front en hun slachtoffers zijn vooral van Arabische en Afrikaanse afkomst, maar het is dikwijls moeilijk hen op zicht te onderscheiden. En de Janjaweed zijn meer dolle benden dan een georganiseerde militie. Hun naam is slechts een alledaagse uitdrukking voor “ruiters met geweren”. Het is geen term met culturele, taalkundige of politieke wortels en ze vertegenwoordigen op geen enkele georganiseerde wijze de Arabische stammen in het westen van Soedan.

Degenen die Janjaweed worden genoemd en die verkrachten en plunderen onder die naam, worden voornamelijk gerekruteerd uit de herdersvolkeren die bekend staan als murahilin (migranten), die een concurrentiestrijd leven met de gevestigde Foer-boeren voor land en water.

Dit oude conflict is verergerd door de uitbreiding van de woestijn. Velen van deze nomaden arriveerden pas in Soedan vanuit Tsjaad en West-Afrika in de jaren 1970 en 1980. De toenemende spanningen escaleerden tot de huidige catastrofe toen de centrale regering van Soedan, nadat er in 2003 twee kleine rebellengroepen in Darfoer op het toneel verschenen, die grotere autonomie vroegen, de Janjaweed inzetten als hulptroepen.

De crisis in Darfoer is niet, zoals in Rwanda, een waanzinnig gevecht tussen twee volken met een oude etnische vijandschap. Het gaat om een bende gewapende bandieten die van de gelegenheid gebruik maken om naar willekeur te plunderen terwijl ze tegelijkertijd de politieke doelstellingen realiseren van degenen die hen manipuleren: het neerslaan van een opstand die niet alleen de greep van de regering over die regio zou kunnen in gevaar brengen, maar de pogingen zou kunnen teniet doen om een duurzaam bestand te bereiken met het opstandige zuiden en misschien zelfs nieuwe opstanden zou kunnen veroorzaken in het onrustige oosten en noorden.

De strijd in Darfoer is geen toevallige catastrofe. Hij is het resultaat van een tientallen jaren oude strategie van verdeel en heers, die de opeenvolgende regeringen – die allemaal voortkomen uit de elite in en rond Khartoem – hebben gebruikt tegen allerlei uitdagingen.

De wortels van het conflict liggen in de zware ongelijke ontwikkeling van Soedan. Er is enerzijds het rijke hart aan de samenvloeiing van de Blauwe en van de Witte Nijl en aan de andere kant de rest van het land – niet alleen het zwarte, Afrikaanse zuiden, dat al in opstand kwam voordat het land onafhankelijk werd van Groot-Brittannië in 1956 maar ook grote delen van het westen, het oosten en het noorden. Deze gebieden werden gemarginaliseerd onder het koloniaal bewind en dan uitgebuit of verwaarloosd door de opeenvolgende Soedanese regeringen, waarvan het “islamitische” regime van generaal Omar al-Bashir slechts de laatste incarnatie is.

Winnaars en verliezers

De focus op het geweld en het lot van de slachtoffers, hoe verschrikkelijk het ook is, verdoezelt de politiek achter de crisis. De tragische realiteit is dat de Soedanese regering grotendeels gekregen heeft wat het beoogde met de Janjaweed: het uitschakelen van twee kleine rebellenlegers – het Soedanees Bevrijdingsleger (SLA) en de Beweging voor Gerechtigheid en Gelijkheid (JEM) – die in 2003 militaire installaties van de regering aanvielen, én het droogleggen van de burgerlijke zee waarin ze zwommen.

Van hun kant kreeg de Janjaweed wat het wilde: een rijke buit door zijn slachtoffers te beroven. Plus daarbij nog uitgestrekte graaslanden voor zijn kudden. Hulpverleners vertelden in september aan bezoekende journalisten dat de Janjaweed-leden die werkten als kamppolitie probeerden de vluchtelingen om te kopen om terug te keren naar hun dorpen. Met als doel het internationaal protest te verstommen.

Als de regering in Khartoem een zweem van controle over de Janjaweed kan behouden, dan zal ook de regering-Bush krijgen wat ze wil: in de eerste plaats een klaarblijkelijk diplomatiek succes tegen lage kost dat haar evangelisch-christelijke achterban tevreden stelt, die een morele kruistocht had gevoerd tegen Soedan wegens de vervolging van de zuidelijke christenen. Ten tweede zal het de opheffing in de hand werken van de sancties die door de regering van president Clinton werden genomen en aldus Soedans enorme en grotendeels nog ontontgonnen oliereserves heropenen voor Amerikaanse oliemaatschappijen.

De verliezers zullen de miljoenen doodsbange en verarmde Darfoeri’s zijn, die hun huizen, hun oogsten, hun dieren en hun elementaire veiligheid zijn kwijtgeraakt en die nu, in het beste geval, voor onbepaalde tijd zullen afhangen van de internationale liefdadigheid. Verder kunnen ook de Beja’s van Oost-Soedan of de Nuba in het noorden, of om het even welk volk in dit etnisch zeer diverse land, dat zijn rechten durft opeisen, de verliezers worden.

De wereld misleiden

De internationale gemeenschap wordt nu geconfronteerd met de vraag hoe het geweld van vandaag aan te pakken en hoe de oorzaken van de crisis aan te pakken om herhaling te voorkomen. Kort gezegd, de inspanningen om de gevolgen van de catastrofe te milderen moeten gepaard gaan met een vredesproces dat het hele land omvat.

De meest dringende nood in Darfoer is het verzekeren van de veiligheid. Zonder veiligheid zal het geweld nog verergeren en zal de humanitaire nood uit de band springen. In de zomer van 2004 zond de Afrikaanse Unie 133 waarnemers om toezicht te houden op het wankel wapenbestand tussen de rebellengroepen en de regering. Er werden ook 300 soldaten gestuurd om de waarnemers te beschermen, maar de opdracht om in een enorm gebied, zo groot als Texas, waarin een bevolking van vijf tot zeven miljoen wordt bedreigd, te opereren gaat hun capaciteit te boven. Khartoem heeft laten verstaan dat het nog een 3.500 soldaten en waarnemers van de Afrikaanse Unie wil toelaten, maar vele waarnemers zeggen dat er ten minste drie keer zoveel nodig zijn. In oktober deed de Bevrijdingsbeweging van Soedan een beroep op de Britse premier Tony Blair om de missie van de Afrikaanse Unie te laten groeien tot 30.000 man. Ondertussen blijkt uit verslagen van ter plekke dat velen van degenen die er al zijn stil zitten omdat ze over geen brandstof en vervangingsonderdelen voor hun voertuigen beschikken.

Zolang er geen veiligheid is, zullen de gevluchte burgers in ongezonde kampen blijven, waar ziekte een grotere doder is dan de honger. De daaruit voortvloeiende blijvende afhankelijkheid van internationale hulp zal een nieuwe reeks problemen veroorzaken. Ondertussen dreigt er een grote hongersnood, zelfs als de vluchtelingen terug naar huis zouden keren. De roof van dieren en graanvoorraden, het vernietigen van dorpen en oogsten, en het feit dat de oorlogsslachtoffers tijdens de zomer niet in staat waren te zaaien, zal als gevolg hebben dat miljoenen honger riskeren te lijden tot het einde van de volgende oogstcyclus in 2005.

Nu het regenseizoen zijn einde nadert en de transportroutes weer kunnen bereden worden, zal er behoefte zijn aan bescherming van de hulpkonvooien zodat er zich niet hetzelfde voordoet als tijdens de crisis in Somalia in het begin van de jaren 1990, toen gewapende benden de binnenkomende hulp roofden en er hun macht mee uitbouwden.

Naast deze humanitaire inspanningen moeten de verantwoordelijken voor de massamoorden en de plunderingen worden aangepakt. Tot dusverre bleken de volgens de regering gearresteerd Janjaweed-leden vooral misdadigers van gemeen recht te zijn, die al maanden, zoniet jaren, in de gevangenis zaten. De autoriteiten zouden zelfs zover gaan er enkele van terecht te stellen om de indruk te geven dat ze doortastend optreden. Dit is zo’n doorzichtige truc dat men zich kan afvragen of de Soedanese ambtenaren echt geloofden dat ze er iemand mee zouden kunnen misleiden. Maar het typeert de “straffeloosheid” waarover Jan Pronk het had in zijn rapport van 8 oktober voor de Veiligheidsraad.

Het is ondertussen ook wel uitgemaakt dat niet alleen de Janjawees verantwoordelijk zijn voor de moorden. Uitgebreide getuigenissen uit de eerste hand en Soedanese regeringdocumenten die in handen vielen van Human Rights Watch, wijzen erop dat het geregelde Soedanese leger en eenheden van de luchtmacht direct bij de zaak betrokken waren. Het waren niet alleen lokale gangsters die het bloedbad ontketenden. Zij maakten gewoon gebruik van de kans die hen werd geboden. De verantwoordelijkheid voor de catastrofe in Darfoer moet naar boven gaan, naar de ambtenaren in Khartoem die de bevelen geven, de troepen stuurden, de luchtdekking gaven en een stroom van excuses de wereld instuurden.

Tussen concurrenrende lobbygroepen

De Soedanese burgeroorlog, die op vele fronten wordt uigevochten, is een confrontatie tussen de conflictuerende visies op wat het betekent Soedanees te zijn. Het gaat tussen de Soedanezen die alle vruchten van het Soedanees staatsburgerschap genieten en degenen die totnogtoe uitgesloten zijn. De vraag voor deze laatsten is of ze uiteindelijk wel Soedanees zullen blijven. Het beëindigen van de gevechten in Darfoer zonder de diepere oorzaken aan te pakken is op termijn gedoemd te mislukken. De geschiedenis miskennen en zich enkel concentreren op de oplossing van de jongste problemen, zoals de regering-Bush doet, zowel in Darfoer als is in het noord-zuid-conflict, is dwaasheid.

De VS hebben zichzelf in Soedan in een hoek laten dringen, waaruit ze niet gemakkelijk – of op een constructieve manier – weg kunnen. Dat werd duidelijk toen zowel Bush als zijn tegenstander Kerry tijdens het presidentieel debat van 30 september geen duidelijk antwoord konden geven op de vraag van tv-journalist Jim Lehrer waarom de VS niet optraden om een einde te maken aan de “genocide” in Darfoer.

Op het thuisfront zit de regering vast tussen concurrerende lobyygroepen. Aan de ene kant zijn er de rechtse evangelische protestanten, onder leiding van Franklin Graham, de zoon van de bekende dominee Billy Graham. Zij geraakten aanvankelijk bij het conflict betrokken omdat er christelijke slachtoffers vielen in het noord-zuid-conflict. Zij kregen de steun van Afrikaanse Amerikanen die woedend waren over de behandelingen die de zwarte Soedanezen te beurt viel. Beide groepen willen een verdergaande Amerikaanse interventie, gaande van sterkere sancties tot directe militaire betrokkenheid.

Aan de andere kant staan de oliemaatschappijen en andere zakenbelangen. Die komen op voor een “constructieve betrokkenheid” om de ruwe kanten van het regime bij te vijlen – én het land opnieuw open te stellen voor Amerikaanse investeringen, die verboden zijn sedert het presidentschap van Bill Clinton. “China, India, Maleisië en sommige Europese landen breiden hun zakelijke banden met Soedan gevoelig uit. Ze maken gebruik van het feit dat de Amerikaanse sancties Amerikaanse bedrijven verbieden in Soedan te werken”, waarschuwde de president Bush goed gezinde Washington Times onlangs in een artikel op de voorpagina.

Als reactie op deze dubbele druk, toonde de regering zich in toenemende mate kritisch tegenover de regering in Khartoem, maar tegelijkertijd spant ze zich in stilte in om de wankele noord-zuid-gesprekken gaande te houden. En ze onderneemt geen verdere stappen dan beperkte sancties te vragen aan een Veiligheidsraad van de VN, die weinig bereid is dat te doen. China, dat grote belangen heeft in de Soedanese olievelden, dreigde ermee zijn veto te stellen tegen een sterke resolutie en onthield zich, samen met Rusland, Pakistan en Algerije, toen op 18 september een resolutie ter stemming kwam, die werd aangenomen met elf stemmen bij vier onthoudingen. Ook Pakistan heeft geïnvesteerd in de Soedanese olie. Rusland, dat goede zaken doet met de verkoop van wapens aan Soedan, ziet maar weinig in sancties. Algerije daarentegen, dat bang is voor een precedent, toonde zich bezorgd over inbreuken op de soevereiniteit van Soedan door de VN.

Het grote probleem voor Bush is dat zijn regering de atmosfeer voor internationale vredesbevordering grondig heeft vergiftigd door haar unilateralisme in Irak, haar eenzijdige stellingname in het Israëlisch-Palestijns conflict en haar hooghartige houding ten overstaan van multilaterale mechanismen. Daardoor is het haar niet mogelijk steun te krijgen voor actie tegen Soedan. De lust voor een nieuwe interventie op initiatief is er gewoonweg niet. Evenmin kan de regering-Bush het zich ten overstaan van zijn wankele bondgenoten in het Midden Oosten veroorloven om nogmaals een Arabische staat aan te pakken, hoe corrupt die ook moge zijn.

Dat de VS er niet in slaagden een einde te maken aan het geweld in Darfoer, of er zelfs maar openlijk over te praten tot het een toppunt bereikte in 2004, heeft te maken met de broosheid van het Noord-Zuid-vredesproces, waarin de regering-Bush zwaar heeft in geïnvesteerd. Na bijna vier jaar lang inpraten op beide partijen, slaagde ex-senator van Missouri en huidige ambassadeur bij de VN, John Danforth, er als speciale gezant in de oorlogvoerende partijen aan de rand te brengen van een overeenkomst voor het beëindigen van de strijd. Maar het akkoord zit vast en kan nog altijd ineenstorten. De voornaamste zwakheid ervan is dat het akkoord het zuiden tot een uitzondering maakt op de nationale politiek. Met andere woorden, het akkoord niet is toepasbaar op andere verdrukte en gemarginaliseerde volken. Daardoor het geen herstructurering van Soedan voorziet, wordt er één probleem uitgelicht, maar dreigen er andere naar boven te komen.

De Amerikaanse politiek moet dringend grondig worden herzien om de ingewikkelde etnische, religieuze en politieke conflicten van Soedan aan te pakken. Ze moet worden aangepast aan de complex, steeds veranderende realiteit op het terrein en moet worden uitgewerkt met sterke steun van de bredere internationale gemeenschap. Onder normale omstandigheden is dit al geen gemakkelijke taak, maar in een verkiezingsjaar is het nog moeilijker, gezien de conflicterende druk op de regering-Bush vanuit haar eigen basis.

Er moet duidelijk een globale aanpak komen, want een afzonderlijke aanpak van de diverse problemen kan niet werken. Degenen die het bij deze mislukte strategie houden zijn degenen die het noord-zuid-conflict als een conflict tussen moslims en christenen bestempelen en die nu het bloedbad in Darfoer voorstellen als een Arabisch-Afrikaanse strijd. Maar hoe moeten we dan de oorlog in het Nuba-gebergte verklaren, waar mensen van allerhande geloof en etnisch-taalkundige groepen in opstand zijn gekomen en het hoofd moeten bieden aan onophoudelijk regeringsgeweld? Hoe duiden we de opstanden in het noordoosten onder de Beja en andere oude islamitische culturen, of onder hun Arabische bondgenoten in de regio van de samenvloeiing van de twee grote rivieren. Als we dat allemaal op een rijtje zetten dan krijgen we een beeld van een regime dat Soedan van binnenuit koloniseert en daarbij de oude vertrouwde koloniale strategie van verdeel en heers gebruikt.

De enige twee mogelijke oplossingen onder deze omstandigheden zijn ofwel de conflicten in Darfoer en elders in Soedan onderbrengen in de noord-zuid-vredesbesprekingen die plaats hebben in Naivasha in Kenya, en de natie als één geheel aanpakken, ofwel de notie opgeven van één verenigde Soedanese staat.

Als autonomie geschikt is voor één gebied, dat zou men ze voor de problemen elders in overweging moeten nemen. Als de opschorting van de strenge interpretatie van de islamitische wet door het regime kan voor één gebied, waarom niet voor allemaal? Ofwel moet het verdelen van Soedan niet langer een taboe zijn voor degenen die een einde willen maken aan de slachting. Het taboe is feitelijk al doorbroken door de aanvaarding van een referendum over de politieke status van het zuiden binnen zes jaar. Als Soedan niet kan bestaan als een pluralistische maatschappij, dan moeten het misschien maar verscheidene staten worden.

(Uitpers, nr. 58, 6de jg., november 2004)

Dit artikel verscheen eerder op www.merip.org. Merip staat voor: Middle East Research and Information, en verspreidt gratis artikelen via e-mail en zijn website.

Dan Connell, schrijft geregeld bijdragen voor het Middle East Report, over de Hoorn van Afrika. Hij doceert journalistiek en Afrikaanse poliiek aan het Simmons College in Boston.

Deel dit artikel

Visited 21 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook