Censuur en repressie in Marokko
Mohammed VI in de voetsporen van zijn vader

Marokkanen beschikken over een heel bijzondere gave : ze beheersen als geen ander het gebruik van het eufemisme. Zo hebben ze het nog steeds over ‘les années de plomb’ (de loden jaren): de drie decennia lange dictatuur van koning Hassan II. ‘Les années de plomb’ waren de jaren van extreme repressie. Hongeropstanden werden met tanks aan flarden geschoten in Casablanca en andere steden (waarbij honderden doden vielen). Vakbondslui, contesterende studenten en scholieren verdwenen voor jaren in de gevangenis, werden gefolterd. Tegenstanders van het koninklijke regime verdwenen van de aardbodem. Persvrijheid bestond niet. Elke Marokkaanse krant (zelfs die van de linkse oppositie) was een paleiskrant.

En op een dag in juli 1999 overleed de vorst schielijk. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Mohammed VI. En opnieuw grepen de Marokkanen gretig in de eufemismendoos: «de koning van de armen», «de Marokkaanse lente», «Perestrojka in Rabat»… De euforie was groot. Met deze nieuwe koning zou alles anders worden. En heel even leek het allemaal levensecht. De nieuwe koning stuurde de beruchte en geduchte Driss Basri met pensioen. Basri was sinds 1974 minister van Binnenlandse Zaken en Informatie. Na de koning was hij het belangrijkste symbool van de repressie en de dictatuur. Hij hield de politieke partijen en vakbonden stevig aan de leiband, muilkorfde de pers, schakelde echte en potentiële tegenstanders van de monarchie uit en kreeg de bijnaam ‘Monsieur Sahara’ – hij was immers de man die voor Hassan II de brutale militaire bezetting en de kolonisering van de Westelijke Sahara regelde.

Na de eedaflegging van Mohammed VI leek Marokko echt op weg om het verleden definitief op te bergen. De Marokkanen konden plots onafhankelijke kranten lezen, waarin de reële problemen van het land werden aangekaart. De nieuwe koning hield toespraken waarin hij het had over de extreme armoede, voor de meerderheid van zijn onderdanen nog steeds de dagelijkse, zeer schrijnende realiteit.

Maar de Marokkaanse lente was van zeer korte duur.

De repressiemachine draait weer

In september en oktober 1999 begonnen de Sahrawi-jongeren in de door Marokko bezette gebieden van de Westelijke Sahara aan hun ‘intifada’. In de hoofdstad El Ayoun en in Smara kwamen jonge Sahrawi’s massaal op straat om te protesteren tegen de Marokkaanse militaire bezetting en kolonisatie. De meerderheid van hun landgenoten (160.000) leeft sinds de Marokkaanse invasie in 1975 in vluchtelingenkampen in de buurt van de Algerijnse woestijnstad Tindoef. In de Westelijke Sahara zijn de Sahrawi’s een bijzonder kleine en kwetsbare minderheid geworden : 25.000 à 30.000 inwoners, omringd door meer dan 200.000 Marokkaanse kolonisten en gecontroleerd door bijna even veel Marokkaanse militairen, gendarmen en politieagenten.

Ondanks de ‘Marokkaanse perstrojka’ werden deze jongerenbetogingen brutaal onderdrukt. Honderden manifestanten werden gearresteerd, gefolterd, mishandeld. Tientallen jongeren kregen inmiddels jarenlange gevangenisstraffen. Het Marokkaanse leger heerst sindsdien met de noodtoestand in El Ayoun. ’s Nachts geldt er voor de Sahrawi’s een uitgaansverbod. In de Sahrawi-wijken barricaderen de bewoners hun huizen uit angst voor repressailles van de Marokkaanse militairen en van de milities.

Begin december van dit jaar begonnen negentig jonge Sahrawi’s in El Ayoun een protestactie. De negentig jongeren zijn bedreigd met deportatie naar Marokko en verzetten zich tegen hun gedwongen ballingschap.

Ook in Marokko zelf zijn ‘les années de plomb’ weer aangebroken. Op 9 december laatstleden – naar aanleiding van de 52ste verjaardag van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens – organiseerde de ‘Association marocaine des Droits de l’Homme’ (AMDH – Marokkaanse Vereniging voor de Rechten van de Mens) een betoging voor het parlement in Rabat. Ook dertien leden van het ‘Comité voor de Sahrawi-slachtoffers van verdwijningen’ hadden zich bij deze protestactie aangesloten. De AMDH eiste een parlementaire onderzoekscommissie, de volledige opheldering van alle gevallen van verdwijning, illegale arrestatie en foltering uit het verleden en de gerechtelijke vervolging van al wie zich hieraan heeft schuldig gemaakt. De betoging werd verboden en de Marokkaanse politie dreef de manifestanten met de wapenstok uiteen. Bij deze brutale politieactie werden drie betogers zwaar gewond. 42 mensenrechtenactivisten werden gearresteerd. 36 onder hen zijn inmiddels al voor de raadkamer verschenen. Zij blijven in de gevangenis en krijgen eerstdaags een proces.

Censuur in Rabat

Ook de wittebroodsweken tussen de nieuwe koning Mohammed VI en de Marokkaanse onafhankelijke pers zijn inmiddels definitief voorbij. Het is weer tijd voor de oude orde.

In zijn editie van 14 april 2000 wijdde ‘Le Journal’ een speciaal dossier aan de Westelijke Sahara. Het weekblad kreeg prompt een verschijningsverbod. Inhoudelijk was er nochtans weinig aan te merken op de bijdragen van de journalisten van ‘Le Journal’. Het blad gaf blijk van een grote gezagstrouwheid en bleef netjes binnen de lijnen, die door het koninklijk paleis zijn uitgestippeld. ‘Le Journal’ verzette zich – zoals het in Marokko hoort – met klem tegen het ‘separatisme’ van het Polisariofront. Het weekblad onthulde zelfs dat het "Polisariofront zijn propaganda betaalt met geld van de Amerikaanse bedrijven Boeing, Texaco, Thiokol, Aerojet, E-Systems, Hughes Aircraft Company en nog andere" (sic). Verder wees ‘Le Journal’ op de grote nationale consensus in Marokko, waar alle politieke partijen – zonder enige uitzondering – zich hebben verenigd "tegen het separatisme" en "voor de territoriale integriteit van het land".

‘Le Journal’ brak een lans voor "een derde weg": de voormalige Spaanse kolonie blijft een onvervreemdbaar deel van het Marokkaanse grondgebied, de Sahrawi’s kunnen in de toekomst hoogstens rekenen op een "brede autonomie". En tenslotte wijdde het blad een korte bespreking aan het jongste boek van de Franse historicus Bernard Lugan "Histoire du Maroc des origines à nos jours". Volgens ‘Le Journal’ bewijst deze historicus "voor eens en altijd dat de Sahara Marokkaans is". "Wie deze historische evidentie in twijfelt trekt, geeft in zekere zin aan dat hij de mentaliteit van de gekoloniseerde nooit is ontgroeid, want het is slechts op basis van een verwijzing naar de kunstmatige koloniale grenzen dat hij de historische grenzen van Marokko aanvecht." ‘Le Journal’ herhaalde met andere woorden wat de officiële Marokkaanse kranten al meer dan een kwarteeuw schrijven: de Sahara is Marokkaans, blijft Marokkaans en zal eeuwig Marokkaans blijven. En toch werd ‘Le Journal’ botweg gecensureerd. Het blad had namelijk ook een kort interview gepubliceeerd met de secretaris-generaal van het Polisariofront, Mohammed Abdelazziz. En dat blijft in Marokko ten strengste verboden.

Niet alleen ‘Le Journal’ werd gecensureerd, ook zijn Arabische editie ‘Assahifa’ mocht niet verschijnen (ook al stond er geen woord in over de Westelijke Sahara). Begin april 2000 had de Marokkaanse overheid ook al het weekblad ‘Demain’ in de ban geslagen (eveneens omwille van een artikel over de Westelijke Sahara).

Twee lijken in de kast

Niet alleen het delicate Saharadossier bezorgt Marokkaanse journalisten en krantendirecteuren een pak heibel. Op 2 december kregen drie onafhankelijke weekbladen (‘Le Journal’, zijn Arabische editie ‘Assahifa’ en ‘Demain’) definitief verschijningsverbod.

‘Le Journal’ en ‘Assahifa’ hadden in hun jongste nummer flink geroerd in het stormachtige verleden van de Marokkaanse monarchie. Beide weekbladen publiceerden een document uit 1974 van een van de historische linkse leiders in Marokko, Mohammed ‘Fquih’ Basri. Daarin beschuldigde Basri (die nog steeds in Marokko woont) de leiders van de Union socialiste des Forces populaires (USFP), die sinds 1998 regeert in het land, en huidige premier Abderrahmane Youssoufi van betrokkenheid bij de mislukte staatsgreep van generaal Oufkir tegen Hassan II in 1972. De consternatie was groot, vooral binnen de rangen van de socialistische regeringspartij USFP.

Aboubakr Jamaï, de directeur van Assahifa, toonde zich woedend over het definitieve verschijningsverbod, maar zei heel goed de heftige reactie van premier Youssoufi en zijn USFP te begrijpen. In een gesprek met de Parijse krant Libération op 5 december verduidelijkte hij een en ander : "Wij hebben inderdaad een belangrijk aspect onthuld van het compromis dat de leiding van de USFP heeft gesloten met de monarchie van Hassan II en dat zeer slecht is ontvangen door de militanten van deze partij. Zij begrijpen niet dat hun leiders ooit hebben kunnen denken dat ze op een dag iets duurzaams konden opbouwen samen met een man als generaal Oufkir, die direct betrokken was bij de moord op Mehdi Ben Barka (de historische socialistische leider die in 1965 in Parijs werd ontvoerd en vermoord n.v.d.r.). Ik sluit niet uit dat het compromis met de monarchie op twee lijken is gebouwd, dat van Ben Barka en dat van Oufkir. De koning heeft zonder twijfel op een dag vernomen dat de leiders van de UNFP (de latere USFP n.v.d.r.) , Aderrahim Bouabid en Abderrahmane Youssoufi, de huidige premier, betrokken waren bij deze poging tot staatsgreep en heeft dit gebruikt om een deal te sluiten, die in wezen als volgt kan worden samengevat : "Jullie vergeten Ben Barka, wij vergeten jullie betrokkenheid bij de putsch van Oufkir". Ik denk dat de monarchie en de linkerzijde op dat ogenblik hebben besloten een streep te trekken onder het verleden en samen dit compromis uit te werken. Het resultaat daarvan is deze regering…"

"Maar dat is niet de enige verklaring," zegt Jamaï, "Assahifa heeft in het recente verleden zijn kolommen geopend voor de contestanten binnen de USFP. Zij kregen bij ons het woord, terwijl ze binnen hun eigen partij totaal gemuilkorfd worden. Ik denk dat wij vele mensen storen…"

Op 4 december, tijdens zijn recent bezoek aan Berlijn, werd premier Youssoufi uiteraard aan de tand gevoeld over deze bijzonder krasse censuur van zijn regering (en het paleis). De premier wuifde de beschuldiging van de hand dat hij de pers aan banden wil leggen. Youssoufi is niet alleen premier, hij is nog steeds directeur van het socialistische dagblad Al Ittihad al-Ishtiraki (Socialistische Eenheid). Hij herinnerde eraan dat hij zelf in het verleden het slachtoffer is geweest van censuur. "Maar," zo besloot hij op bijna royalistisch-paternalistische toon : "als enkele kranten er een doel van maken ons land te discrediteren en onze instellingen in gevaar te brengen en slechts uit zijn op sensatie, dan rechtvaardigen het moreel belang, het belang van het land en van de persvrijheid deze maatregel."

Onderzoeksjournalistiek verboden

Het defenitieve verschijningsverbod van het onafhankelijke weekblad ‘Demain’ heeft weinig te maken met de onthullingen over de USFP-leiders en de coup van genraal Oufkir. Het blad heeft zich in het verleden een aantal belangrijke vijanden gemaakt met zijn onderzoeksjournalistiek over de drugshandel. Marokko is nog steeds een belangrijke cannabisleverancier. En het is een publiek geheim dat deze trafiek op de allerhoogste bescherming kan rekenen in het koninkrijk. Tot die vaststelling kwamen de journalisten van ‘Demain’ de voorbije maanden ook.

Op 4 oktober haalde de Spaanse politie het net dicht voor een van de belangrijkste Marokkaanse drugstrafikanten, Rachid Wahid Temsamani. Hij werd gepakt met een lading van 24 ton cannabis et 15 kilo cocaïne. Temsamani was een vertrouweling van de inmiddels op rust gestelde Haj Mediouri, de chef van de ‘Sécurité royale’ (koninklijke veiligheid) ten tijde van Hassan II en voorzitter van de almachtige Koninklijke Marokkaanse Atletiekfederatie, het uitstalraam bij uitstek van het koninklijke regime voor het buitenland. In 1995 had Haj Mediouri bij zijn rechtstreekse baas, Hassan II, zijn vriend Temsamani voorgedragen voor een ‘Alawitische Wissam’ (zo wat de Marokkanse tegenhanger van het Franse Légion d’Honneur of de Belgische Leopoldsorde). En Temsamani kreeg deze gegeerde koninklijke onderscheiding. Volgens Ali Lmrabet, de directeur van ‘Demain’, stond zijn krant op het punt een indrukwekkende lijst van namen te publiceren van hooggeplaatsten uit het leger, de politie, het gerechtsapparaat en de nationale politiek. "Namen om kippenvel van te krijgen", aldus Lmrabet, "die allen bij de drugshandel betrokken zijn." En toen kreeg ‘Demain’ verschijningsverbod…

(Uitpers, januari 2001)

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 41 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook