De Abruzzen, na het puin het geld

Procureur Alfredo Rossini van L’Aquila, in de Italiaanse regio van de Abruzzen, heeft de komende weken de handen vol. Nog vóór de zomer wil hij weten hoe het zat met de bouw van het hospitaal San Salvatore en andere gebouwen van L’Aquila die bij de recente aardbeving zijn ingestort wat vele slachtoffers maakte.

Hij wil tegelijk voorzieningen om te beletten dat maffiagroepen en corrupte ondernemers, ambtenaren en dergelijke zich tegoed doen aan het vele geld voor de wederopbouw. Er zijn immers nogal wat precedenten. Vooral na de aardbeving van 23 november 1980 in Campanië (Napels en vooral de streek rond Irpinia) verdwenen fortuinen wederopbouwfondsen in de zakken van maffieuse ondernemers en politici.

Er is een sterk ‘déjà vu’ gevoel in de Abruzzen. Procureur Rossini heeft het verslag opgevraagd van een parlementaire commissie die eerder een onderzoek instelde naar het hospitaal San Salvatore. Die commissie wou achterhalen waarom het project voor dat ziekenhuis van 1960 dateert en pas in 2000 werd uitgevoerd – zonder de nodige vergunning. Nu al is duidelijk dat er danig “slordig” werd gebouwd, maar dat is nauwelijks een verrassing. Dat er vrees is voor maffia-infiltratie ligt gezien de voorgaanden ook voor de hand.

Public relations

Voor premier Silvio Berlusconi is de nasleep van de aardbeving de gelegenheid voor een operatie public relations. Zijn regering verzekert dat ze grote inspanningen zal doen om de overlevende slachtoffers snel aan een nieuw onderdak te helpen. Over de verantwoordelijkheden voor het hoge aantal slachtoffers wil Berlusconi liefst zo weinig mogelijk horen en zeggen, men moet weer niet de ondernemers met de vinger wijzen maar naar de toekomst kijken, luidt het. Nochtans is er veel te leren uit het verleden. Na elke aardbeving worden sterke beloften gedaan voor snelle wederopbouw; soms zijn die nageleefd, vaak niet. En vooral in die laatste gevallen gaat een groot deel van de geldstroom niet naar de wederopbouw van woningen en andere gebouwen, maar naar de opbouw van fortuinen.

Worden de beloften deze keer nagekomen? In de buurt van Assisi, in de regio Umbrië, leven mensen die sceptisch zijn. Die mensen werden in 1997 slachtoffer van de aardbeving die Assisi en omgeving zwaar trof en die wereldwijd lange aandacht kreeg omdat de beroemde kerken van Assisi waar zoveel miljoenen toeristen langskomen, ook zwaar waren getroffen.

Ook toen werd een snelle wederopbouw beloofd. Maar in omliggende dorpen leven mensen, in afwachting dat hun woning weer bewoonbaar is, “voorlopig” in containers waar het ‘s winters bar koud en ‘s zomers ondraaglijk warm is. Verscheidene mensen zijn intussen al overleden, zo raken de barakken toch leeg. Het duurt niet overal zo lang, de regio Umbrië besefte dat de bureaucratie verlammend kan werken en gaf de bewoners carte blanche om de zaken zelf te regelen. Maar in sommige gevallen kwamen ze terecht bij oneerlijke en/of onbekwame ondernemers die onderweg failliet gingen. Hoe dan ook, van de beloofde snelle wederopbouw kwam weinig in huis.

Belice

Dat is klein bier vergeleken met wat de slachtoffers van de aardbeving van 1968 in het westen van Sicilië overkwam. Nu, 41 jaar later, kondigde de burgemeester van het dorp Menfi (13.000 inwoners) aan dat het geld er is voor de wederopbouw. De aardschok van 15 januari 1968 had 15 stadjes en dorpen in de vallei van Belice in puin gelegd. Er waren 400 doden en 100.000 daklozen. Er was een golf van medeleven en solidariteit, het regende beloften dat de overheden alles in het werk zouden stellen om allen overlevenden een levenswaardig en veilig onderdak te bezorgen.

Zo gezegd maar dus niet zo gedaan. Het lag niet aan gebrek aan geld. Er werd veel geld uitgetrokken voor wederopbouw, maar op Sicilië waren en zijn nogal wat bouwmaatschappijen in handen van maffiaclans. De maffiabazen konden zoals gewoonlijk ook rekenen op medeplichtige politici en ambtenaren om een flink deel van de fondsen voor wederopbouw aan hun bedrijven toe te spelen.

Irpiniagate

Twaalf jaar later werd Campanië, de streek rond Napels, door een zware aardbeving getroffen. Er vielen bij die schok van 23 november 1980 drieduizend doden, honderdduizenden waren dakloos. In Napels zelf stortten ganse huizenblokken in, die woningen waren allesbehalve voorzien op aardbevingen, ook al staan ze in een regio waar het risico op aardbevingen zeer groot is.

“Het zal deze keer geen twaalf jaar duren eer de mensen weer in een goede en veilige woning huizen”, zei de Italiaanse regering., verwijzend naar de toestand in de vallei van Belice. Maar ook daar huisden twaalf jaar later, in 1992, nog altijd tienduizenden mensen in containers.

In dat jaar maakte Italië namelijk kennis met ‘Tangentopoli’, Smeergeldstad. In dat jaar legden magistraten als Antonio Di Pietro een systeem van corruptie, “commissies” en medeplichtigheid met de maffia bloot. Toen bleek hoe politici, vaak samen met maffiabazen, overheidsgelden onder elkaar verdeelden.

Dat was ook gebeurd in Campanië, vooral in de regio van Irpinia. In de maanden na de aardschok woedde er in de regio een grote oorlog tussen twee groepen van de camorra, de maffia van de regio. Aan de ene kant was er de Nuova Camorra Organizzata, een groep van nieuwkomers, aan de andere kant een coalitie van de traditionele clans. In Napels hadden de Rode Brigades (terreurbeweging) een christen-democratische politicus, Ciro Cirillo, ontvoerd. Rafaele Cutolo, de baas van de “nieuwe camorra”, ging voor de christen-democraten in de gevangenis met de Rode Brigades onderhandelen en Cirillo kwam vrij. Maar Cutolo stelde te hoge eisen en de politici gingen met zijn concurrenten onderhandelen. Ze beloofden hen straffeloosheid in hun strijd tegen Cutolo en, belangrijkst, ze raakten akkoord over de verdeling van de enorme fondsen voor de wederopbouw van de getroffen streek.

Het waren geen derderangspolitici. Onder hen de onlangs overleden Antonio Gava die enkele keren minister van Binnenlandse Zaken (hoofd van de politie) was, en Pomicino, minister van de Schatkist. Over een deel van die regio heerste ook Ciriaco De Mita die in 1987 eerste minister werd. De regering had bijna 40 miljard euro voor die wederopbouw uitgetrokken. Oorspronkelijk stonden 339 steden en dorpen op de lijst voor wederopbouw. Maar in de kortste keren waren het er 687, het dubbele.

De staat betaalde tienduizenden woningen die alleen op papier bestonden. Voor de rest werden allerlei gebouwen opgetrokken die volstrekt nutteloos waren. Zoals een operagebouw in een bergdorp…Een bank waarin de familie De Mita grote belangen had, zag haar patrimonium in vijftien jaar tijd vermenigvuldigen met 156!

Begeerte

Nu, meer dan 28 jaar later, leven er in die regio nog mensen in noodwoningen, terwijl zoveel geld naar de regio is gestroomd. Italië heeft sindsdien wel strijd geleverd tegen corruptie en maffia en in de regio van de Abruzzen is er traditioneel weinig inplanting van maffiaclans. Er is het hoopgevende precedent van de aardbeving van 1976 in Friuli (noordoosten) waar de wederopbouw wel snel van start ging en snel werd afgerond.

Maar het valt te vrezen dat het vele beloofde geld voor de wederopbouw malafide bedrijven aantrekt. En corruptie? Vorig jaar moest de “gouverneur” van de Abruzzen, de socialist Ottaviano del Turco, aftreden (hij zat een tijd in de gevangenis) wegens corruptie. Positief is dat hij moest aftreden. Maar al dat geld zal wellicht begeerte opwekken.

(Uitpers, nr. 109, 10de jg., mei 2009)

Deel dit artikel

Visited 115 Times, 1 Visit today

Tags :
Freddy De Pauw

Freddy De Pauw was van 1972 tot 2002 redacteur buitenland bij De Standaard. Hij volgde jarenlang Centraal- en Oost-Europa, een groot deel van Azië (o.m. China) en Italië. Hij publiceerde o.m. bij het Davidsfonds Volken zonder Vaderland’ over de ‘etnische kwesties’ in Centraal- en Oost-Europa; De firma maffia; Italië, moeder van alle smeer; Russische mafija; Handelaars in mensen; Maffia in België en Handelaars in nieuws – over trends in de berichtgeving. Werkt sinds de start in 1999 mee aan Uitpers.

zie ook