Centraal- en Oost-Europa: Het Europees recept is zoals vanouds: meer neoliberalisme

De crisis slaat hard toe in de nieuwe lidstaten van de Europese Unie in Centraal- en Oost-Europa. Maar de rijkere Europese landen hebben niet veel zin om te helpen. Vooral Duitsland hield aanvankelijk de knip op de beurs. Hulp kan enkel in ruil voor sociale afbraak.

Tot voor kort waren de nieuwe lidstaten in Oost- en Centraal-Europa het uithangbord bij uitstek van de Europese Unie. De boodschap was simpel: vervang het communisme door de markt, en de gebraden duifjes vliegen je in de mond. Roemenië, dat pas recent lid werd, was in 2008 wereldrecordhouder registratie Porsche Cayennes. Letland was in 2007 de Europese groeikampioen.

Maar in het laatste kwartaal van 2008 kromp de Letse economie met 10 procent op jaarbasis, en in 2009 wordt een krimp met 12 procent verwacht. De financiële en economische crisis slaat hard toe in de nieuwe lidstaten. In het laatste kwartaal van vorig jaar lag de Poolse productie 5 procent lager dan een jaar daarvoor. In Tsjechië staat de werkloosheid nu op 12 procent.

Aanvankelijk zag het er nochtans naar uit dat Centraal- en Oost-Europa de dans zouden ontspringen. De financiële sector leek er relatief gezond, en werd gecontroleerd door solide financiële instellingen uit het Westen. Het Westen controleert 70 procent van alle banken in Oost-Europa. De banken hadden er geen giftige producten in de balansen. Geen vuiltje aan de lucht dus.

Lopende rekeningen met gaten

Maar de illusie duurde niet lang. De sterke economische expansie van de afgelopen jaren bleek gevoed door een grote instroom van buitenlandse kapitalen: buitenlandse investeringen, investeringskredieten en consumentenkrediet. Landen als Bulgarije en Letland leenden jaarlijks in het buitenland een som groter dan 20 procent van hun Bruto Binnenlands Product (BBP). Het chronisch tekort op de lopende rekeningen in de regio was slechts houdbaar zolang het gat gedicht werd door een instroom van steeds nieuwe kapitalen. Daar kwam echter een einde aan met de financiële crisis. De banken uit het Westen, zoals Italiës UniCredit, Duitslands Commerzbank of het Belgische KBC, moesten nu de eigen balans rechttrekken, en draaiden de financiële kraan dicht. Bovendien werden zij door hun regeringen, die grote kapitalen investeerden, aangepord de schamele kredieten die ze nog wilden openen in eigen land toe te staan. Het gat op de lopende rekeningen in de nieuwe lidstaten werd niet meer gedicht, met alle gevolgen van dien.

Daar komt bij dat de export van de nieuwe lidstaten slabakt. De Westerse investeringen waren er niet gericht op de binnenlandse markt, maar op de export naar de oude lidstaten. Veel bedrijven zijn er onderaannemers van bedrijven uit het Westen, bijvoorbeeld van de auto-industrie. Maar die ligt op apegapen. Andere bedrijven bedienden de consumenten in het Westen, maar ook die markt krimpt. Dus de export stokt. De nieuwe lidstaten in Centraal- en Oost-Europa kunnen zich niet uit de crisis exporteren zoals de landen in Zuidoost Azië het hen eerder voordeden.

Omdat een ongeluk nooit alleen komt droogt ook de instroom op van geld overgemaakt door arbeidskrachten die naar rijke lidstaten emigreerden. De arbeidsmarkt in West-Europa stort immers in.

De munt van een aantal van die landen kwam dus in vrije val. Iedereen deelt in de klappen, want het internationaal flitskapitaal maakt geen onderscheid: wegvluchten naar ‘safe havens’ (paradoxaal genoeg de dollar, en meer recent de euro) is de boodschap, en dus zakt de waarde van de Poolse zloty, de Hongaarse Forint, de Roemeense Leu… De Roemeense Leu verloor de laatste zes maanden meer dan 16 procent van zijn waarde, en de Hongaarse forint bijna 20 procent. Sinds de zomer verloren de munten van Polen, Tsjechië, Hongarije en Roemenië gemiddeld 32 procent van hun waarde tegenover de euro.

Schulden in buitenlandse deviezen

Dat is des te vervelender omdat heel wat schulden gemaakt werden in buitenlandse munten zoals de euro, de Zwitserse frank of de Zweedse kroon (de Baltische staten). Meer dan de helft van de private schuld in Hongarije, Roemenië en Bulgarije is in vreemde munten. Individuen en ondernemingen in de regio hebben een totale schuld aan buitenlandse banken gelijk aan een derde van het BBP van de regio. De dertien landen uit de regio hadden in 2008 al een schuld aan het buitenland of in buitenlandse deviezen van meer dan duizend miljard dollar. Veel van het geleende geld ging naar consumptie of investeringen in vastgoed. Die schuldenlast wordt exponentieel duurder, wanneer de nationale munt waarde verliest.

Sommige landen hebben de koers van hun munt gekoppeld aan de euro: Letland, Litouwen, Estland en Bulgarije. Die koppeling kan maar worden volgehouden door harde binnenlandse soberheidsmaatregelen. De twee landen, Slovenië en Slowakije, die lid zijn van de euro, kunnen niet devalueren.

Europese aanpak?

Het is de eerste recessie in de regio sinds de invoering van de euro en de oprichting van de Europese Centrale Bank. De Europese Unie weet niet goed hoe ze de recessie in Centraal- en Oost-Europa moet aanpakken, maar staat onder druk. Een crisis in een nieuwe lidstaat dreigt zich immers als een boemerang te keren tegen de West-Europese financiële sector. Weense banken zoals Erste Group en Raiffeisen International hebben uitstaande kredieten in de regio gelijk aan twee derde, en volgens een andere bron zelfs 82 procent, van het Oostenrijkse BBP. Ook Zwitserland (53 procent), Nederland (49 procent) en België (42 procent) hebben zich in de regio ver geëngageerd. Europese banken zouden in de regio verbintenissen hebben voor in totaal 1,1 duizend miljard euro. Toen deze realiteit doordrong in internationale financiële middens kreeg de euro enkele stevige klappen, wat dan weer het signaal was voor de Europese leiders dat ze de crisis in de nieuwe lidstaten niet konden negeren.

De Europese leiders zijn ook bang voor de dreigende sociale onrust. Als die landen zich in de steek gelaten voelen, of bedrogen, zijn ongelukken of ‘failed states’ binnen de grenzen van de Europese Unie niet meer uit te sluiten.

Maar de Europese Unie heeft geen duidelijke instrumenten om de problemen aan te pakken. De Europese Centrale Bank kan niet zoals haar Amerikaanse tegenhanger massaal waardepapieren opkopen om geld in de economie te pompen. Zij heeft immers niet de rugdekking van een gecentraliseerd Europees staatsapparaat. Bovendien mag zij financieel niet tussenkomen voor landen die lid zijn van de euro: de afspraak was dat landen die toetreden tot de euro zelf instaan voor de eigen winkel. Vrij vertaalt betekent dit dat eurolanden die economisch in de problemen komen (Ierland, Griekenland, Spanje, Portugal,…) dit moeten oplossen door soberheid voor de werknemers. Kort samengevat: lid van de euro of niet, elke lidstaat moet zelf economische problemen oplossen door te drukken op de lonen, te besparen in de openbare diensten en de sociale zekerheid, enz. Europese reddingsplannen staan haaks op de ‘discipline’ die daartoe nodig is.

Hier en daar suggereerden Europese leiders in de media dat er een geheim plan bestaat om lidstaten van de eurozone bij te springen, moesten zij over de kop gaan, alhoewel dat eigenlijk niet mag. Maar deze berichten werden onmiddellijk tegengesproken, omdat men vreest dat het bekend zijn van dergelijk plan het moeilijker zou maken voor landen als Ierland of Griekenland om de factuur van het economisch debacle door te schuiven naar de werkende mensen.

De nieuwe lidstaten buiten de eurozone worden aangemoedigd de koers van hun munten te ondersteunen. Zelfs Letland, dat op apegapen ligt, blijft de lat aan de euro koppelen. Duitsland dringt daar op aan: het wil niet weten van een golf van competitieve devaluaties die de Duitse export zouden ondermijnen. Dat was voor Duitsland ook één van de voordelen van de euro: competitieve devaluaties uitsluiten. Zestig procent van de Duitse export gaat naar de eurozone.

Als de nieuwe lidstaten daarop dan maar een versnelde toegang vragen tot de euro, bijvoorbeeld door de proefperiode terug te brengen van twee tot een jaar, is dit echter weer een brug te ver. Men wil geen zwakke broertjes in de club. Eerst tonen dat men in het eigen huishouden orde op zaken kan stellen!

Het IMF

Maar er moest toch wel iets gebeuren. Duitsland, steeds weer Duitsland, eiste dan dat hulp aan lidstaten buiten de eurozone zou verlopen via het Internationaal Muntfonds (IMF). Dat heeft het voordeel dat het IMF een harde soberheidspolitiek kan opleggen als voorwaarde voor steun. Dat is ten slotte de specialiteit van het IMF.

Op de Europese Raad in maart in Brussel werd beslist de Europese fondsen ter beschikking van het IMF op te trekken met 75 miljard euro. Ook werd een kredietlijn die ter beschikking staat van de Commissie om lidstaten te helpen met hun betalingsbalans, verdubbeld tot 50 miljard euro. De Commissie haalt dit geld op al naargelang de noodwendigheden op de financiële markten. Dit geld wordt dan gebundeld met middelen van het IMF, dat dus ook in dit mechanisme wordt ingehuurd als waakhond, om lidstaten te ondersteunen. Letland en Hongarije kregen al 10 miljard euro uit deze pot, en Roemenië is kandidaat. Tenslotte werd een steunfonds voor banken in Centraal- en Oost-Europa opgericht ter waarde van 24,5 miljard euro door de Europese Investeringsbank, de Wereldbank en de EBRD (een Europese bank die na de val van de muur speciaal werd opgericht om de markthervormingen in nieuwe lidstaten te ondersteunen).

Op een buitengewone Europese Raad begin maart lanceerde de Hongaarse premier Ferenc Gyurcsany een oproep voor een globaal Europees fonds te ondersteuning van de regio. Hij sprak van de dreiging van een nieuw ijzeren gordijn dat Europa doormidden sneed. Hij werd echter snel teruggefloten, ook door collega’s uit de nieuwe lidstaten. Die wilden niet dat alle landen uit de regio op één hoop zouden gegooid worden. De Polen vonden bijvoorbeeld dat zij het beter deden, dank zij de ‘structurele hervormingen’ die zij hebben doorgevoerd. De Letten wezen op de krachtige maatregelen die zij hadden genomen, zoals een vermindering van de lonen in de openbare dienst met een kwart. Met andere woorden: de oproep van de Hongaarse premier werd begrepen als een poging niet de harde sociale maatregelen te moeten nemen die zich volgens de neoliberale bijbel opdringen. Oekraïne, waar het regime ook niet in staat lijkt harde bezuinigingen door te voeren, heeft problemen om nog geld los te krijgen van het IMF.

Raar maar waar dus: ondanks alle demagogie over koerswijzigingen en lessen die men geleerd heeft uit de financiële crisis worden als vanouds de neoliberale recepten voorgeschreven tegen de crisis. Het is symbolisch dat de EU hiertoe het IMF ter hulp roept. Het lijkt meer dan dringend dat de vakbonden en de sociale bewegingen zich niet enkel concentreren op de financiële dimensie van de crisis, maar ook op de sociale gevolgen ervan.

(Uitpers, nr. 108, 10de jg., april 2009)

Deel dit artikel

Visited 98 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook