Creoliseringsdynamieken in de culturele eeuw

Rik Pinxten en Koen de Munter. De culturele eeuw. Houtekiet, Antwerpen/Amsterdam, 2006, 237 blz., ISBN 90-5240-887-4

In de voorbije tien jaar zorgde Rik Pinxten met de regelmaat van een klok voor relevante publicaties in de sfeer van de culturele antropologie waarvoor je als lezer aandachtig achterover moet gaan zitten met een potlood achter je oor.

“Culturen sterven langzaam” (1994), handelt over interculturele communicatie, intussen een modewoord geworden. De verzamelbundel “Cultuur en macht” (1998) gaat over identiteit en conflict in een multiculturele wereld. In het door hem geredigeerde Noord-Zuid Cahier “Culturen als buren” (1998) bespreekt hij het werk van de Amerikaanse sociale wetenschapper en oud-onderminister van Buitenlandse zaken Samuel Huntington en zijn theorie over de botsing tussen beschavingen. “Goddelijke fantasie (2000) gaat over religie, leren en identiteit en in “De artistieke samenleving” (2003) komt de invloed van de kunst op de democratie aan de orde. Door de actuele thema’s van deze boeken en zijn vele lezingen daarover treedt Pinxten uit de eerder gesloten kringen van het universitaire milieu en levert hij een belangrijke bijdrage aan het maatschappelijk debat in Vlaanderen over het moeizame samenleven met vertegenwoordigers van verschillende culturen.

Deze wetenschappelijke bezige bij moet ongetwijfeld in een inspirerende omgeving werken – Pinxten is (o.m.) voorzitter van de Gentse universitaire vakgroep voor vergelijkende cultuurwetenschappen – want enkele van de hierboven vermelde werken zijn het resultaat van antropologisch teamwork Ook in “De culturele eeuw” houden twee auteurs het pennetje vast. Naast Rik Pinxten tekent ook Koen De Munter, die al een bijdrage leverde aan “Cultuur en macht”, mee voor deze publicatie. De Munter geeft cursussen over postkolonialiteit en culturele antropologie en bestudeert de traditionele indianenculturen in de hoge Andes. Hij schreef onder de titel “Mestizajes” over het literaire werk van de Peruaanse auteur en antropoloog José María Arguedas en bestudeert al jaren de dynamiek van de stadsindianen van Aymara origine in El Alto, de snel groeiende bovenstad van het Boliviaanse La Paz. “De culturele eeuw” is het resultaat van een vruchtbare samenwerking tussen Pinxten en de Munter. Achter de wij-vorm waarin het boek geschreven is, gaan immers twee cultureel-antropologen schuil die behoorlijk wat veldwerk hebben gedaan op het Amerikaanse continent: Pinxten bij de Navajo indianen in het noorden en De Munter bij de Aymara en Quechua in de zuidelijke Andes.

Anders dan in vorige werken van Pinxten waarin veel rechtstreekser wordt ingepikt op het maatschappelijk debat – zeker in “De artistieke samenleving” – is dit nieuwe werk in de eerste plaats een basisboek culturele antropologie waarin de auteurs zich positioneren binnen hun vakgebied. In plaats van de tien hoofdstukken van “De culturele eeuw” systematisch en chronologisch te bespreken probeer ik in wat volgt de hoofdaccenten – zij spreken liever over ‘culturele intuïties’ of basisintuïties om orde te scheppen in het onderzoeksmateriaal – te schetsen in hun benadering van de culturele antropologie.

Een procesmatige visie

De auteurs zetten zich af tegen een kennisopvatting van de sociale wetenschappers van vorige eeuw (waaronder antropologen) die poneerden dat in onze culturele traditie enkele het onveranderlijke moest bestudeerd worden om de realiteit te kennen. In die positivistische opvatting over wetenschap, zo stellen zij, zocht men enkel naar invariabelen en dus naar structuur en men veronachtzaamde daarbij het procesmatige en veranderlijke omdat men het als wetenschappelijk niet-bestudeerbaar beschouwde. Voor Pinxten en De Munter moeten culturele fenomenen niet bekeken worden als onveranderlijke gegevens die op zichzelf staan, maar als leerprocessen. In die visie poogt men ook het proces als belangrijk kenmerk van de realiteit te erkennen en wetenschappelijk te beschrijven. Om een snel of traag procesmatig gebeuren met een tijdelijke structuur visueel te verduidelijken spreken zij over het chiasmamodel. Zij gebruiken de voortdurende bewegingen van een vlinder als stijlfiguur om aan te geven dat men ook in een continue reeks van bewegingen een structuur kan waarnemen. Zoals zij ook in “Cultuur en macht” betogen is identiteit geen statisch, essentialistisch gegeven. Op p. 28 illustreren zij met twee mooie voorbeelden (één over de Navajo medicijnman Frank Mitchell en één over de levensloop van M.K., een Turkse vrouw die op haar tien naar België kwam) dat identiteiten verschuiven en ook veranderen in de tijd.

Het individu als lerende persoon

Om nuanceringen en verschuivingen te kunnen onderscheiden pleiten zij ervoor om het niet te hebben over algemene en daardoor onbruikbare begrippen als ‘culturen’ (‘dé Vlaamse cultuur’,enz.) maar eerder over individuen, groepen en samenlevingen die o.a. zichzelf identificeren aan de hand van bepaalde culturele kenmerken. Ook het begrip ‘burger’ is voor hen geen vanzelfsprekend of natuurlijk begrip. Door het ontwerpen van universele mensenrechten kreeg het individu burgerrechten die zouden gelden voor alle mensen. Het begrip ‘individu’ is echter niet universeel, waarschuwen de antropologen met een verwijzing naar het belang van de clan (belangrijker dan het individu) bij de Navajo’s, en dus kunnen we niet zeggen dat mensenrechten universeel zijn, hoogstens dat men zal tráchten ze universeel te gebruiken. “Het vergt misschien de particuliere blik van de antropoloog, die de eigen samenleving wat meer bekijkt als een ‘vreemde’ culturele gegevenheid om dit inzicht te kunnen formuleren, “merken de twee auteurs fijntjes op. (p. 34). Ook in een westerse context hanteert men het begrip ‘burger’ al te vaak in een statische betekenis. Het individu krijgt van bij zijn geboorte een aantal rechten als burger mee, maar hij is uiteraard niet in staat om als burger te ageren in de maatschappij, want dat vergt een lang en moeizaam leerproces, dat bovendien nooit voltooid is. En dan volgt hun kritiek: “De participatieve burger is het nieuwe ideaalbeeld, maar met politieke vorming werd een paar decennia geleden gestopt. Dat betekent dat de burger verondersteld wordt om doorheen een moeizaam en feilbaar proces van leren te zijn, en niet te worden.” (p. 34) Pinxten en De Munter pleiten daarom voor een inburgeringsproces voor iedereen om de waarden en vooral de gedragsvormen en institutionele verankeringen (vrijheid, gelijkheid en solidariteit) dia als basisprincipes zouden moeten gehanteerd worden, eigen te kunnen maken.

 

Creoliseringsdynamieken

De auteurs beschouwen de wereld als een geheel van mengculturen. Creolisering of hybridisering (métissage, mestizaje) zijn dan ook de kernbegrippen in het boek. Zij constateren een snel toenemende vermenging van culturele en religieuze identiteiten, ook eigenheden qua leefstijlen en smaken, die leiden tot continue hybridiseringen of veranderingen en aanpassingen in alle richtingen. Het is vanuit die optiek dat ze grote politiek-culturele veranderingen bekijken in deze wereld die evolueert van een sterk economisch gecentreerde naar een cultureel getekende levensopvatting. In zo’n overgangperiode worden fundamentalistische theorieën gemakkelijk populair omdat ze de schijn ophouden dat vroegere waarden en leefvormen redding zullen brengen. Pinxten en De Munter nemen afstand van dat cultureel fundamentalisme (onveranderlijke cultuur, eigenheid van de gemeenschap) dat bij extreem-rechtse, politieke bewegingen in de plaats van het oude racisme komt.

Zij sluiten zich aan bij de Zweedse antropoloog Ulf Hannerz die drie types van theorieën onderscheidt in de huidige culturele globaliseringsbeweging: de cocalorisering of Macdonaldisering van de wereld (Fukuyama: alle culturen gaan op in één (westerse) wereldcultuur), de theorie van de botsende, in zichzelf plooiende beschavingen à la Huntington en ten slotte wat Hannerz de transformationalistische visie noemt. De stelling van deze theorieën van ‘de derde weg’ is “dat culturele identiteit voortdurend verandert, en vermoedelijk de laatste tijd meer in de richting van wereldwijd gebruikte technologie en zelfs lifestyle, maar dat die veranderingen in feite overwegend (of misschien altijd) aanpassingen zijn van de oude culturele antwoorden aan nieuwe eisen en smaken.” (p. 81) De auteurs verzetten zich zowel tegen de monoculturele als tegen de multiculturele tendensen die ze in de huidige maatschappij onderscheiden. Volgens hen gebruiken vertegenwoordigers daarvan dezelfde kromme redenering: “Men vertrekt van een essentialisme en stelt dat cultuur x onveranderlijk en noodzakelijk deze en gene kenmerken heeft.” (p. 88) De monoculturalist redeneert vanaf één groot cultureel eiland, terwijl de multiculturalist de samenleving als een verzameling onafhankelijke eilandjes van cultuur ziet.

In hoofdstuk zes (‘Postkolonialiteit en inheemse voortgang’) geven Pinxten en de Munter een aantal voorbeelden uit de Andeslanden Peru en Bolivia om te illustreren dat via het beschrijven van creoliseringsdynamieken de veranderende multiculturele identiteit van de Zuid-Amerikaanse inheemse bevolking kan worden begrepen. De auteurs verwijzen uitdrukkelijk naar de métissage-dynamieken die via de kolonisatie op gang werd gebracht en die o.m. beschreven worden in het werk van de Peruaanse schrijver en antropoloog José María Arguedas ( 1911-1969), verder ook naar het baanbrekend werk van de Boliviaanse sociale wetenschapper van Aymara origine Silvia Rivera Cusicanqui en naar het optreden van de nieuwe Boliviaanse president, de Aymara en cocalero Evo Morales, die een ‘herstichting van het land – maar deze keer met de inheemse bevolking – voorstaat. Zij beschrijven de culturele vermenging of creolisering zoals ze zich voordoet in La Paz en El Alto waar de nieuwe stads-Aymara aan het opgroeien is, die op zijn beurt ook invloed uitoefent op het culturele leven van de stedelijke mestiezen en criollos. Zo verwijzen ze bijvoorbeeld naar de Alasita-viering waar Ekeko, de traditionele Aymara-god van de overvloed, gevierd wordt door alle Bolivianen.

Border thinking en liminale praxis

Bij creolisering gaat het om een ontmoeting tussen allerlei soorten grenzen waarvan de culturele zeker niet de onbelangrijkste zijn. Dat noemen Pinxten en De Munter de liminale praxis. Dit begrip verwijst naar die culturele handelingen waarbij intens over zogenaamde drempels (‘limen’ in het Latijn) heen geleefd en nagedacht wordt en waarbij van beide werelden constructieve pistes van kritiek en combinatie worden verkend. Dat noemen zij ook border thinking en zij verwijzen met veel instemming naar de Chicana schrijfster Gloria Anzaldúa die in haar roman Borderlands/ La Frontera drempeloverschrijdende talen en genrevormen met elkaar vermengt. Zij verwijzen graag naar ‘de kunstenaar’ als de borderliner bij uitstek die door zijn opereren in de marge van de maatschappij een liminale positie inneemt. Dat lijkt mij een zeer vruchtbare benadering. De in between positie die kan leiden tot de typische gespletenheid van de migrant die tussen verschillende culturen balanceert, kan ook creatieve en vernieuwende krachten losmaken waardoor nieuwe mengvormen kunnen ontstaan. De Nederlandse literatuuronderzoeker Michiel van Kempen spreekt over ‘literaire tussenfiguren’ die zich zelden verbinden aan naties, etnische groepen of collectieven. “De schrijvende tussenfiguur is bij uitstek iemand die als bedreigend wordt ervaren niet alleen door conservatieve krachten, maar door elke collectiviteit die zichzelf helder en eenduidig gedefinieerd wil vinden. Tussenfiguren zijn bij uitstek representanten van breuklijnen in de geschiedenis.” (1) Salman Rushdie, Hanif Kureishi, maar ook V.S.Naipaul, Anil Ramdas, Astrid Roemer, Frank Martinus Arion, Albert Helman, Hafid Bouassa, Tahar Ben Jelloun, Nasim Khaksar, Edward Saïd, Michael Ignatieff, Amin Malouf, Ben Okri en zovele anderen aankomende auteurs zijn daarvan een goed voorbeeld. Mijn boekenrekken raken alsmaar meert gevuld met – zoals van Kempen ze noemt – ‘nestbevuilers, vervellers, kameleons die hangen tussen een definitief verlaten verleden en een slecht omlijnde toekomst’.

Pinxten en de Munter beschouwen ook het begrip ‘reciprociteit’ (dat zij in uitgebreide zin als de centrale dynamiek van intermenselijke verhoudingen beschouwen) als een interessante vorm van liminale of borderpraxis. Ze verwijzen hiervoor naar het Aymara begrip ayni (wederzijdse hulp) dat voor de comunidades in de hoge Altiplano van het allergrootste belang is, maar dat door de stadsvlucht onder druk komt te staan.

 

Nog van dat

Ondanks het complexe karakter en de niet ongevaarlijke tendensen naar fundamentalisme in de huidige wereld zijn de auteurs niet pessimistisch. “Als antropologen zijn wij sterk onder de indruk van de menselijke verbeeldingskracht en van de overlevingskracht die schuilt in de menselijke inventiviteit,” zeggen zij in een mooi besluit waarin zij andermaal de creativiteit van de kunstenaar opvoeren. (p.222) “Met de tijd en met wederzijdse gedeelde beleving kan de creativiteit het winnen van het grote gelijk dat naar de wapens grijpt. Naïviteit zou hier misdadig zijn, maar hoop lijkt toch gerechtvaardigd.” (p. 226).

Pinxten en de Munter profileren zich in dit boek in de eerste plaats als cultureel-antropologen. Het maakt “De culturele eeuw” tot een inspirerend basisboek in die vakdiscipline. Met de zogenaamde entiteitsregel brengen zij naar mijn gevoel een zeer belangrijke nuancering aan in de klassieke en vaak steriele tegenstelling relativisme-universalisme. Ze verwijzen naar de studie van planten- en dierenclassificaties en menen daarin een trend te onderscheiden. Planten en dieren, die direct belangrijk zijn voor overleving, omdat ze eetbaar, domesticeerbaar of gevaarlijk zijn voor de mens, worden wereldwijd gelijkaardig bekeken en gecategoriseerd naar vormkenmerken, eetbaarheid, giftigheid, enzovoort. Naargelang fenomenen minder overlevingswaarden hebben, worden volgens hen de verschillen in classificatie of begripsvorming tussen gemeenschappen groter. Goden, geesten, enzovoort worden op zeer uiteenlopende wijzen voorgesteld en gedacht in de hele wereld. De culturele specificiteit lijkt hier meer te spelen dan voor fenomenen die direct en bindend belangrijk zijn voor de menselijke overleving. Dus naargelang een fenomeen zich meer als onontwijkbaar ding opdringt aan de mens – of een hoge ‘entiteitswaarde’ heeft – vinden Pinxten en de Munter meer universaliteit in de denkcategorieën. Naargelang het ‘ding’-gehalte kleiner is, zien ze eerder grotere relativiteit of particulariteit.

Volgens Ulf Hannertz zal vooral de cultureel-antropoloog de creoliseringsdynamieken in de culturele eeuw opmerken. Dit in tegenstelling tot de politicoloog die vooral oog heeft voor de grote, wereldwijde verschuivingen. Daarin zitten de sterkte en de verdienste van Pinxten en De Munter. In “De culturele eeuw” vertellen zij geen nieuwe en ophefmakende dingen – in eerdere publicaties kwamen de meeste thema’s al aan bod – maar zij slagen er wel in om hun denken rond creoliseringsprocessen op een systematische en goed onderbouwde manier te ontwikkelen. Naast de tekst verschijnen er vaak zeer informatieve kaderstukjes met meestal antropologische excursies die, samen met de foto’s, een uitdieping en/of illustratie van hun gedachtegang zijn. (2)

Deze overwegend cultureel-antropologische invalshoek – het boek is hoofdstuksgewijs zo opgebouwd dat het kan worden gelezen als een basisboek in dat vakgebied – maakt dat de maatschappelijke relevantie van het geheel, zowel we dat intussen gewend waren bij Pinxten-boeken, minder prominent aanwezig is. De auteurs vertrekken ook niet uitdrukkelijk van een maatschappelijke probleemformulering. Hoofdstuk één is een kritische bevraging van ontwikkelingen in hun vakgebied en van hun eigen positionering daarin. Alleen in hoofdstuk tien, zo schrijven de auteurs zelf, zit meer visie en maken ze zich wat minder zorgen over de wetenschappelijke onderbouwing. Wat mij betreft hadden ze zich daarover geen zorgen hoeven te maken, dan had de directe maatschappelijke relevantie misschien ook groter kunnen zijn. Nu beperken ze zich tot het aanreiken van algemene principes. De enkele voorstellen die ze doen (inburgering voor iedereen bijvoorbeeld) blijven ruim vaag. Anticiperend op die bemerking schrijven zij: “We kunnen geen blauwdruk aanbieden, maar enkel een zoektraject voorstellen.” (p. 217) Ik hoop dat dit zoekproject in een volgende publicatie – en misschien in samenwerking met andere denkers – meer direct bruikbare maatschappelijke inhoud kan worden gegeven. Nog van dat, maar liefst méér.

(Uitpers, nr. 82, 8ste jg., januari 2007)

Noten:

(1) Michiel van Kempen en Elisabeth Leijnse, Tussenfiguren, schrijvers tussen de culturen, Het Spinhuis, Amsterdam, 1998, p. 319

(2) Jammer voor de uitschuiver op p. 105: de Vrede van Westfalen dateert niet van 1646, maar van 1648

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=429529&refsource=uitp

Over Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).