Chinese boeren verwend – met woorden

“De bevolking moet in haar geheel de vruchten plukken van de hervormingen en van de groei”, verklaarde de Chinese premier Wen Jiabao op 5 maart bij de opening van het ‘Nationaal Volkscongres’ in Peking. Daarmee zette hij de toon van de jaarlijkse zitting: de bevolking in haar geheel betekent concreet dat er extra inspanningen moeten komen om het platteland, en dan vooral de boeren, meer welvaart te brengen. Dat is niet ingegeven door maoïstische nostalgie, maar door de vrees voor de economische, sociale en politieke gevolgen van groeiende sociale misnoegdheid.

De regering gaat dit jaar meer dan 35 miljard euro uittrekken om het lot van de boeren te verbeteren. Vooral dan van die boeren die boer ‘in hoofdberoep’ zijn gebleven en die alleen van de landbouw moeten leven. Op dat vlak heerst nogal wat verwarring over boer en platteland. Toen ik in 1997 de provincie Henan doorkruiste, verbaasde het me om in dit vruchtbare ‘hartland van de Chinese landbouw’, aan de Gele Rivier, op het platteland zoveel kleine industrie aan te treffen. Toen al berekenden sommige Chinese sociologen dat het aantal boeren ‘in hoofdberoep’ en hun gezinsleden rond de 250 miljoen moet liggen, terwijl nogal gemakkelijk het cijfer van 750 miljoen wordt naar voor geschoven, zijnde de plattelandsbevolking.

Hoe dan ook, volgens de eigen officiële cijfers ligt het gemiddeld inkomen op het platteland beduidend lager dan in de steden. In dat gemiddelde ligt het boereninkomen dan nog gemiddeld lager, zodat er wel zeer opvallende inkomensverschillen zijn. Dat is al langer zo, maar de kloof wordt groter, met alle gevolgen vandien: sociale spanningen op het platteland en een belemmering voor de onplooiing van de binnenlandse markt. De lage koopkracht van de plattelandsbevolking, 58 % van het totaal, leidt er onder meer toe dat ze slechts voor een derde van de detailverkoop instaat.

Er is de groeiende ongelijkheid, maar ook onzekerheid van het bestaan. De landbouwbelasting is in theorie dit jaar opgeheven, maar de boeren gaan gebukt onder een ganse reeks lokale taksen bedacht door lokale overheden. De kosten voor gezondheidszorg en onderwijs zijn gevoelig gestegen, terwijl de boeren geen pensioen genieten. Traditioneel steunden ze voor hun oude dag op hun kroost, maar door de politiek van één kind per gezin ligt dat nu veel kwetsbaarder. De decollectivisering van de landbouw heeft zeker niet geleid tot een modernisering van de landbouw, wel integendeel.

Speculanten

Die onzekerheid slaat vooral op andere terreinen toe. De grond blijf gemeenschapsbezit, de exploitatie is echter individueel: de boer krijgt de grond toegewezen voor 30 jaar. De boeren staan weerloos tegen de landhonger van industriële ondernemers en bouwspeculanten die op grote schaal lokale bestuurders omkopen om landbouwgronden voor een habbekrats te kopen; de boer moet het meestal stellen met een aalmoes.

Veel van de recente onrust op het platteland heeft daar mee te maken. Er zijn de voorbije tien jaar al veel lokale boerenopstanden en opstandjes geweest, meestal gericht tegen lokale bestuurders die allerlei nieuwe taksen bedachten. Het kwam herhaaldelijk tot blokkades waarbij duizenden mensen wegen afsloten om daartegen te protesteren.

De jongste onrust heeft zeer dikwijls te maken met verzet tegen de uitverkoop van landbouwgronden aan bedrijven en bouwspeculanten van wie er nogal wat op korte tijd grote fortuinen opbouwden – in “communistisch China”. De boeren hebben als “pachters van de collectiviteit” weinig te zeggen over de verkoop van landbouwgronden. In 1999 werd een wet uitgevaardigd die de lokale overheden het monopolie van de verkoop van die gronden aan de privé-sector.

Het resultaat was te voorspellen en staat onder meer te lezen in een studie van Zhou Tianyong, een vooraanstaand economist van de partijschool. Hij schat dat er tot 2003 ongeveer 6,7 miljoen hectare landbouwgronden zijn verkocht voor de bouw van bedrijven en wooncomplexen. Daarbij kregen de boeren die de grond bewerkten gemiddeld tien procent van de marktwaarde van die gronden ter compensatie. Sinds 2003 is dat proces nog versneld.

Daar komt dus verzet tegen dat vaak tot geweld leidt. Het geweld komt meestal van die lokale bestuurders die hun “bijverdiensten” gewapenderhand verdedigen. Ze zetten de politie in of, wat steeds vaker voorkomt, gewapende benden. Een van de ergste incidenten, voorzover bekend, had plaats op 6 december vorig jaar in het dorp Dongzhou, nabij Guangzhou (Kanton). Officieel vielen bij de onderdrukking van een protestdemonstratie drie doden, dorpelingen spraken van acht tot twintig doden. De politie schoot er op een menigte die betoogde bij een elektriciteitscentrale die werd gebouwd op onteigende dorpsgronden. Ook daar bedroeg de compensatie een tiende van de marktwaarde.

Harmonie

Die incidenten leggen enkele zwakke plekken van het systeem bloot. De groeiende ongelijkheid, de willekeur van bestuurders en de veralgemeende corruptie van het apparaat als gevolg van de economische “liberalisering”.

Als antwoord op de onrust onder boeren en arbeiders, benadrukt de overheid meer dan ooit de noodzaak aan “sociale harmonie” en aan “stabiliteit”. Het machtsmonopolie van de partijbureaucratie mag niet in vraag worden gesteld, haar economisch marktbeleid evenmin, maar om de legitimiteit ervan te waarborgen, moeten enkele neveneffecten worden afgevlakt. De kritiek mag niet verder gaan dan op de uitwassen van neveneffecten. Kritiek die iets grondiger is, wordt in de kiem gesmoord. Kritische journalisten en internetgebruikers, milieu- en andere activisten ondervinden dat aan den lijve.

Tegelijk trachten de Chinese leiders hun geloofwaardigheid als erfgenamen van de revolutie met andere middelen te vrijwaren. De partijleiding heeft aangekondigd dat de studie van het marxisme een nieuw elan krijgt. Maar als we dan zien dat duizenden specialisten teksten van Marx opnieuw gaan bestuderen en hervertalen, rijzen er al meteen veel vragen bij de betrouwbaarheid van de aangekondigde selecties van werken. Het vermoeden is groot dat de operatie vooral moet dienen om de kapitalistische keuzes van de Chinese leiders toch een marxistisch laagje te geven.

Om die legitimiteit te vrijwaren, kunnen die leiders ook nog altijd inspelen op de nationalistische sentimenten. Elke aanleiding is goed, zoals de film ‘Memoires van een geisha’ waarvan de voorstelling in China werd verdaagd – uit vrees voor anti-Japanse demonstraties? Zeker, de anti-Japanse gevoelens leven onder veel Chinezen heel sterk, de autoriteiten weten dat ze met hun censuur op die film op zware bijval kunnen rekenen, de verontwaardiging dat twee Chinese actrices in die film een rol van geisha spelen, zette veel kwaad bloed. Maar tegelijk circuleert de film zonder enig probleem en op grote schaal op dvd. Het zou beslist niet zo eenvoudig zijn een film te laten circuleren met beelden over de dorpsopstand in Dongzhou, want daarin gaat het echt over de vraag wat er met de revolutie is gebeurd.

(Uitpers, nr. 74, 7de jg., april 2006)

(Visited 2 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 61 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Freddy De Pauw

Freddy De Pauw was van 1972 tot 2002 redacteur buitenland bij De Standaard. Hij volgde jarenlang Centraal- en Oost-Europa, een groot deel van Azië (o.m. China) en Italië. Hij publiceerde o.m. bij het Davidsfonds Volken zonder Vaderland’ over de ‘etnische kwesties’ in Centraal- en Oost-Europa; De firma maffia; Italië, moeder van alle smeer; Russische mafija; Handelaars in mensen; Maffia in België en Handelaars in nieuws – over trends in de berichtgeving. Werkt sinds de start in 1999 mee aan Uitpers.

zie ook