Dagboek uit Sakhnin

Het is vandaag 10 augustus. Ik wil graag wat schrijven voor Uitpers. De deathline is 28 augustus. Ik heb me suf gepiekerd wat voor artikel dit moet worden. De situatie in het Midden-Oosten is zo dynamisch en verandert iedere dag, daarom ben ik bang dat, wat ik nu schrijf, totaal niet meer relevant is als dit stuk op de Uitpers website komt. Daarom denk ik dat het het beste is dat ik een soort van dagboek bijhou.

Het is een impressie van wat ik hoor via het nieuws, van vrienden, van mijn mededorpsgenoten, de inwoners van Sakhnin, een Arabisch dorp in het noorden van Israël, in Galilea, ongeveer 30 kilometer van de Libanese grens vandaan.

Dit ging eraan vooraf: Op 12 Juli werden er twee Israëlische soldaten gekidnapt door Hezbollah. Israël reageerde hierop met het bombarderen van Beiroet, het vernietigen van infrastructuur in Libanon, en het verdrijven van inwoners in de dorpen en steden in Zuid-Libanon. Sinds de 12de juli is er veel gebeurd.

Protest tegen het bombardement op Qana in Sakhnin (foto Trees Kosterman)

Op zondag, de 28ste juli, bombardeerde een Israëlisch vliegtuig een dorp in Zuid Libanon, genaamd Qana.Qana is bekend van de massaslachting die plaats vond in 1996. Israëlische vliegtuigen bombardeerden toen een VN post, waar de bevolking van het dorpje Qana naartoe was gevlucht om dekking te zoeken. Resultaat was 103 doden, allemaal burgers.

Op 28 Juli 2006 gebeurde het weer. Door Israëlische bombardementen kwamen er tegen de 30 mensen om, meest vrouwen en kinderen . Ze zaten in een schuilkelder, maar helaas, de bom kwam terecht op het huis boven de schuilkelder.

Dit waren uiteraard niet de enige Libanese slachtoffers. Er wordt geschat dat sinds de 12de juli er meer dan 1000 Libanese burgers omgekomen zijn, en veel meer gewond. Maar ik neem aan dat de lezers van dit stuk dit allemaal min of meer op het nieuws gevolgd hebben.

Hezbollah heeft ook niet stilgezeten deze maand. Twee dagen nadat Israël begon met het bombarderen van Libanon, kwamen er katjoesja’s van Libanon naar onze kant toe. In het begin is het een vreemde gewaarwording, als je de sirene hoort, die waarschuwt voor inkomende bommen. Sinds de 14de juli landden er iedere dag zo’n 150-200 Katyusha raketten in Galilea.

De Arabische bevolking reageert er anders op dan de Joodse bevolking. Ik wil eerst nog eens benadrukken dat de bevolking van Galilea voor 50 % uit Arabieren bestaat.

Als jullie in België tv kijken dan zie je waarschijnlijk beelden van Israëliers in schuilkelders. Ik wil dat jullie je realiseren dat de meeste Arabische gemeenschappen geen schuilkelders hebben. Wat deden wij de eerste paar dagen? We renden ons platte dak op om te kijken waar die katjoesja’s neerkwamen.

Via mijn tv waar ik allerlei zenders heb, de Nederlandse zenders, BBC, via BVN kan ik kijken naar het Belgische journaal, werd er niet gesproken over de Arabische bevolking in Galilea. Het is alsof ze niet bestaan.

Joodse Israëli’s betuigen op een demonstratie in Tel Aviv hun medeleven met de getroffen Libanese bevolking (foto Trees Kosterman)

Ook denken de meeste Arabieren heel anders over de orlog dan de Joods-Israëlische bevolking. Volgens het nieuws, (Belgisch, Nederlands, BBC) staat 80 % van de Israëlische bevolking achter deze oorlog. Maar als ik met mijn Arabische medestadsgenoten praat dan hoor je iets heel anders. Zij vinden Israël de schuldige. Zij zien Hezbollah niet als een terroristische organisatie, voor hen is Hezbollah een verzetsorganizatie. En de strijd van Hezbollah is legaal.

Ook zijn er sinds de oorlog begon 17 Arabische burgers in Galilea omgekomen. Vandaag nog zijn er twee peuters en de moeder van een van de twee uit het Arabische dorpje Deir Al-Assad omgekomen door een katjoesja-aanval. De meeste Arabieren wijten het aan het gebrek aan schuilkelders. Ondanks dat men gedood wordt door Hezbollah-raketten, wijzen de meeste Arabieren Israël aan als schuldige. Ging de hele oorlog oorspronkelijk om de ontvoering van twee soldaten, men weet nu heel goed, en realiseert zich ook steeds meer dat dit om iets heel anders ging.

Wat speciaal is voor vandaag, om maar weer even door te gaan in dagboek stijl, is dat gisteravond tijdens een speech, Nasr Allah, de leider van Hezbollah de Arabieren van Haifa opriep om de stad uit te gaan. In feite waarschuwt hij ze voor een eventuele escalatie van de katjoesja-aanvallen. Hier werd ik toch wel even wat zenuwachtig van. Ik heb wat vrienden die in Haifa wonen opgebeld, en gevraagd wat ze wilden doen. De vier mensen met wie ik heb gepraat zeiden allemaal “we blijven”. Ook hebben de Arabische leiders binnen Israël de mensen opgeroepen om te blijven. De reden is dat men niet weer weg wil vluchten . Men is bang dat juist de Arabische bevolking niet meer terug kan komen in Haifa. Het 1948 trauma, toen vele Arabieren gevlucht zijn en hun huizen ingenomen waren door Joodse bewoners, is nog heel levend.

Maar ook zijn er die zeggen dat men wil blijven om de boel te regelen. Een (Joodse) vriendin van mij die in de buurt Halissa woont, merendeels Arabische bewoners, en de armste buurt van Haifa zei dat ze een committee hebben opgericht om de mensen die willen vertrekken daarbij te steunen, en om de huizen te bewaken die leeg staan als gevolg van het vluchten van de inwoners.

Protest tegen premier Ehud Olmert en tegen stafchef Dan Halutz in Tel Aviv (foto Trees Kosterman)

De situatie is erg onvoorspelbaar. De sirenes die waarschuwen voor inkomende katjoesja’s gaan constant af. Het is een deel van het leven geworden. We zijn allemaal verslaafd aan nieuws.

Als we de sirenes voor een tijdje niet horen of geen nieuws hebben gezien, worden we onrustig. We vragen ons af wat er aan de hand is. Wat gaat er zometeen gebeuren.

Morgen schrijf ik meer.

Het is vandaag 14 augustus. En nog geen enkele sirene gehoord. De wapenstilstand is dan ook vanochtend begonnen. En nu worden we geacht blij te zijn.

Eerst even wat belevenissen van de afgelopen dagen. Op vrijdag, de 11de augustus ben ik, amen met de correspondent van het Nos-Journaal, naar Deir Al-Assad geweest. Hij wilde een reportage maken over schuilkelders, die we in de Arabische dorpen niet hebben. Van de 41 Israëlische doden, zijn er 17 Arabisch. Dus bijna 40 %.

Op donderdagmorgen kwam er een katjoesja-raket terecht in Deir Al-Assad, waarbij een moeder met haar kind omgekomen is. Deir Al-Assad ligt 1 kilometer van Karmi’el vandaan. Karmi’el heeft heftig onder vuur gelegen.

We vroegen de mensen op straat waar het huis van de slachtoffers was. Daar aangekomen vroeg ik aan een paar jongemannen of ze ons te woord wilden staan en of we het huis mochten filmen. Dat mocht en er kwam een iets oudere man aan, die de opa van het omgekomen kind en de schoonvader van de omgekomen moeder was.

Dit was wat hij ons vertelde.

Hij woont op de tweede verdieping en op de eerste verdieping woont zijn zoon Ahmed met zijn vrouw Myriam van 26 jaar en de twee kinderen Fathe, 5 jaar en Feres, 3 jaar.

Men had bij opa en oma koffie gedronken, en het was tijd om een flink ontbijt klaar te maken. Oma en Myriam gingen naar beneden, waar men het ontbijt klaarmaakte, en ze riepen de beide kinderen om te komen eten. Na een paar minuten hoorde opa een vreselijke harde klap, hij rende naar beneden, en hij pakte het eerste lichaam wat hij zag.

Dat was het lichaam van Fathe. Na korte tijd overleed de kleine jongen. Myriam, 26 jaar, werd gelijk gedood. En oma en de kleine Feres liggen nu in het ziekenhuis in Naharya, beide met geamputeerde ledematen.

Ik vroeg hem wie hij schuldig achtte aan de dood van zijn familieleden. Hij vertelde me dat het tijd was dat de oorlog ophield, iedereen moet gewoon naar huis gaan, alle vluchtelingen weer terug naar hun dorpen, en dat hij persoonlijk niets met deze oorlog te maken heeft. Alleen, zei hij, wij simpele mensen lijden er onder, niet de leiders die deze oorlogen beginnen.

Er zijn geen schuilkelders in Deir Al-Assad. Daarna zijn we nog even naar Karmi’el gegaan om te kijken hoe de situatie daar is. Je zag niemand opstraat, en bij het afgaan van de sirenes konden wij ook eens naar een schuilkelder rennen. Vreemde gewaarwording.

‘s Nachts hoorden we vele helikopters overkomen. Dit betekent dat er veel gewonden of doden zijn, Israëlische gewonden wel te verstaan, want de meeste soldaten die gewond raken vliegen per helikopter over ons heen richting Haifa, naar het Rambam-ziekenhuis.

Ondertussen hoorden we dat er sprake was van een VN-resolutie, nr. 1701, maar we hoorden ook dat de Israëlische grondinvasie uitgebreid zou worden. Erg tegenovergestelde berichten.

Mijn mede dorpsgenoten haalden hun schouders dan ook op.

Wel merkten we aan de vele raketinslagen en de vele malen dat de sirenes afgingen dat ook Hezbollah flink aan de gang was. Zaterdag en gisteren, op zondag, gingen de hele dag de sirenes, en s’avonds werd ik opgebeld door een vriendin uit Duitsland en vrienden van de West-Bank. Ze vroegen of we okay waren. Ja zeker, hoezo. Ze hadden gehoord (waarvandaan weet ik nog steeds niet) dat er ook op Sakhnin een paar katyushas terechtgekomen zijn.

Het schijnt inderdaad zo te zijn, maar als je er al een maand lang constant hoort, dan hoor je niet meer waar ze vallen, je let er gewoon niet meer op.

Hoewel ik moet zeggen dat, naarmate de oorlog langer duurde, des te angstiger je toch wordt. Ook omdat je weet dat deze katjoesja’s schade aanrichten en er doden vallen. Maar, hielden we ons voor, het is lang zo erg niet als wat er in Libanon gebeurt. Op de een of andere manier hebben mijn mededorpsgenoten weinig geklaagd de afgelopen maanden. Men was meer met hun gedachten bij de Libanezen.

De slachting (een van de vele in Libanon) in Qana heeft veel kwaad bloed gezet naar Israël toe.

We hebben een dag na Qana een grote demonstratie gehad in Sakhnin. Daar waren meer dan 10 000 mensen bij aanwezig.

Nu is er dus een wapenstilstand. Men heeft er weinig vertrouwen in. Men ziet het hier meer als een adempauze.

Het is triest dat er eergisteren nog eens 25 soldaten omgekomen zijn. Vannacht heeft Israël ook nog eens flink gebombardeerd op Beiroet, en andere plaatsen. Tientallen doden. Hier snapt men ook niets van. We wachten af.

26 augustus

We zijn bijna 2 weken verder. De wapenstilstand is ingegaan, en afgezien van enkele schermutselingen in Zuid Libanon, is het rustig gebleven. Hier probeert iedereen de dagelijkse routine weer op te pakken. Volgende week beginnen de scholen weer. Er was eerst sprake van dat de scholen wat later zouden beginnen, om de kinderen een gevoel van vakantie te geven, maar er is toch besloten om gewoon op de gewone datum de scholen weer te openen.

Er wordt nog erg veel over de oorlog gesproken. Voor de mensen hier is Nasr-Allah een held. Ik durf het amper op te schrijven, want als je kijkt in een willekeurige Israëlische krant, dan worden de ‘Israëlische Arabieren” die hun steun uitspreken aan Hezbollah veroordeeld en er gaan weer meer ’Joods-Israëlische’ stemmen op om alle Arabieren eruit e gooien.

Vanochtend met wat collega’s zitten praten, en ik heb ze gevraagd of men voelt dat de relatie tussen Joodse en Arabische Israëliers veranderd is. Een collega van mij zei dat het allemaal nog moeilijker is geworden. En dat ze bang is wat de toekomst gaat brengen. Ten eerste voor de Palestijnen binnen Israël. Maar men is er niet van overtuigd dat het allemaal afgelopen is. Men denkt dat er een oorlog met Syrie/Iran aan gaat komen, en dan wordt het echt serieus.

Laten we hopen dat het niet zo ver komt.

(Uitpers, nr. 78, 8ste jg., september 2006)

Visited 11 Times, 1 Visit today

Tags :