Terwijl rechts en extreemrechts het ‘Meloni-model’ voorhouden als een voorbeeld dat in heel Europa moet worden gevolgd, geeft de begroting die de premier zojuist heeft gepresenteerd de grenzen en tegenstrijdigheden ervan aan. De aanhangers van de Italiaanse regeringsleider genieten mee van het succesverhaal dat Giorgia Meloni voortdurend ophangt over haar economische staat van dienst en ze baseren zich vooral op twee aspecten die volgens hen het succes van de zogenaamd ‘centrumrechtse’ regering [1] zouden bewijzen: de vermindering van het overheidstekort van 7,2% (2023) tot 3,4% (2024) van het bbp en de vermindering van de werkloosheid van 7,8% tot 6% tussen 2022 en 2024. Maar deze cijfers verhullen een heel andere realiteit dan het onderzoek van de begroting 2026 in het parlement laat zien.
Allereerst is de vermindering van het tekort over het algemeen te danken aan externe factoren (194 miljard toegekend aan Italië in het kader van het Europese herstelplan) en aan het voordeel van eenmalige maatregelen die onder de vorige regering-Draghi zijn genomen (de zogenaamde ‘superbonus’-maatregel die massale steun voor renovatie toekent).
Bredere kloof
De daling van de werkloosheid komt tot uiting in de toename van het aantal onzekere en deeltijdbanen. Wat de lonen betreft, is Italië het enige land in de Europese Unie waar ze de afgelopen tien jaar zijn gedaald (- 4,5% koopkracht voor brutolonen tussen 2013 en 2023), terwijl onroerend goed en financiële rijkdom zijn geëxplodeerd en nu 8 keer het bbp vertegenwoordigen. Om het plaatje compleet te maken, moet worden opgemerkt dat Italië meer dan 8 miljoen mensen heeft die zich in een situatie van absolute armoede bevinden [2] (9,8% van de bevolking), terwijl de werkende armen zich vermenigvuldigen.
Zoals overal wordt de kloof tussen werknemers en bijstandsgerechtigden enerzijds en de eigenaars van roerende en onroerende goederen anderzijds steeds groter. De Italiaanse samenleving is niet immuun voor de duizelingwekkende toename van ongelijkheid. Volgens cijfers van de Wereldbank staat Italië nu op de 82e plaats in de ongelijkheidsindex, achter Griekenland en Roemenië. [3]
Het is in deze context dat Giorgia Meloni een ‘bezuinigingsbegroting’ voorstelt die haar de zegen van Brussel zal opleveren: beperkte uitgaven, hoge inkomsten. Het doel is om het begrotingstekort terug te dringen tot 3% in 2025 en tot 2,3% in 2028 door middel van een nog ongelijker beleid. Zelfs de belastingvermindering op inkomens uit arbeid (van meer dan 28.000 euro per jaar), is in het voordeel van de middenklasse (de electorale basis van haar partij ‘Fratelli d’Italia’). Het Italiaanse Instituut voor de Statistiek (ISTAT) heeft berekend dat het gemiddelde inkomensvoordeel per salaris € 208 zou zijn. Maar als we de cijfers nader bekijken, zien we dat de winst voor een arbeider € 23 zal zijn, voor een bediende € 123 en voor leidend kaderpersoneel € 408.
Toegegeven, de begroting voorziet in een tijdelijke belasting op de winsten van banken en verzekeringsmaatschappijen, maar de maatregel wordt niet unaniem gesteund door de coalitie. ‘Forza Italia’ (ex-Berlusconiaans rechts) is erg terughoudend. En we mogen niet vergeten dat Meloni in 2023 haar voorstel om superwinsten van banken te belasten, moest intrekken. Ten slotte heeft Meloni stilletjes een cruciaal begrotingsprobleem uitgesteld: de financiering van militaire investeringen op verzoek van de NAVO en geëist door Donald Trump.
Afgezien van zijn zeer ongelijk karakter, biedt deze begroting geen oplossing voor de structurele oorzaken van de zwakke punten van de Italiaanse economie, met name de lage productiviteit en de stagnerende groei.
Meloni’s ‘bezuinigingsbeleid’ is ook niet nieuw. Het gold al tijdens Berlusconi’s ‘ventennio’ [4] en onder de zogenaamde ’technische’ regeringen (van Monti tot Draghi) die hem opvolgden met de steun van centrumlinks (PD), dat er de institutionele as van was. Meloni maakt zonder het te zeggen deel uit van deze begrotingslogica die de strijd tegen het tekort vooral voert ten koste van het overheids- en sociaal beleid.
Bonte kritiek
Dat gezegd hebbende, er is geen gebrek aan kritiek en die komt van alle kanten: ‘Confindustria’ (werkgeversvakbond), ‘ISTAT’ en ‘Banka Italia’ hebben allemaal op de een of andere manier geoordeeld dat de begroting geen perspectief biedt en de echte problemen van de Italiaanse economie niet aanpakt. De meest radicale veroordeling komt uiteraard van de centrumlinkse oppositie en vooral van de vakbonden en in het bijzonder van de CGIL. (NVDR: de ‘Confederazione Generale Italiana del Lavoro’ is de grootste en oudste vakbond van Italië en met 5,8 miljoen leden tevens de grootste vakbond in Europa.) De CGIL heeft al een algemene staking op 12 december aangekondigd tegen een “oneerlijke, ontoereikende en contraproductieve” begroting.
Maar de vakbonden protesteren in verspreide volgorde. De (ex-socialistische) UIL zal op een andere dag demonstreren en de christelijke confederatie, de CISL, die heel dicht bij Meloni staat, verklaarde zich tevreden met een “pad van verantwoordelijkheid“. Verder organiseren de ‘basis’-vakbonden ook hun eigen demonstratie. Dit staat ver af van de algemene eenheidsstaking van 3 oktober, die sociale eisen en solidariteit met Palestina combineerde en miljoenen demonstranten mobiliseerde.
Veelzeggend is ook dat het voorstel van de CGIL voor een belasting van 1,3% op inkomens boven de 2 miljoen onmiddellijk werd verworpen door de ‘Democratische Partij’ en de ‘5-sterrenbeweging’. Die willen zich beperken tot een belasting op banken en de energiesector en ze verwijzen naar Europa voor een hypothetische belasting op grote fortuinen. Een belasting die uiteraard nooit het daglicht zien zal. In feite bepleit de centrumlinkse oppositie geen effectief begrotingsbeleid ten aanzien van de bezittende klasse. Alles is dus aanwezig voor Giorgia Meloni om haar ongelijke begrotingsbeleid verder te zetten, ook al kan dat zelfs niet eens haar eigen bondgenoten overtuigen.
[1] Steeds weer moeten we deze benaming aanvechten, die door de meerderheid wordt toegepast en die de media zelfgenoegzaam herhalen. Het is inderdaad een meerderheid van rechts en extreemrechts die niets te maken heeft met een “centrum”.
[2] Absolute armoede wordt gekenmerkt door het onvermogen om te betalen voor goederen en diensten die als essentieel worden beschouwd. Het varieert afhankelijk van de Italiaanse plaats en de gezinssituatie, met name het aantal kinderen. De drempel was bijvoorbeeld 1.568 euro die in 2023 per maand in Rome werd uitgegeven, voor een jong stel met één kind. De afschaffing van het ‘burgerschapsinkomen’ besloten op 1 Mei 2023 door G. Meloni heeft nog eens een miljoen Italianen in deze absolute armoede gestort.
[3] Zie “L’Italia dei forti, dove a pagare pensano i lavoratori“, Emiliano Brancaccio, Il Manifesto 07/11/2025 en “En Italie, le budget de Giorgia Meloni contesté de toutes parts”, Romaric Godin, Mediapart, 10/11/2025
[4] De term “ventennio” (periode van 20 jaar) verwees naar het tijdperk van de fascistische heerschappij (1922-1943), maar werd later gebruikt voor de periode van de regeringen Berlusconi (1994-2008)
Dit artikel staat ook te lezen op De Groene Belg waar J.P. Everaert voor de vertaling instond.
