China smeedt strategische alliantie met Afrika

Met vlag en wimpel heeft China op 4 en 5 november leiders van bijna 50 van de 53 Afrikaanse staten in Peking verwelkomd. De topconferentie, voorlopige bekroning van een jaar drukke Chinese diplomatie in Afrika, bevestigde een strategische alliantie tussen beide gebieden.

China wil zich in Afrika verzekeren van de grondstoffen die het nodig heeft voor zijn snel groeiende economie. Het wil er ook nieuwe markten veroveren. En het wil zijn gewicht op de internationale scène vergroten. Afrika verwacht handelsvoordelen en vooral Chinese investeringen en ontwikkelingshulp. Het ziet hierin een kans om losser te komen van zijn traditionele “partners”, onder wie de vroegere koloniale machten.

China verwierp kritiek uit het Westen dat het in Afrika als een neokoloniale macht begint op te treden en er repressieve regimes zal consolideren. De relaties met Afrika zijn niet op eenzijdig, maar op wederzijds voordeel gestoeld, benadrukte het. En verder geldt, in tegenstelling tot de westerse houding, het princiep van niet-inmenging in elkaars binnenlandse aangelegenheden. Afrika hoopt dat die princiepen van de realiteit zullen doorstaan.

Plechtige woorden waren niet afwezig bij deze top in Peking. Een “mijlpaal”, een “historische gebeurtenis”, de hoogste internationale conferentie in Peking sinds de oprichting van de Volksrepubliek in 1949, heette het van officiële Chinese zijde. “Vriendschap, samenwerking, ontwikkeling en vrede” waren het motto dat Peking de bijeenkomst meegaf. Er was zelfs een snuifje exotisme dat de 48 leiders en vertegenwoordigers van Afrika stilletjes zal geamuseerd hebben: sommige straatpanelen toonden erg traditionele Afrikaanse toneeltjes (antilopen! olifanten! dorpsscènes!). Op een van de borden leek de slogan wel uit National Geografic Magazine te zijn geknipt: “Afrika, land van mythen en mirakels”.

Maar goed, ook het Chinese vogeltje zingt zoals het gebekt is. En onder alle retoriek vormde de conferentie een gebeurtenis zonder voorgaande, met een verreikende betekenis en grote ambities. De Chinese president Hu Jintao had het over een strategisch partnerschap met Afrika. De economische samenwerking is een “win-win”-situatie voor beiden, zei hij. En hij benadrukte nog eens dat zowel China als Afrika het kolonialisme hebben bestreden.

De handel tussen beide gebieden, die sinds 1995 al vertienvoudigd is, moet tegen 2010 verdubbeld zijn tot 100 miljard dollar per jaar. Die handel is de eerste negen maanden van dit jaar al met 40 procent gestegen tegenover 2005, tot 40,6 miljard dollar, en dat jaar was hij al met 35 procent gegroeid tegenover 2004.

Tegen 2009 zal ook de Chinese hulp aan Afrika verdubbeld zijn. Al meteen werden in Peking handels- en investeringsovereenkomsten gesloten voor 2 miljard dollar. De akkoorden betreffen grondstoffen, textiel, infrastructuur, financiering, communicatie en technologie. De Chinese investeringen in Afrika zijn de jongste vijftien jaar opgelopen tot ruim 850 miljoen dollar. Nu komen er nieuwe bij. Om er enkele te noemen: in Nigeria (grootste olieproducent van Afrika) zal China wegen en spoorwegen bouwen en moderniseren, in Egypte bouwt het een nieuwe aluminiumsmelterij, in Ghana legt het op het platteland een telefoonnetwerk aan.

Daarbij komen leningen en exportkredieten ten belope van 5 miljard dollar. China, dat de schulden van 31 Afrikaanse landen al heeft kwijtgescholden en Afrika tot dusver naar schatting 5 miljard dollar hulp heeft gegeven, zal de armste Afrikaanse landen bijkomende kwijtschelding van schulden bezorgen, verzekerde president Hu. Die landen zullen ook meer goederen in China kunnen invoeren zonder invoertaks (China neemt nu al 10 procent van de Afrikaanse export op, tegenover 1 procent in 1995).

China wil zich in Afrika verzekeren van de grondstoffen die het nodig heeft voor de pijlsnelle groei van zijn economie. Olie en mijnbouw krijgen, meer nog dan de textielsector, de aandacht. Vooraan staat de olie-exploratie in Afrika, een sector waarin Chinese staatsbedrijven de jongste jaren zeer sterk hebben geïnvesteerd. China heeft zelf wel olie en gas, maar nogal wat velden zijn oud en bijna uitgeput, de bevoorrading is verre van voldoende om de groei te ondersteunen en het land voert nu ongeveer een derde van de olie en het gas in die het verbruikt. Het wil via Afrika, net als via Iran en Venezuela, zijn oliebevoorrading op een leest schoeien die het veiliger acht: meer gediversifieerd, en losser van eventuele pogingen van rivaal Amerika om zijn bevoorrading te bemoeilijken.

Peking concentreert zich in Afrika op Nigeria, Angola en Sudan. Het zijn landen waaruit het 30 procent van zijn olie betrekt. Angola heeft, met de levering van 18,2 miljoen ton olie van januari tot september dit jaar, Saudi-Arabië ingehaald als belangrijkste leverancier van China. Libië ( 3 miljoen ton), Congo-Brazzaville (4,3 miljoen ton) en Equatoriaal Guinea (3,8 miljoen ton), zijn andere grote leveranciers, met telkens méér dan de 2 miljoen ton uit Soedan. Met Nigeria, Angola en Soedan heeft China ook uitgebreide handelsrelaties opgebouwd. De Soedanese export gaat nu al voor 65 procent naar China, voor Angola ligt dat percentage op 35 procent. Ook koper uit Congo, ijzer uit Gabon en hout uit Liberia staan hoog op zijn verlanglijstje. Daarnaast hoopt China in Afrika de al aanzienlijk markten voor zijn mobieltjes, fietsen, huishoudapparaten e.d. snel te vergroten. Uganda zal het helpen bij de ontwikkeling van zijn toeristenindustrie, Tanzania krijgt nieuwe scholen en hulp bij de bestrijding van malaria.

Diplomatiek offensief

Het voorbije jaar is China zeer actief geweest in Afrika. Het begon al in januari met de publicatie van een Chinees Witboek voor Afrika (alleen voor Europa heeft China nog zo’n document). Daarin legde Peking nog eens de princiepen vast die de relaties moeten beheersen (zoals die al waren geschetst door toenmalig president Jiang Zemin tijdens diens Afrika-reis in 1996). De kern daarvan zijn “gelijkheid”, “relaties op basis van wederzijds voordeel en “niet-inmenging in elkaars binnenlandse aangelegenheden” – vandaar de weigering van China om zoals Westerse regeringen, investeringen en hulp te verbinden aan “mensenrechten en democratie”. Het lijkt er op dat China de kwestie van “niet-inmenging” gebruikt voor het bevorderen van zijn strategische en economische belangen, net zoals westerse regeringen dat doen onder de vlag van “bevordering van mensenrechten en democratie”. Zo blokkeerde het resoluties van de Verenigde Naties die de Soedanese regering tot de orde wilden roepen inzake de kwestie-Darfoer (waar Arabische milities met stille steun van de regering van president Omar al Bashir zwarte bevolkingsdelen weg-terroriseren). Het feit dat Soedan een groot olieleverancier van China is (2 miljoen ton tot dusver dit jaar), en dat Chinese bedrijven ongeveer 40 procent van de productie van Soedan in handen hebben, kan daar moeilijk vreemd aan zijn.

Maar de Chinese princiepen voor de samenwerking klinken de Afrikaanse leiders als muziek in de oren. Ze geven Peking een streepje voor op de “bemoeizuchtige” voormalige koloniale heersers van weleer. Bovendien vinden zowel China als veel Afrikaanse landen dat het Westen, met zijn koloniaal verleden en zijn neokoloniale aanpak, slecht geplaatst is om China’s politiek als impliciete steun aan repressieve regimes te hekelen. “In de relaties met andere landen bestaat ons princiep erin dat we nooit proberen ons sociaal systeem, ons ontwikkelingsmodel, onze waarden en onze ideologie op te leggen”, benadrukte woordvoerder Liu Janchiao van het Chinese ministerie van Buitenlandse Zaken.

Ook in januari 2006 bracht minister van Buitenlandse Zaken Li Zhaoxing een bezoek aan zes Afrikaanse landen – de chef van de Chinese diplomatie richt nu bij wijze van nieuwe traditie zijn eerste reis van het jaar op Afrika. In april reisde president Hu Jintao naar Marokko, Kenia en Nigeria. Hu had Nigeria al bezocht in 2004, toen hij ook Gabon en het olierijke Algerije aandeed. Kort voor Hu’s tweede bezoek ontving Nigeria een Chinese lening van 2,5 miljard dollar, grotendeels voor de financiering van een project voor de bouw en de modernisering van spoorlijnen.

In juni kregen zeven Afrikaanse landen het bezoek van de Chinese premier Wen Jiabao. Hij benadrukte er nog eens de princiepen die de samenwerking met China beheersen. In Oeganda hekelde hij terloops elke bezorgdheid over een “Chinese dreiging” als onverantwoordelijk en onjuist. Het was niet alleen een verwijzing naar het Westen, dat de opkomst van China in Afrika met lede ogen aanschouwt. Het was ook een poging om die Afrikaanse zakenlui gerust te stellen, die vrezen dat goedkope Chinese producten hen weg kunnen concurreren.

Taiwan

De meeste Afrikaanse landen steunen het princiep dat er maar één China is, en dat Peking dit vertegenwoordigt. Maar vijf landen (Gambia, Malawi, Burkina Faso, Swaziland en Sao Tome) erkennen Peking niet, en hebben diplomatieke relaties met Taiwan. Op dat eiland voor de Chinese kust handhaafden de nationalisten een eigen regering na hun nederlaag in 1949 tegenover de communisten. Er bestaan strekkingen die de onafhankelijkheid willen uitroepen, waardoor er formeel “twee China’s” zouden ontstaan. Peking had de vijf Afrikaanse landen laten weten dat ze waarnemers naar de top mochten sturen. Maar aan het Sino-Afrikaans strategisch economisch partnerschap kunnen ze niet deelnemen zolang ze Taiwan erkennen, luidde het. De vijf gaven gevolg aan de oproep van Taiwan om hun leiders niet naar de top in Peking te sturen. Het bleef onduidelijk of ze op de conferentie waarnemers hadden of op een andere manier toch aanwezig waren.

(Uitpers, nr. 81, 8ste jg., december 2006)

Visited 8 Times, 2 Visits today

Tags :