Congo draait bij over oorlog in oostelijke provincies

Afrika manifesteert een hervonden zelfbewustzijn in een multipolaire wereld. Het Westen ziet dat met lede ogen gebeuren; als het enigszins kan, houdt het de Afrikaanse leiders kort. In Congo, één van de zwakste Afrikaanse staten, drukken de EU en de VS tezamen hun stempel op de oorlogssituatie in het Oosten van het land. Ze ontkennen in de praktijk dat daar een grensoverschrijdend conflict bezig is. Zo raakt er fundamenteel niets opgelost.

Er waait een nieuwe wind door Afrika. Het continent maakt eigenwijze keuzes, en het zet het Westen op zijn plaats. Neem Abdoulaye Wade, president van Senegal, die vindt dat de Europese Unie en de VS consequent moeten zijn. Als ze de vrije markt propageren, moeten ze volgens Wade ook de opgang van China in Afrika accepteren want “China is doing a better job than Western capitalists of responding to market demands in Africa. (…) Voor de prijs van één Europese auto, kan een Senegalees immers twee Chinese auto’s kopen” (1). Of neem de Groep van 24 (met 9 Afrikaanse landen, waaronder Nigeria en Zuid-Afrika) die in april 2008 het IMF opriepen om de “gevorderde economieën onder toezicht te plaatsen” vanwege hun financiële crisis (2).

Of neem de Congolese president Jozef Kabila die België aanraadt te beslissen welke relaties het met Congo wil onderhouden: goede relaties met een soevereine en onafhankelijke staat of meester-slaaf-relaties (3). Toen begin 2007 in Congo de tandem Kabila-Gizenga aantrad, vatte hij de koe kordaat en direct bij de horens. Iets te direct volgens de Westerse appreciatie. De tandem pakte drie moeilijke dossiers aan en raakt willens nillens aan Westerse belangen: dat is het geval met de herziening van de mijncontracten, de grondstoffen-voor-infrastructuur-ruil met China en het legeroffensief tegen de rebellerende generaal Nkunda.

Het Westen, de Europese Unie en de Verenigde Staten, incorporeren de signalen van de hervonden Afrikaanse soevereiniteit niet in hun beleid. Anders zouden ze zichzelf in de geglobaliseerde economie buitenspel zetten. Van de weeromstuit trachten ze de lokale politiek in Afrika in te perken en te doen overeenkomen met de Westerse opvattingen en belangen. Klinkt het niet dan botst het.

In april 2008 ging de Belgische minister van Buitenlandse Zaken Karel De Gucht de Congolese president Kabila persoonlijk de les lezen over wat in de ogen van Brussel een mager palmares is na één jaar regeren en over de corruptie in Congo. Via een aantal gewillige media en publieke uitspraken werd een resem verdachtmakingen tegen Kabila geventileerd, die bij de publieke opinie makkelijk bleven hangen. De Belgische demarche leidde tot een diepe crisis in de relaties met Congo. De Gucht kreeg wel rugdekking van de Belgische regering maar in eerste instantie niet van andere Westerse landen. Frankrijk is de crisis zelfs aan het aangrijpen om zijn positie in Congo opnieuw te versterken. Tijdens de Raad Externe Relaties van 16 en 17 juni in Luxemburg trok de EU uitgebreid conclusies met betrekking tot de regio van de Grote Meren. De Raad zei onder meer dat de Congolese regering moet optreden tegen zij die de rechten van de mens en de internationale wetten schenden.

De VS hielden zich discreet op de achtergrond. Maar volgens de gewezen KULeuven-professor Louis Baeck keurt Washington het activisme van De Gucht goed. “Je kan er donder op zeggen dat de Amerikanen zich in de handen wrijven als minister van Buitenlandse Zaken Karel De Gucht moraalridder gaat spelen in Congo. (…) De Amerikanen zwijgen en laten De Gucht de kastanjes uit het vuur halen, terwijl zij in alle discretie kunnen voortwerken aan het veiligstellen van hun eigen zakelijke belangen’, zo zei Baeck in de krant De Tijd (4).

Nkunda’s schaduwstaat

Inzake de oorlogssituatie in Kivu, op de zwakke Oostelijke flank van Congo, is het Westen het afgelopen jaar wel collectief en gecoördineerd opgetreden. Daar is aan Congo een agenda opgelegd die haaks staat op die van de tandem Kabila-Gizenga. In plaats van de aan Rwanda gelieerde generaal Nkunda te neutraliseren, zoals Kinshasa wilde, wordt nu bovenal de Hutu-militie FDLR geviseerd die tegen het Rwandese regime van president Kagame vecht. Een korte kroniek van die ommezwaai.

In juli 2007 verklaarde Jean-Marie Guéhenno, baas van de VN-vredesoperaties: de rebellerende generaal “Laurent Nkunda vormt de grootste bedreiging voor de stabilisering van Congo”. De instabiliteit in Oost-Congo, aldus Guéhenno, kan de enorme investering van de VN en de internationale gemeenschap in het Centraal-Afrikaanse land in het gedrang brengen (5). Kort tevoren had het Institute voor Security Studies in Pretoria de ambities van Nkunda opgesomd: “The recent behaviour of renegade General Laurent Nkunda suggests that he may be preparing to present himself as the new shadow governor of North Kivu. (…) In short, what we are seeing is the creation of an alternative or a shadow state in North Kivu” (6).

Maar toen Congo de volgende maanden daadwerkelijk begon met de voorbereiding van een militaire operatie tegen Nkunda, veranderde de Westerse opstelling. Allicht diende de informele overleggroep P3+2 (met drie permanente leden van de VN-Veiligheidsraad – Frankrijk, de VS en Groot-Brittannië – en twee tijdelijke leden – België en Zuid-Afrika) als platform om de violen gelijk te stemmen. Gaandeweg werd aan Congo duidelijk gemaakt dat het verkeerd is om eerst met Nkunda af te rekenen, terwijl dat objectief nochtans uit het Congolese beleid sprak.

Begin augustus 2007 lieten de VS blijken dat ze het “status quo” niet meer accepteerden; met “status quo” bedoelden ze dat er op drie fronten geen resultaten werden geboekt: inzake Nkunda, de Hutu-milities van de Forces Démocratiques pour la Libération du Rwanda (FDLR – met daarin residus van de extremistische Interahamwe) en het Lord Resistance Army (LRA – dat vanuit Congo tegen de Oegandese regering vecht). In opdracht van de Amerikaanse vice-minister Jenday Frazer ging Tim Shortley, haar adviseur inzake conflictpreventie, Oost-Congo van dichtbij volgen.

Eind oktober veroordeelde de Vredes- en Veiligheidsraad van de Afrikaanse Unie “de acties van de dissidente generaal Nkunda en zijn mannen van de CNDP”. De AU-raad zei dat hij “zonder reserves” de inspanningen van de Congolese regering en van de VN-troepenmacht MONUC steunde om in heel Congo en in het bijzonder in Zuid- en Noord-Kivu de orde en de rust te herstellen (7). Daarmee drukte de AU een standpunt uit dat in voor het Westen achterhaald was.

Eerst de Rwandese hutus

In november moest Kinshasa bijdraaien. Tijdens de conferentie in Nairobi, mèt Rwanda (en gesponsord door de VN, de EU en de VS) werd het onderscheid gemaakt tussen buitenlandse en Congolese milities. Het eindcommuniqué van 9 november 2007 besloot dat niet Nkunda maar de Rwandese Hutu-milities in Congo de hoofdfactor voor de instabiliteit zijn: “Les ex-FAR/Interahamwe constituent une menace majeure pour la paix et la sécurité du Rwanda, de la RDC et de la région des Grands Lacs“. De “irreguliere Congolese gewapende groepen” daarentegen vormden “ook” een bedreiging voor vrede en veiligheid. “Ex-FAR” was hier een verzamelnaam die, volgens een voetnoot in het communiqué, stond voor “gewapende Rwandese groepen ongeacht de naam die ze dragen (ex-FAR, Interahamwe, ALIR, FDLR, RUD-Unana, Rasta etc)”. Nkunda en zijn CNDP werden in het communiqué nergens bij naam genoemd of geïdentificeerd. Ter uitvoering van het akkoord van Nairobi stelden het Congolese leger en MONUC samen een plan op voor militaire actie tegen de FDLR. Maar, zo werd binnen MONUC gezegd, de FDLR zou ten vroegste vanaf juni 2008 aangevallen kunnen worden.

Het Congolese leger voerde intussen de druk op tegen Nkunda en veroverde een aantal van zijn stellingen in Noord-Kivu. Een deel van Nkunda’s manschappen deserteerde. Maar op 10 december leed het Congolese leger een smadelijke nederlaag. De troepen van Nkunda heroverden het dorp Mushake en maakten aanzienlijke hoeveelheden wapens en munitie buit. De Congolese nederlaag had twee hoofdoorzaken. MONUC, en meer bepaald het Indiase contingent, kwam de belofte om luchtsteun te geven aan de FARDC (Forces Armées de la République Démocratique du Congo, het Congolese leger) niet na. De Indiërs volgden naar verluidt rechtstreekse bevelen uit New Dehli op en weigerden op het beslissende moment troepen in te zetten tegen Nkunda. In het regeringsleger was echter ook verraad gepleegd. Na Mushake werd generaal Amisi teruggeroepen naar Kinshasa. Amisi is een oud-medestander van Nkunda, beiden waren tijdens de Congolese oorlog (1998-2003) officier in de militie van de pro-Rwandese rebellenbeweging RCD. Vooral Amisi werd nu van actief verraad verdacht, maar ook andere, met Nkunda sympathiserende FARDC-officieren zouden hebben bijgedragen tot de feitelijke implosie van twee brigades van het Congolese leger.

Na het debacle van Mushake kwam Congo onder toenemende Westerse druk. Westerse diplomaten stelden dat ze Congo hadden gewaarschuwd dat een militaire operatie tegen Nkunda geen kans maakte op slagen. In de P3+2-contactgroep gingen de VS zover te eisen dat president Kabila de hele top van het Congolese leger (“minister van Defensie Chikez Diemu, stafchef generaal Dieudonne Kayembe, kolonel Delphin Kayimbi en generaal Vainqueur Mayala”) zou ontslaan. President Kabila zag zich gedwongen een conferentie over de instabiliteit in de Kivu-provincies versneld bijeen te roepen. Ze kwam in januari samen in Goma en besloot met een Acte d’Engagement die in meerdere opzichten een nederlaag was voor de Congolese president. Kabila, voorheen graag gezien in Kivu als “artisan de la paix“, verloor bij de bevolking veel krediet.

Het akkoord van Goma bevat een aantal merkwaardige details. In plaats van het regeringsleger zal MONUC de zones bezetten waar de rebellen-milities zouden moeten demobiliseren. MONUC is nochtans slecht gezien bij de lokale bevolking die de VN-macht veel te passief vindt. De “binnenlandse” militie van generaal Nkunda – uitgenodigd in Goma en mede-ondertekenaar van de Acte d’Engagement – kwam weg met haar belofte dat ze nu toch in het regeringsleger zou integreren. Nkunda zelf zou amnestie kunnen krijgen. De Rwandese FDLR – als buitenlandse militie niet uitgenodigd in Goma – werd het doelwit van de komende militaire en politieke operaties.

Nkunda bleef buiten schot, en met hem het FPR-bewind rond president Kagame in Rwanda. Tijdens de maanden na Goma volgden berichten over hoe Nkunda vanuit Rwanda wordt bevoorraad, over grote plantages in de gebieden onder zijn controle en smokkel naar Rwanda. Nog tijdens de conferentie in Goma richtten Nkunda’s troepen een moordpartij aan in een dorp, later volgde nog zo’n “massacre”.

Druk of steun?

Met de conferenties van Nairobi en Goma herhaalde het Westen in feite een dubbele tactiek die het al jaren toepast in Congo. Op moeilijke momenten gebruikt het zijn volle politieke, diplomatieke en militaire gewicht om aan Congo een kader op te leggen dat zogenaamd onderhandeld is maar dat de actiemogelijkheid van de regering afbakent. Daarnaast wordt de instabiliteit in Oost-Congo beperkt tot een conflict binnen de Congoleze grenzen, maar moet Congo in het kader van een “regional approach” de regionale suprematie van Rwanda erkennen. Fundamenteel is er niets opgelost. Het regime van de Rwandese president Kagame, al veertien jaar een hoofdacteur in Oost-Congo, heeft zich op geen enkel ogenblik moeten verantwoorden. Voor de bevolking in Oost-Congo komt duurzame vrede met geen meter dichterbij.

De tandem Kabila-Gizenga weet wat hij wil. Dat heeft hij sinds hij in januari 2007 is aangetreden in een serie belangrijke dossiers duidelijk gemaakt. De voorzitters van de Assemblée Nationale en de Senaat spelen hun rol, onder meer om via hun collega’s in Brussel de crisis tussen Congo en België te milderen. President Kabila weet zich in Europa door andere landen gesteund. Bij het begin van het Franse EU-voorziterschap staat al een rendez-vous met president Sarkozy op de agenda. Congo opereert in een gunstige want multipolaire internationale constellatie, waarin het land niet meer uitsluitend met Westerse desiderata hoeft rekening te houden. Er is, zo luidt nu een populair adagio, in Congo plaats voor iedereen. Maar het land heeft maar één regering, en die werkt in Kinshasa.

(Uitpers, nr 100, 9de jg., juli-augustus 2008)

Voetnoten:

(1) Time for the West to practice what it preaches, in New African, maart 2008.

(2) “… the IMF needs to urgently improve its surveillance of advanced economies, by strengthening its analysis of macro-financial linkages and their spillover effects on other economies. The IMF also needs to extend its vulnerability exercise to advanced

economies in order to provide early warning signals of emerging risks“, Communiqué, Washington, 11 april 2008.

De G24 bestaat uit: Algeria, Cote d’Ivoire, Democratic Republic of Congo, Egypt, Ethiopia, Gabon, Ghana, Nigeria, South Africa, India, Islamic Republic of Iran, Lebanon, Pakistan, Philippines, Sri Lanka, Syrian Arab Republic, Argentina, Brazil, Colombia, Guatemala, Mexico, Peru, Trinidad and Tobago, Venezuela.

(3) la Belgique doit se décider à propos du type de relations qu’elle souhaite entretenir avec la République démocratique du Congo. Soit de bonnes, de très bonnes relations de partenariat adulte avec un Etat souverain et indépendant, soit des relations de maître à esclave…”, art. Le president Kabila replique aux Belges au nom de la souverainete du Congo, Le Soir, 24 april 2008.

(4) De Gucht waterdrager van Washington, De Tijd, 5 juni 2008.

(5) UN Official Urges Political Solution To Mitigate Tensions In East, Institute Security Studies, 24 juli 2007.

(6) Laurent Nkunda, A New “Governor” For North Kivu? ISS, 9 juli 2007.

(7) Communiqué, Conseil de Paix et de Sécurité, Union Africaine, 97ème réunion, Addis Abeba, 25 oktober 2007.

Print Friendly, PDF & Email

Visited 182 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook