De Arabische dichter Abu’l Ala al-Ma’arri:<br>Een Vrijdenker in de moslimwereld

Sinds 11 september hoeft politieke correctheid niet langer. Men mag rustig – meestal niet gestoord door enige kennis van zaken – de ordinairste algemeenheden en cliché’s over “de Arabier”, “de moslim” en “de islam” uitbazuinen. Als Robert Voorhamme, de Antwerpse voorzitter van de SP.a, stelt dat het integratiëeleid in ons land mislukt is, “omdat de migrantencultuur elke integratie in de weg staat”, zit hij zeer dicht in de buurt van Silvio Berlusconi.

De Italiaanse premier had na 11 september 2001 zichzelf bevrijd van alle oude koloniale complexen en zonder blikken of blozen gezegd dat “wij ons bewust moeten zijn van de superioriteit van onze beschaving”. Berlusconi was in goed gezelschap. In 1991 schreef Guy Verhofstadt (inmiddels premier van onze paarse coalitie) in zijn ‘Burgermanifest’ dat “de islam in wezen een intolerante en totalitaire ideologie is die botst met de culturele, morele en juridische voorschriften die gelden in een open en democratische samenleving”.

Ook “aan de andere kant” maakt men er zich vaak makkelijk vanaf. Als een pas afgestudeerde jonge Marokkaanse lerares islamitische godsdienst in een gesprek met De Standaard zegt: “Mijn hoofddoek is mijn identiteit”, dan is de vraag gewettigd of ze nog meer van deze onzin voor haar leerlingen in petto heeft.

Als de Libanees-Belgische voorzitter van de Arabisch-Europese Liga, Diab Abou Jahjah, die zichzelf heeft uitgeroepen tot de vertegenwoordiger van de jonge Arabische allochtonen in ons land, weigert het moslimfundamentalisme en -extremisme te veroordelen, zo lang de Belgen hun eigen fundamentalisten niet de wacht aanzeggen, is hij hypocriet. Als hij de conservatieve moraalridderij en de onderdrukking van de vrouw in islamitische middens in ons land goedpraat, toont hij zich een fenomenale opportunist.

In zijn schitterende essay, “Moorddadige Identiteiten” (1998), schreef de Franstalige en Arabischtalige Libanees, Amin Maalouf: “Geen enkele religie is vrij van intolerantie, maar als we de balans opmaken tussen de twee “rivaliserende” godsdiensten (christendom en islam), stelt men vast dat de islam helemaal geen slecht figuur slaat.” En hij gaf meteen deze niet onbelangrijke opmerking mee: “In de loop van de geschiedenis van de moslims merk ik een lange praktijk van coëxistentie en tolerantie. Ik haast me meteen om hieraan toe te voegen dat tolerantie voor mij niet genoeg is. Ik heb geen zin om getolereerd te worden, ik eis dat men mij behandelt als een volwaardig burger, ongeacht mijn geloofsovertuiging. Of ik nu christen of jood ben in een land met een moslimmeerderheid, of moslim in een christelijke of joodse omgeving. Of ook als ik mij niet beroep op een of andere godsdienst.”

En Maalouf gaf volgende goed raad aan allochtonen en autochtonen in een multiculturele maatschappij als de onze: “Ik heb zin om aan de “enen” (de allochtonen) op de eerste plaats te zeggen: “Hoe meer jullie zich onderdompelen in de cultuur van jullie gastland, hoe meer jullie zich zullen kunnen onderdompelen in jullie eigen cultuur. En aan de “anderen” zeg ik: hoe meer een immigrant zich in zijn cultuur van oorsprong gerespecteerd voelt, hoe meer hij zich zal openstellen voor de cultuur van het gastland.”

In het huidige debat en de dialoog tussen autochtonen en allochtonen, die helaas niet echt een debat of een dialoog zijn, maar veel te vaak een dovemansgesprek, zou het bijzonder nuttig kunnen zijn dat beiden eens dezelfde boeken ter hand nemen. Bijvoorbeeld het werk van de ongemeen boeiende Arabische dichter en vrijdenker Abu L Ala Al-Ma’arri. Voor autochtonen en allochtonen wordt dit gegarandeerd een fabelachtige ontdekkingsreis.

Al-Ma’arri leefde van 973 tot 1057 in het dorpje Ma’arrat an-Nu’mân, in de buurt van de Noord-Syrische stad Aleppo. Op vijfjarige leeftijd wordt hij – na een pokkeninfectie – blind. In 1008 trekt de jonge dichter, filosoof en linguïst naar Bagdad. Hij ontdekt er de rijkdom van de plaatselijke bibliotheken en maakt er kennis met al wie naam en faam heeft als dichter, schrijver, filosoof of wetenschapper.

Na anderhalf jaar houdt Al-Ma’arri het voor bekeken en trekt hij zich terug in zijn geboortedorp. Hij leeft er als een strenge asceet op een dieet van vijgen en linzen, maar niet als een kluizenaar. Zijn huis wordt een ontmoetingscentrum, waar denkers en dichters graag vertoeven en waar de dichter een heuse school opent voor jonge discipelen, die samen met hem de Arabische literatuur en filosofische werken bestuderen. Zonder enige overdrijving kan Al-Ma’arri bestempeld worden als de voorloper van Voltaire of andere filosofen van de Verlichting, die zeven honderd jaar later in Europa voor een omwenteling zouden zorgen.

Al-Ma’arri houdt er en strakke wereldopvatting op na: hij is een onverbeterlijke pessimist (wat bij hem vertaald wordt in een grenzeloze sympathie en medeleven voor al wie onderdrukt wordt in de maatschappij); en hij is een fervent aanhanger van het scepticisme en het rationalisme.

In talloze van zijn gedichten haalt Al-Ma’arri niet alleen de islam, maar alle hem bekende religies door de mangel. In zijn achthonderd pagina’s tellende dichtbundel “Luzûmiyyât” (letterlijk: de noodzakelijkheden) tekent Al-Ma’arri volgend opmerkelijk credo op:

“De Haniefen (moslims) dwalen,
De Nazareërs (christenen) zijn van de rechte weg afgeweken,
De joden dolen in verwarring,
En de Zoroasters (heidenen) worden misleid.

Er zijn twee soorten bewoners op aarde:
De enen hebben de rede, maar geen religie,
En de anderen hebben de religie, maar niet de rede.”

Al-Ma’arri, een dichter in het land van de islam, ziet alleen heil in de rationaliteit en veroordeelt in tal van zijn teksten de hypocrisie van de drie grote monotheïstische godsdiensten. “Er is maar één imam en dat is de rede, onze gids overdag en ‘s nachts”.

In een ander gedicht schrijft Al-Ma’arri:

“De leugen heeft
De bewoners van de aarde vernietigd.
Hun afstammelingen hebben zich gegroepeerd in sekten
Die niet in staat zijn te verbroederen.
Als vijandigheid niet vanaf hun ontstaan
In hun aard had gelegen,
Zouden moskee, kerk en synagoge
één geweest zijn”.

In Luzûmiyyât stelt de dichter deze ketterse vragen:

“Geloof, ongeloof, handel in geruchten
Koran, Torah, Evangelie
Schrijven hun wetten voor…
Elke generatie heeft haar leugens
Die ze hardnekkig gelooft en aan de anderen oplegt.
Zal er op een dag een andere generatie opstaan,
Die de waarheid volgt?”

“Alle mensen haasten zich richting ontbinding.
Alle godsdiensten zijn aan elkaar gewaagd als het om dwalingen gaat.

Ik die blind ben,
Hoe geraak ik op de juiste weg
Als alle anderen ook blind zijn?”

Al-Ma’arri pleit voortdurend voor echte tolerantie onder de drie grote godsdiensten in de Arabische wereld: “Wees me niet op slag vijandig gezind, uw Christus is voor mij de gelijke van Mohammed. Verblindt het daglicht de nachtelijke reiziger of zijn wij allen in een eeuwige duisternis gehuld? Missen wij helderziendheid om de weg te kunnen vinden of zijn wij zienden, met een altijd troebele blik?”

Op grond van zijn rationalisme, scepticisme en pessimisme komt Al-Ma’arri tot een heel eigenzinnige en bijzonder modernistische ethiek. De dichter hekelt de domheid van de islamitische, joodse en christelijke godgeleerden, hij fulmineert tegen bijgeloof en veroordeelt scherp winstbejag, slavernij en de voor hem onaanvaardbare onderdrukking van de vrouw in de islamitische wereld.
“Als het geld bij jou de behoefte versterkt om er steeds maar meer van te hebben, is rijkdom de armoede zelve”, schrijft Al-Ma’ari.
En over de onderdrukking van de vrouw in de moslimwereld schrijft hij in de bundel ‘Luzûmiyyât’ een bijzonder sarcastisch gedicht:

“Hij is getrouwd, en na zijn eerste vrouw,
heeft er nog drie genomen.
Hij zei aan zijn echtgenote:
“Een kwart van mijn persoon volstaat voor jou”.
Als zij zich hierin schikt,
Beloont hij haar met een mager rantsoentje,
Maar als ze in de armen van een minnaar valt,
Zal hij haar stenigen”.

Veel van het werk van Abu L Ala Al-Ma’arri – sommige arabisten gaan ervan uit dat hij meer dan honderd dichtbundels en prozawerken heeft nagelaten – heeft de turbulente tijden van de kruistochten niet overleefd. En de dichter wordt maar met mondjesmaat toegankelijk gemaakt voor Arabisch-onkundigen. Zo vertaalden de Libanese dichter Adonis en Anne Wade Minkowski in 1988 een aantal gedichten uit het lijvige ‘Luzûmiyyât’ onder de titel “Rets d’Eternité”. In 1998 vertaalde de Frans-Egyptische oriëntalist, Sami-Ali, honderd en tien gedichten van Al-Ma’arri tot de bundel “Chants de la Nuit extrême”.De voorbije zomer publiceerde de Zwitserse arabist, Gregor Schoeler, een Duitse vertaling van één van de omvangrijkste prozawerken van Al-Ma’arri: “Risalat al-Ghufran” (Rondschrijven over de Vergiffenis) onder de titel “Paradies und Hölle”. Voor de niet ingewijde Europese of allochtone literatuurliefhëber opent dit boek een fascinerende wereld. Al-Ma’arri schreef met “Risalat al-Ghufran” een “Divina Commedia” drie honderd jaar voor Dante Alighieri. Wie zei ook weer dat onze “beschaving superieur is”? De fijnbesnaarde intellectueel en tycoon, Silvio Berlusconi?

ABU L ALA AL-MA’ARRI, Paradies und Hölle, Vertaald door Gregor Schoeler, Verlag C.H. Beck, München, 2002, 226 blz., 26,90 euro.
Rets d’Eternité, Vertaald door Adonis en Anne Wade Minkowski, Fayard, Parijs, 1988, 183 blz., 13,77 euro.20
Chants de la Nuit extrême, Vertaald door Sami-Ali, Editions Verticales, Parijs, 1998, 254 blz., 21,34 euro.

(Uitpers, nr. 35, 4de jg., november 2002)

(Visited 9 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 62 Times, 2 Visits today

Tags :

zie ook