De Beurs is beurs

Hieronder gaat het over de Beurs, niet over de producten en technieken die er vandaag zijn, maar over de aard. Wat haar essentie is. “De Beurs” staat hier als een containerbegrip van effectenbeurzen, financiële markten, grondstoffenbeurzen, … Het doel is een politiek beeld te krijgen van “de Beurs”, als een begin voor betere antwoorden.

Wat is een Beurs?

De Beurs is een vorm én een inhoud. Beiden zijn in een constante interactie. Er was een Beurs in het feodalisme, nu in de laatkapitalistische productiewijze, is ze er nog – met een andere vorm en een andere inhoud. Van reële locaties tot elektronische.

In essentie is de Beurs een plaats waar goederen qua prijs vergeleken worden, alsook een plaats waar krediet opgehaald wordt.

De Beurs heeft deze functies: verzamelen van geld; ‘bepalen’ van economische waarde (in marktprijzen); parasiteren op arbeid van anderen.

Maar er is meer aan de hand, zeker als je een analyse maakt van de plaats van krediet, rente, geld en dergelijke, in relatie tot de Beurs. Temeer ook omdat je met een prijs, ‘prijs’ hebben kan.

De prijs laat maar een aspect van de werkelijkheid zien. En natuurlijk, de prijs als zodanig, die kan gemanipuleerd zijn.

Dat de prijs van iets, een deel van de werkelijkheid is, is bv. te verduidelijken aan de hand van een belangrijke grondstof, de olie. In de mate dat de voorraad krimpt, stijgt de prijs. De marktprijs van de olie zegt enkel bij benadering iets van de maatschappelijke relevantie van de olie. Het is een kwantitatieve uitdrukking van een kwalitatief gebruik. De olie kan verspild worden (prijs stijgt als schaarste door verspilling) of juist zinnig maatschappelijk aangewend worden. Ook dan kan de prijs stijgen door schaarser worden van de voorraad, dan echter sluit de prijs als kwantiteit beter aan op de kwaliteit. Als nu de olievoorraad verkleint naar een niveau dat oninteressant is voor grote industriële processen, kan de prijs naar beneden tuimelen en toch evengoed – of zelfs meer – de olie maatschappelijk, in de zin van verantwoord gebruik, aangewend worden.

Het is hierom dat de marktprijs van iets maar een aspect van de werkelijkheid is. In die zin ‘bepaalt’ de Beurs de economische waarde van iets. Evenwel is de productiekost de echte prijsbepaling, zoals Marx herhaaldelijk aangeeft. Voor Marx is de prijs van een waar driezijdig. Nl. de concurrentie onder de verkopers; de concurrentie onder de kopers; de concurrentie tussen de kopers en verkopers.

Nogmaals, de Beurs is een fenomeen dat geld verzamelt (krediet), prijzen vergelijkt én een plaats voor speculanten.

Wat de Beurs minder goed doet, is het peilen van de arbeidswaarde,[1] aanwezig in de verschillende waren. De ratingbureaus doen dit laatste wel. Uiteindelijk. Want ze gaan ons niet openlijk vertellen dat er logica zit in wat Marx analyseerde.

Als deze bureaus tenminste al een besef hebben wat zij in wezen doen!

Dat er nu de gekende problemen zijn met de derivaten bewijst het. Derivaten zijn bank-‘producten’ “die hun waarde ontlenen aan de waarde van een ander goed, zoals aandelen en olie.” (De formulering is van Wikipedia). Dus producten, als we dit oneigenlijk woordgebruik aanhouden, afgeleid van ware producten waarin arbeidskracht zit, die zelf al uitgedrukt werden in een prijs die daarom niet de maatschappelijke relevantie van producten laat zien.

Ratingbureaus beoordelen de kredietwaardigheid, ofwel de mogelijkheid dat een land of bedrijf kan terugbetalen wat het leende. Wat neerkomt op een vaststelling of de ontlener wel productief genoeg is om het geleende terug te betalen.

Landen die een slechte rating krijgen moeten, volgens het dogma, besparen. Dat komt dan neer op inleveren en bezuinigen, m.a.w. het goedkoper maken van de arbeidskracht.
En zo is het duidelijk dat ratingbureaus peilen naar de arbeidswaarde. Wat zij uiteraard nooit kunnen onthullen, als ze zelf al beseffen wat ze aan het doen zijn!

Wat zegt Marx? Of de Beurs in het algemene kader

Er is een onbekend artikel van Marx: Beschouwingen over geld, van 1851.[2] Daar:

  • Er is een verschil van handel tussen handelaars onderling, en tussen handelaars en consumenten. In het eerste is er transfers van kapitaal, in het tweede ruil van inkomen voor kapitaal. De eerste heeft zijn eigen geld, de laatste zijn eigen munt.
  • Alle crisissen laten zien dat de handel tussen de handelaars gedurig de grens overschrijdt van de handel tussen handelaar en consument. Maar de ruil tussen handelaars en consumenten bestaat uit ruil tussen arbeiders aan de ene en kleinhandel en ambachten aan de andere kant.
    Op haar beurt hangt deze weer af van de ruil tussen arbeiders en kapitalisten. Die dan weer bepaald is door de ruil tussen de handelaars.
  • De handel tussen de handelaars creëert de handel tussen handelaar en consument. Maar men ziet ook dat de handel tussen hen gedwarsboomd wordt door de handel tussen de handelaars. De crisis begint bij de handelaars.
  • Overproductie moet niet uitsluitend worden toegeschreven aan onevenredige productie, maar aan de verhouding tussen de kapitalistenklasse en de arbeidersklasse.
  • De valuta in de twee handelsvormen zijn niet volkomen te scheiden. Het gebruik is verschillend. Het geldoverschot van individuen wordt een deposito, dat dan de voornaamste basis is voor het commerciële geld.
  • Het is fout te stellen dat een gebrek aan krediet overheersend belangrijk is in tijden van crisis. Het is een gebrek aan geld, niet aan kapitaal.
  • In commerciële transacties tussen consumenten en handelaars worden de kwalitatieve verschillen getransformeerd in kwantitatieve verschillen. En binnen één klasse is het het kwantitatief verschil, dat het kwalitatief verschil bepaalt.

____

Betreffende krediet en de Beurs is er ook het derde boek van Het Kapitaal. In hoofdstuk 27:

Door de concentratie en ontwikkeling (in relatie tot de Beurs en het krediet) van de kapitalistische productiewijze gaat de productie de weg op van de afschaffing van de kapitalistische productie zelf. Een “self-dissolving contradiction”. Die een nieuwe fase is naar een nieuwe vorm van productie.

Het is private productie zonder controle van de privé-eigendom.

De afschaffing van de private industrie op basis van het kapitalistische systeem zelf, vertegenwoordigt en vernietigt het in één beweging tijdens haar groei en het ontwikkelen van nieuwe productiegebieden.

Het krediet nu, geeft aan de kapitalist de controle over het kapitaal en de eigendom van anderen. De controle over het maatschappelijk kapitaal – niet het eigen – geeft controle op de maatschappelijke arbeid. Het kapitaal is zo zelf de basis voor het krediet.

Wat de (beurs)handelaar uiteindelijk riskeert, is de maatschappelijke eigendom, niet zijn eigendom.

___

Krediet is van belang in de kapitalistische productiewijze. Maar krediet is ook schuld. Krediet brengt een groter verschil tussen de wereld van de arbeid en de wereld van het kapitaal en tussen de kapitalisten zelf.

Wat hier politiek van belang is, is de verschuiving van kwantiteit en kwaliteit. Van een ‘hoeveelheid’ naar een verhouding en van een verhouding naar een hoeveelheid. Anders: tijdens het spel worden de regels veranderd en bovendien worden de doelpalen verplaatst.

In Populisme, de natiestaat en het Imperium[3] schrijft Dieter Lesage: “…argumenteert Wallerstein namelijk dat de territoriale asymmetrie tussen politiek en economie precies de mogelijkheidsvoorwaarde is van het kapitalisme. Indien men het kapitalistische systeem wil behouden, mag men de dissociatie tussen de politieke en de economische ruimte niet tenietdoen. Aangezien kapitalisme gebaseerd is op absorptie van economische verliezen door politieke entiteiten, speelt het in de kaart van het kapitalisme dat het verschillende politieke entiteiten tegen elkaar kan uitspelen.”

De Beurs valt niet samen met de natie of een geografische entiteit. Er is asymmetrie.

Binnen één klasse heeft men dus de relatie:

Kwantiteit -> kwaliteit

Tussen klassen:

Kwaliteit -> kwantiteit

Wat nu de huidige kwaliteit geeft in de Belgische geografische ruimte. Een kwaliteit kan negatief of positief zijn. In de wereld van het kapitaal, waartoe uiteraard de Belgische burgerij behoort, is het kwantitatieve verschil zo toegenomen dat de Belgische burgerij in een sterk gewijzigde situatie is gekomen. De trefwoorden zijn hier: wegvallen van de centraliserende werking van de Société Générale (holding en investeringsmaatschappij) en opkomst van het regionalisme in België. Dit aspect is te zien als een negatieve kwaliteit uit de kwantitatieve situatie, omdat het hinderlijk is voor de burgerlijke hegemonie. De positieve kwaliteit uit de andere kwantitatieve situatie in de wereld van het kapitaal, is de omslag naar een kwantitatieve verhouding van de Belgische burgerij met de wereld van de arbeid. De kwalitatieve verhouding van het Rijnlandmodel staat onder spanning, onderweg naar een kwantitatieve verhouding.

“Schaf de Beurs af”

Hiermee mag het nu overduidelijk zijn dat de Beurs een onding is. Al is de Beurs in haar huidige toestand ook een product van de kapitalistische productiewijze en in deze zin als secundair te zien, we kunnen er niet achteloos om zijn. Oorzaak en gevolg onderscheiden is belangrijk. Zo zijn de ratingbureaus maar een element, niet de essentie. Het moet gaan om wat de Beurs is én wat de Beurs doet.

Als men vandaag een abstractie maakt van de Beurs, in de zin van een bepaling te maken, dan is er te stellen dat de Beurs een “punt” is. Een punt omdat het geen reële “plaats” meer is, zoals het was. Maar ook omdat nu meer dan ooit de verschillende fenomenen, de verschillende lijnen van economie en politiek samenkomen in dat punt Beurs.

Doordat het een “punt” is, is het moeilijk te bevechten. Toch is een pleidooi voor “Schaf de Beurs af”, niet onzinnig. Het stelt immers frontaal een ander ideologisch kader. Het is tegennatuurlijk aan het kapitalisme en met wat er nu beleefd wordt geen onzin voor veel mensen.

Het daadwerkelijk concreet maken is dan, helaas, wat anders. Omdat vandaag de Beurs een “punt” is, en hoe kan je nu een punt bevechten? Uiteindelijk wellicht slechts door een tegen-kwaliteit te stellen.

De Beurs is zowel een middel als een objectief om winst te maken. Winst is een kwantitatieve uitdrukking van een sociale verhouding (zoals “kapitaal” een sociale verhouding is) die zich vertaalt als een kwaliteit.

Om de huidige economie te veranderen circuleren verschillende opties. Ondermeer het model van de ecologische voetafdruk, of van de sociale voetafdruk. Bij mijn weten gaan ze voorbij aan de arbeidswaarde en de loonslavernij. Ze gaan voorbij aan de centrale thesen van Marx en Engels.

We moeten zien te komen tot een toestand dat we “dankzij” die arbeidswaarde geen koopwaar zijn. Het zal dus belangrijk zijn de asymmetrie van het punt Beurs met de geografische ruimte te verkleinen, te beperken.

Dit politiek vertalen is de opdracht. De algemene en confronterende eis “Schaf de Beurs af” is en blijft geldig, maar het meer en beter concretiseren zal van de linkerzijde politieke spitstechnologie vragen.

Maar het is mogelijk, want vandaag reeds worden bedrijven beoordeeld met ethische normen, in plaats van enkel het asociale winstcijfer. Waar nu een bedrijf op de Beurs in ‘waarde’ stijgt, als het mensen ontslaat, moet het toch doenbaar zijn, met onze intelligentie, een ander criterium te hanteren om de waarde van een bedrijf te bepalen!

Hangmatkapitalisme

De Beurs, in de algemene vorm, dat is een fenomeen van onvolkomen menselijke organisatie. Nodig en ontstaan in en uit eerdere productiewijzen, is het nu een rem op de ontplooiing en organisatie van de productiemiddelen. Waar het vroeger een nuttige en nodige schakel was in de economische cyclus, kan nu die schakel weg of dan toch functioneel anders zijn. Waar de Beurs de pretentie had via de prijs de maatschappelijke waarde uit te drukken, kan nu dit – die maatschappelijke waarde – rechtstreeks uitgedrukt worden. Het is een kwestie van afspraak en organisatie.

Wat is er het meest logische? Dat eerst de prijs bepaald wordt en daaruit de waarde afgeleid, of omgekeerd, de waarde bepalen en dan de prijs?

Immers met de ordening “prijs -> waarde”, komt het element “goedkoop” als een toestand, als goedkoopheid, dus als kanker van dat wat waarde heeft. Indien de weg “waarde -> prijs” genomen wordt, komt de prijs juister te staan, dan zal in de prijs de maatschappelijke kost (de totale productiekost) moeten zitten van gemaakte of verbruikte producten. Denk hier als trefwoord aan kernenergie. Zit in de kilowattuurprijs de maatschappelijke kost? Misschien dat een ratingbureau kan antwoorden – maar het bureau zal weigeren – waar de Beurs niet kan antwoorden.

Met de ordening “waarde -> prijs”, had de financiële deregulering geen kans gehad. Een deregulering die het gemakkelijk maakte hogere winstvoeten te realiseren in de financiële sfeer dan in de werkelijke economie, waar het tenslotte op aankomt. Zodoende – maatschappelijk gezien – zouden die winstvoeten waardeloos zijn. Nu wordt een hoge prijs betaalt door de onschuldigen en blijven bankiers en co zich wentelen in hun wildheid.

De rijken verwijten de sociale zekerheid dat het een hangmat is. Maar kijken zij naar zich zelf? De toestand die we nu kennen, dat is pas een hangmat!

Ze hebben mooie winsten gemaakt zonder reële basis en nu het fout loopt moeten onschuldigen hun put dempen. Meer: die put dempen én inleveren, niet te vergeten verder, de duizenden die hun werk verloren of aan slechtere condities werken.
Hangmatkapitalisme is dat, waar de staat het kapitaal pampert, zonder eisen te stellen.

En zo is er de “goedkoopheid” in producten en een goedkope moraal.[4] Het is goed de jonge Marx te horen, in zijn commentaar op James Mill:

Het geld in een directe relatie van mens tot mens voedt de vervreemding door de scheiding van de mens tot de dingen. Maar krediet en het banksysteem lijkt die vervreemding op te heffen. Helaas! “Maar deze afschaffing van de vervreemding, deze terugkeer van de mens om zichzelf en dus andere mensen is slechts schijn, de zelfvervreemding, de ontmenselijking, is des te meer schandelijk en extreem omdat zijn elementen niet meer de handelswaar betreffen, maar het morele bestaan ​​van de mens, zijn sociale bestaan​​, de diepste diepten van zijn hart, en omdat onder de schijn van het vertrouwen van de mens in de mens, er het toppunt van wantrouwen en volledige vervreemding is.”

(…)

“Krediet is het economische oordeel over de moraliteit van een mens. In krediet is de mens zelf, in plaats van metaal of papier, uitgegroeid tot de bemiddelaar van de ruil, echter niet als een mens, maar als de bestaanswijze van het kapitaal en rente. Het ruilmiddel komt zeker uit de materiële vorm en is weer in de mens geplaatst, maar alleen omdat de mens zelf buiten zichzelf is gebracht en zichzelf aannam als een materiële vorm. Binnen de kredietrelatie is het niet zo dat het geld is overstegen in de mens, maar dat de mens zelf wordt omgezet in geld, of geld is opgenomen in hem. Menselijke individualiteit, menselijke moraal zelf, is uitgegroeid tot zowel een voorwerp van handel en het materiaal waarin geld bestaat.”[5]

Desalniettemin, de opgave om concrete objectieven te hebben die de eis “Schaf de beurs af” versterken, is niet eenvoudig. Er zijn concrete voorstellen, zoal Eurobonds, een financiële (tobin)tax, Europese ratingbureaus, striktere beursreglementering, …

Per definitie blijven deze ideeën binnen de kapitalistische productiewijze. En al wijst Marx zelf naar de “zichzelf oplossende tegenstelling”, het ontslaat ons niet met wat beters te komen. Een concreet objectief moet realistisch zijn en toch breken met de commodificatie.

Inderdaad, het zal politieke spitstechnologie moeten zijn.

(Uitpers nr. 135, 13de jg., oktober 2011)

Voetnoten:

[1] De waarde van de arbeidskracht wordt bepaald door de arbeidsduur die sociaal noodzakelijk is voor haar reproductie, m.a.w. “om de arbeidskracht voort te brengen, te ontwikkelen, in stand te houden en voort te zetten” (K. Marx). De waarde van de arbeidskracht is bepaald door de waarde van de noodzakelijke bestaansmiddelen in een gegeven land, ter bevrediging van de stoffelijke, sociale en culturele behoeften van de arbeider. De waarde van de arbeidskracht verschilt zo in België van bv. India; alsook tussen een arbeider in de 19e eeuw en nu.

[2] Marxistisch Internet Archief:

http://www.marxists.org/archive/marx/works/1851/03/reflections.htm

[3] Lesage, D. (2004) “Populisme, de natiestaat en het Imperium”, in: Blommaert J., Corijn E., Holthof M., Lesage D., Populisme, Anwerpen: EPO, pp. 61-121.

[4] In Het land is moe (Contact, Amsterdam/Antwerpen 2011, p. 118) wijst Tony Judt eveneens op de relatie van moreel verval met privatiseringen en afbouw van de overheid.

[5] Marxistisch Internet Archief:

http://www.marxists.org/archive/marx/works/1844/james-mill/index.htm

(Visited 4 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 96 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook