Crisis in Ivoorkust: Bange herinneringen aan Rwanda

In Ivoorkust is het politiek systeem al lang doodziek. Maar op 19 september werd dit voor de buitenwereld plots zichtbaar: de “hysterie” brak in alle hevigheid los. Er ging een schokgolf door het land en er zijn inmiddels al honderden slachtoffers gevallen, burgers en militairen (meer dan 2000, wie zal het zeggen?)

De diepe malaise in Ivoorkust heeft tal van oorzaken. Er was het lange bewind, met een zelden gezien immobilisme van president Félix Houphouët Boigny, één van de spilfiguren van het Franse neokolonialisme in Afrika. De voorbije tien jaar waren gekenmerkt door hevige spanningen. Drie jaar lang hing er een putsch in de lucht. Daaruit ontstond het etnisch-nationalistisch vergif van de “ivoirité, dat diepe wonden heeft geslagen. Er waren de nu eens subtiele, dan weer brutale en absurde spelletjes van de politieke leiders. Onderofficieren vormden kliekjes. De presidenten van de buurlanden en de “Françafricains” (de Franse neokoloniale kringen) begonnen zich te moeien. Er was de invloed van de maffia, die gegroeid was uit de burgeroorlog in het buurland Liberia.

Inmiddels is het land diep verdeeld. Genezing zal alleen mogelijk zijn via politieke onderhandelingen over burgerrechten, de grondwet, kortom over het “samenleven”. Tenzij de Ivorianen opteren voor een definitieve scheiding. De prijs die zal moeten worden betaald als de passies hogerop laaien en de rede het pleit verliest, zal bijzonder hoog zijn. Het zal een ontzettende menselijke prijs zijn. Want als men de identiteit van een deel van de bevolking van een land begint te negeren, als men het terrein overlaat aan de media en hun haatcampagnes, als men jonge militieleden op de barricaden stuurt, weet niemand tot waar de waanzin zal leiden. Sinds Rwanda weten we hoe het aanzetten tot haat en identitaire angst een echte atoombom kan worden, een massavernietigingswapen. In Ivoorkust komt daar vandaag ook nog eens het religieuze element bovenop. Om de escalatie te vermijden moest er eerst een staakt-het-vuren komen. Men kan het vaak oneens zijn met de Senegalese president, Abdoulaye Wade, maar hij heeft tenminste de verdienste dat hij er voorlopig in geslaagd is het ergste te voorkomen.

Parijs gaat niet vrijuit in deze zaak. De omverwerping van het regime, die sommigen hadden verhoopt, is mislukt. Het land is nu de facto in twee verdeeld: het noorden en het zuiden. De lijf-aan-lijf-gevechten tussen gemengde bevolkingsgroepen, die tegen elkaar worden opgehitst, kunnen zeer snel weer oplaaien. De orders die het Franse leger in deze omstandigheden heeft gekregen zijn correct: beletten, dat de rebellen met hun militair overwicht naar het zuiden trekken; het loyalistische kamp verhinderen om het noorden te heroveren. In beide gevallen komt het gegarandeerd tot pogroms en bloedbaden. De aanwezigheid van een eerste troepenmacht is voor Frankrijk een valstrik. Het klopt dat de Franse parachutisten Ivoorkust nooit hebben verlaten. Hun aanwezigheid was niet langer te rechtvaardigen. De extremisten van de “ivoirité” wisten dat en zijn met hun provocaties begonnen. Sommigen zullen zich herinneren hoe de moord op tien Belgische soldaten in Rwanda heeft geleid tot de terugtrekking van het gros van de buitenlandse troepen, waardoor de aanhangers van de “Endlösung” vrij spel kregen. Het Franse leger moet zich haasten om zich zo snel mogelijk te laten vervangen door een regionale troepenmacht, die over meer legitimiteit beschikt. Met ex-Joegoslavië in het achterhoofd en om de strategie van de etnische zuivering geen kans te geven, zal deze troepenmacht vele malen sterker moeten zijn, dan wat westelijk Afrika op dit ogenblik kan inzetten. De enige oplossing bestaat er vandaag in deze strategie een halt toe te roepen. Anders stevent Ivoorkust regelrecht af naar een toekomst, die zich ergens tussen Rwanda, de twee Congo’s en Liberia zal bevinden. Zijn er voldoende wijzen in Ivoorkust om dit scenario te vermijden en begrip opbrengen voor het onrecht dat de anderen vandaag wordt aangedaan? En wil men deze wijzen voldoende tijd en ruimte geven?

Lokale dimensie

Men mag de lokale dimensie van de Ivoriaanse rebellie niet onderschatten. Houphouët-Boigny heeft nooit veel van zijn leger gehouden. Hij had immers de Franse troepen. Mettertijd hebben de Fransen in het land een elitecommando opgeleid: de Firpac. De onderofficieren van dit elitekorps hebben door de jaren heen hun sporen verdiend, meer bepaald tijdens hun Interafrikaanse missie in de Centraal-Afrikaanse republiek. Zij werden gepolitiseerd en begonnen zich in min of meer geheime kringen te organiseren. Later riepen zij zich zelf uit tot de spil van het verzet tegen de Ivoriaanse kwaal : een gedeclasseerd leger, de discriminatie van de noorderlingen, enz… Zij speelden een zeer belangrijke rol bij de staatsgreep van 1999 tegen Henri Konan Bédié, de opvolger van Houphouët-Boigny, waarmee ze generaal Gueï, een man met nauwe banden met de Françafricains, aan de macht brachten. Gueï “verraadde” deze mannen later, nadat hij ze eerst met alle lof had overladen. Deze onderofficieren begaven zich dan maar op het “Latijns-Amerikaanse” pad met hun pogingen tot staatsgreep en repressie. Folteringen en ballingschap werden hun deel. Maar tegelijk installeerden ze Gbagbo tegen Gueï, die van plan was de presidentsverkiezingen uit te stellen. Kortom Ivoorkust maakte een complexe geschiedenis door, waarbij met de democratie een loopje wordt genomen. En dan komt de rebellie van 19 september.

De rol van Parijs

De kern van de rebellenbeweging heeft zich in het buurland Burkina Faso gevormd. De rebellen bouwen er een sterk logistiek apparaat uit en krijgen behoorlijk wat geld. “La Françafrique” voelt zich thuis in Ouagadougou (de Burkinabese president Blaise Compaoré is een soort kruising van de neokoloniale netwerken van Foccart en Pasqua) en troont voortaan ook in het Elysée. Men kan maar moeilijk aannemen dat men in het Franse presidentiële paleis niet wist wat er bekokstoofd werd in westelijk Afrika. Trouwens de rechterzijde in Parijs heeft nog andere Ivoriaanse vrienden dan Laurent Gbagbo, waarvan gezegd werd dat hij niet “coöperatief” genoeg was ten opzichte van de Franse belangen (bijvoorbeeld die van de groep Bouygues, die in Ivoorkust actief is op de watermarkt, in de elektriciteitssector en de grote openbare werken).

Waarschijnlijk heeft Parijs laten begaan en stond in ieder geval gunstig tegenover het perspectief van een machtswissel in Abidjan. Dat is ons alvast bevestigd door twee bronnen. Een eerste bron was een vertrouweling van Chirac. De tweede bron was een medestander van de rebellen. Deze keuze van de “Françafricains” opende de doos van pandora, tegen een licht ontvlambare achtergrond. Er werden zinloze risico’s genomen. De legitimiteit van Laurent Gbagbo kan hoe dan ook in twijfel getrokken worden (zeker na de manœuvres bij de presidentsverkiezingen in 2000, waarbij bijna twee derde van het kiezerskorps buiten spel werd gezet). Maar niet op deze manier.

Een en ander verliep anders dan verwacht. Sommigen in Parijs mogen dan de hoop hebben gehad de situatie te kunnen uitbuiten, vandaag vragen de meesten zich af hoe de implosie of de explosie nog kan vermeden worden. Een burgeroorlog zou al snel een regionale dimensie krijgen en geënt worden op de oorlogsnetwerken in de buurlanden (Guinée, Sierra Leone en Liberia), terwijl de noorderburen de verdediging zullen opnemen van hun talloze landgenoten in Ivoorkust. Westelijk Afrika en Ivoorkust kunnen zo’n scenario echt wel missen. De absolute prioriteit op dit ogenblik is het indijken van de ijver waarmee sommigen een broedermoord voorbereiden. Alleen politieke wijsheid kan het land van de afgrond redden. In deze fase is het Franse leger een buffer. En dat is nuttig. Men heeft de Franse militairen genoeg verweten dat zij Kigali destijds bij het begin van de genocide hebben verlaten, nadat ze de traditionele evacuatie van buitenlanders hadden afgerond.

In Abidjan weerklinkt vandaag het verwijt dat de Fransen te weinig de verantwoordelijkheid van de aanvallers aanklagen en van hun medeplichtigen (ondermeer het Burkina Faso van Blaise Compaoré, een specialist inzake destabilisatie). Wij staken in geen geval onze strijd tegen “la Françafrique”, dat eens te meer zijn onverantwoorde vraatzucht heeft getoond. Op dit moment bestaat de belangrijkste urgentie er niet in de staatsgreep (of staatsgrepen) te ontmaskeren, het komt er nu op de eerste plaats op aan de weg van het minste kwaad te vinden en te volgen.

Nationaal socialisme

Laurent Gbagbo en zijn partij, het FPI (Front populaire ivoirien) surfen al tien jaar op de “ivoirité”, een etnisch nationalisme, dat elke burger, die een naam uit het noorden draagt verdacht vindt. De gendarmes van het regime verscheuren systematisch de identiteitskaarten van de “Ousmanes” of de “Seydous”, die per definitie tot het foute kamp behoren. Op die manier wordt 40% van de bevolking uitgesloten en fabriceert het regime opstandelingen. De steun van de Franse socialisten aan zo’n beweging is ronduit schandalig. Het roept herinneringen op aan de medeplichtigheid van de Christen-Democratische Internationale met het etnische regime van de Rwandese generaal Habyarimana. Om kameraad Gbagbo te steunen heeft de Franse PS in een groot hotel in Abidjan een vergadering belegd van de Afrika-afdeling van de Socialistische Internationale. Guy Labertit en voormalig PS-minister Charles Josselin hebben er de “Ivoriaanse socialisten” verzekerd van de “solidariteit” van de “Franse socialisten”. Zoiets is koren op de propagandamolen van de pro-FPI media. Deze bewuste Afrika-afdeling wordt geleid door Ousmane Tanor Dieng, een man die altijd in de schaduw heeft gewerkt van de voormalige Senegalese president, Abdou Diouf. Hij wakkerde in eigen land de “kastenoorlog” aan. Hij voelt zich eerder verwant met de gaullist Foccart(1) dan met de socialist Jaurès. En ook bij de Afrika-specialisten van de Franse PS blijkt er een fataliteit te bestaan: men ruilt er erg makkelijk de erfenis van Jaurès in voor die van Foccart.

Binnen de seculiere PS bestaat er nog een andere paradox: het echtpaar Gbagbo staat sterk onder de invloed van neo-evangelistische profeten, die nauwe banden onderhouden met de ultra-conservatieve rechterzijde in de VSA. Het regime in Abidjan kreeg ook de vlammende steun van de academicus Jean-Richard Sulzer. Op 16 oktober schreef hij in een vrije tribune in de krant France-Soir: “Als Frankrijk zijn plicht tot inmenging niet vervult, komt er een islamitische republiek in Abidjan, die de “goddeloze christenen” zal uitmoorden”. Sulzer had zich op 21 april, op de avond van de eerste ronde van de presidentsverkiezingen, op de televisieschermen vertoond aan de zijde van Jean-Marie Le Pen. In de lente van 2002 konden bezoekers van het Ivoriaanse presidentiële paleis er Honoré Ngabanda ontmoeten, de veiligheidsadviseur van wijlen Mobutu. Of Marcel Ceccaldi, de juridische adviseur van Jean-Marie Le Pen, die er een gedecentraliseerde samenwerkingsoperatie voorbereidde. Of Samuel Maréchal, de schoonzoon van Le Pen, die er voor de president een website aan het installeren was.

De pyromanen stoppen

Sinds de rebellie van 19 september lopen de passies hoog op. Het staakt-het-vuren dat dank zij de Senegalese president Wade en de Regionale West-Afrikaanse Organisatie (CEDEAO) tot stand is gekomen blijft erg fragiel. De West-Afrikaanse troepenmacht zal voldoende sterk moeten zijn om de pyromanen van het etnisch geweld in bedwang te houden. President Laurent Gbagbo beroept zich op een democratische legitimiteit. Die legitimiteit zal in rook opgaan als de pyromanen hun gang mogen gaan in het zuiden van het land en daarbij het groen of oranje licht krijgen van de president. Ofwel is het presidentieel gezag wettelijk en dan veroordeelt het zonder omwegen de aanstokers van de misdaden tegen de mensheid. Ofwel heeft Laurent Gbagbo geen reële macht meer en moet hij daar zijn conclusies uit trekken. Ofwel heeft hij de touwtjes in handen van het etnisch geweld van de media en de paramilitairen en verliest hij elke legitimiteit ten opzichte van het internationaal recht. Hopelijk vindt Laurent Gbagbo zich in de eerste optie terug. De landen en de instellingen die belang hechten aan de coëxistentie tussen de verschillende bevolkingsgroepen in Ivoorkust moeten hem hiervan met klem overtuigen. De Ivoriaanse president moet de extremistische kranten verbieden, een einde stellen aan de praktijk om “de vijanden van het vaderland” openbaar in de staatsmedia aan te klagen en de officieren vervolgen, die verantwoordelijk zijn voor de activiteiten van de “doodseskaders”. Ook de rebellen moeten eraan herinnerd worden dat ze de Conventies van Genève moeten eerbiedigen. Dat veronderstelt energieke stappen tegen de daders van standrechtelijke executies. Eén vaststelling dringt zich niettemin op: het racistische discours in Ivoorkust is totaal aan het ontsporen en daarvoor is in eerste instantie het “wettelijk gezag” verantwoordelijk.

(Uitpers, nr. 37, 4de jg., januari 2003)

* François-Xavier Verschave is voorzitter van de Franse niet-gouvernementele organisatie “Survie”, die de Franse neo-koloniale politiek in Afrika met argusogen opvolgt.

Verschave is de auteur van twee opmerkelijke werken over het Afrika-beleid van Parijs.

“La Françafrique. Le plus long scandale de la République”, Stock, Parijs, 1998, 378 bladzijden, 19,50 euro.

“Noir Silence. Qui arrêtera la Françafrique?”, Editions Les Arènes, Parijs, 2000, 598 bladzijden, 21,75 euro.

(1) Jacques Foccart was Afrika-specialist en adviseur van de Franse president De Gaulle. Hij heeft decennialang – ook onder de socialistische president Mitterrand – het neokolonialistische Afrika-beleid van Parijs gedomineerd.

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 65 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook