Cyclonen in Guatemala niet zomaar natuurrampen

foto Rode Kruis Guatemala

Begin november raasde cycloon Eta over het Caribische gebied en teisterde de Centraal-Amerikaanse republieken om dan verder te gaan richting Mexico. Eta liet een paar honderd doden of vermisten en duizenden slachtoffers achter in zeven Midden-Amerikaanse landen. Guatemala bleek er het ergste aan toe te zijn. Het dodenaantal liep daar dramatisch op vanwege een aardverschuiving die het dorpje Quejá in de gemeente San Cristóbal Verapaz integraal begroef. Daarbij werden de 150 inwoners bedolven.

‘We schatten het aantal doden en verdwenenen op basis van de onofficiële cijfers op ongeveer honderdvijftig,’ zei de Guatemalteekse president Alejandro Giammattei. Door overstromingen en wegafsluitingen konden de reddingsteams het dorp in het begin niet bereiken. Daarnaast zouden 144.502 mensen getroffen zijn volgens cijfers van 7 november. De instellingen die deel uitmaken van het systeem van de Nationale Coördinatie voor Rampenbestrijding (CONRED)  evacueerden 60.787 mensen uit hun huizen.

Mensenwerk steken cyclonen een handje toe

Volgens het inheems Centrum voor Bezinning NIM POQOM in Alta Verapaz  is de dramatische situatie het gevolg van het ontbreken van een concreet en reëel beleid op het gebied van preventie vanwege de staat en de opeenvolgende regeringen.

Izabal, Zacapa, Alta en Baja Verapaz, Quiché, Huehuetenango zijn de departementen die het meest getroffen werden door Eta, zoals indertijd ook al gebeurde met de stormen FIFI (1974), Mitch (1998), Stan (2005), Agatha (2010) en andere. Degenen die het meest te lijden hebben onder het gebrek aan verantwoordelijkheid van de staat zijn de armsten en degenen die in afgelegen gebieden en verlaten plattelandsgemeenschappen wonen en die slechts om de vier jaar voor de verkiezingen worden gezocht.

De rampen als gevolg van natuurverschijnselen gaan gepaard met corruptie en de inbeslagname van lokale machten door individuen die banden hebben met de georganiseerde misdaad en met gezinnen uit de hogere klasse die zich niets aantrekken van het lijden van de overgrote meerderheid. ‘In die zin zijn grootschalige ontbossing, het opvullen van lagunes, meren en rivieren, de ongebreidelde exploitatie van natuurlijke hulpbronnen en de ontwikkeling in de grijze zone enkele van de oorzaken van wat we vandaag ervaren in de departementen waar de ETA doorgeraasd is. Met als gevolg meer armoede, sterfgevallen en verdwijningen, evenals talloze gezinnen en mensen die opgevangen werden door de gemeenten, NGO’s, kerken en  gecreëerde opvangcentra, naast gezinnen die hun huizen solidair hebben opengesteld voor de slachtoffers.’

Wat er gebeurt in plattelandsgemeenschappen als Quejá, Sac Iixim, Santa Elena, El Rancho, Rexquix, is juist het gevolg van ongecontroleerde ontbossing. Met de ontbossing zijn zelfs die instellingen medeplichtig die het milieu moeten beschermen, zoals het Nationaal Instituut voor Bosbeheer (INAB,) de Divisie voor Bescherming van de Natuur (DIPRONA), het Ministerie van Milieu en Natuurlijke Hulpbronnen. Samen met de autoriteiten van de gemeente hebben zij de vergunningen verlengd om grote partijen bos te vernietigen die als ondersteuning en vasthouder voor de gronden in deze regio dienden.

‘Dezen die zich met de ontbossing verrijkten en daardoor lijden en armoede van de bevolking veroorzaakten zijn: lokale, departementale of nationale houtzagerijen, milieu-ingenieurs, handelaars, verstrekkers van licenties, ambtenaren en voormalige ambtenaren van de INAB.’

Handige regelingen onder tafel

Advocaat Helmer Velásquez was jarenlang uitvoerend directeur van de Coördinatie van NGO’s en Coöperatieven (Congcoop). Hij wijst met de vinger in dezelfde richting als het inheems Centrum voor Bezinning NIM POQOM in Alta Verapaz en hekelt ondermeer het bosbeheer door de staatsinstellingen.

Het Nationaal Instituut voor Bossen (INAB) wijst erop dat in de voorgaande jaren jaarlijks 18.350 hectare bos verloren ging. Het instituut verdedigt zich door te stellen dat er ‘een aanzienlijke toename van de cijfers van herwinning’ is geweest, als om te zeggen: maak jullie geen zorgen, het probleem is niet dramatisch. Wie gelooft ze? Het volstaat om de uitgestrekte vlakten in Alta Verapaz en Petén te bezoeken, waar ooit bos was en nu vee en oliepalmbomen. De bevolking van die plaatsen betreurt het dat de rivieren zijn opgedroogd door het overmatige gebruik van water door palmboerderijen en de ontbossing van de laatste vijftig jaar, door de vraatzucht van ‘ontwikkelaars en ondernemers.’ Geen enkele openbare instelling snelde toe om die vernietigingen van bosbestanden een halt toe te roepen. De q’eqchi’ bevolking draagt de gevolgen.

Vervolgens gaat de aandacht van Velásquez naar de hoofdstad. Die barst uit haar voegen, altijd opnieuw ten koste van natuurgebied. Nieuwsberichten hebben het over een inspectiebezoek aan Cayalá. In die exclusieve en superrijke buurt aan de hogergelegen rand van de stad sneuvelen bosrijke gebieden voor de oprichting van luxueuze appartementsgebouwen. Volksvertegenwoordigers en milieuautoriteiten kregen geen toestemming – van de ‘transparante’ ontwikkelaars – om het terrein te betreden. Niets nieuws. De zielige zwakte van de staat. In het binnenland zijn dergelijke toestanden dagelijks brood. En niet te vergeten, de handige regelingen onder tafel tussen bureaucraten en ‘ondernemers om investeringen te vergemakkelijken en rechtszekerheid te vergunnen,’ of het nu gaat om mijnbouw, energie of uitgebreide plantages voor monocultuur. Inclusief illegale gewassen.

Deel dit artikel

Zie ook