Brits sociaal-economisch model is failliet

Patrick Artus en Alexis Garatti, Pourquoi l’Angleterre a perdu – La faillite d’un model économique et social, Editions Perrin – 251 blz. – 19,35 euro.

Op 6 mei trokken de Britten naar de stembus. De pers vroeg zich vooral af wie de winnaar zou zijn: New Labour of de Conservatieven en welke score de Liberaal-Democraten zouden halen. Er ging spijtig genoeg minder aandacht uit naar het failliet van het sociaal-economische beleid dat de voorbije decennia zowel door Conservatieven als door New Labour werd gevoerd. Dit failliet van het Brits sociaal-economische model wordt deskundig beschreven door Patrick Artus en Alexis Garatti in hun boek: ‘Pourquoi l’Angleterre a perdu’.

Sinds de conservatieve eerste minister Margaret Thatcher in 1979 aan de macht kwam, lijkt het Verenigd Koninkrijk (VK) volgens de auteurs op een hefboomfonds (hedge fund) dat uitsluitend gericht is op flexibiliteit, de verwerping van alles wat onomkeerbaar is en het vermogen om op ieder ogenblik mooie kansen te grijpen. Waar andere landen massaal investeren in sectoren waar ze een concurrentieel voordeel menen te hebben (luchtvaart- en defensienijverheid in Frankrijk; auto’s, uitrustingsgoederen en chemie in Duitsland; elektronica in Japan), zoekt het VK voortdurend naar de gunstigste kansen en investeert in activiteiten die het meest opbrengen om er zich uit terug te trekken als de rendabiliteit het laat afweten. Zo doen de hefboomfondsen het ook. Die beleggingsfondsen storten zich op markten waar ze grote winsten kunnen maken, om er zich met het grootste gemak uit terug te trekken als de winsten dalen.

Die grote flexibiliteit van de Britse economie vertoont een aantal structurele kenmerken: achteruitgang van de verwerkende nijverheid (de werkgelegenheid in de Britse industrie daalde tussen 1998 en 2007 met 30 procent); het handelstekort liep tussen 1997 en 2007 op van 2 procent naar 10 procent van het bruto intern product (BIP); het Britse aandeel in de wereldhandel daalde van 6 procent in 1997 naar 3 procent in 2007.

Tegenover die achteruitgang van de industrie staat de ontwikkeling van moderne spitstechnologie, vooral van de biotechnologie, die een hoog rendement koppelt aan een geringe kapitaalintensiviteit. In tegenstelling tot de landen van de eurozone en zelfs van de Verenigde Staten, boekt het VK forse overschotten op zijn technologische betalingsbalans (handel in technologische diensten en inkomsten uit octrooien). Op de lijst van de honderd beste universiteiten, opgesteld door de universiteit van Shangai, staan elf Britse universiteiten vermeld.

Om de investeringen in flexibele en weinig kapitaalintensieve sectoren te financieren doet het VK een beroep op het internationaal kapitaal. De Britten hebben lak aan iedere vorm van ‘financieel nationalisme’. Ze liggen er helemaal niet wakker van dat Britse bedrijven door buitenlanders worden overgenomen. Om de flexibele inzet van kapitaal te doen renderen, moet ook de arbeidsmarkt steeds flexibeler worden. Vandaar de snelle verschuiving van de werkgelegenheid van de industrie naar de diensten- en financiële sector.

Successen

De Britse economie kan op enkele successen bogen. Zo daalde de werkloosheid tussen 1996 en 2007 van 8 naar 5 procent; het werkloosheidspercentage ligt gemiddeld 3 procentpunt lager dan in de eurolanden; de werkgelegenheidsgraad (het percentage van de actieve bevolking dat een job heeft) schommelt rond de 73 procent, tegen slechts 63 procent in de eurozone; de werkgelegenheidsgraad bij de 55-plussers beloopt 57 procent tegen 40 procent in de eurozone. Daar staat wel tegenover dat in het VK 11 procent van de actieve bevolking niet verplicht is een baan te zoeken, tegen bijvoorbeeld maar 3 procent in Frankrijk. Dat belet niet dat het aantal banen in het VK tussen 2001 en 2007, ook een economisch moeilijke periode, met 7 procent is gestegen, tegen 5 procent in de eurozone. Het zal sommigen misschien verbazen, maar de koopkracht van de gemiddelde loontrekkende steeg in het VK tussen 1996 en 2007 met 28 procent, tegen slechts 3 procent in de eurozone.

Het Britse model maakt in economische middens een goede beurt vooral door zijn zwakke belastingdruk, zijn lage overheidsschuld en zijn aantrekkelijkheid voor bedrijven en loontrekkenden. Toch steeg de totale belastingdruk de voorbije jaren tot 43 procent van het BIP, wat niet zoveel minder is dan het gemiddelde in de eurozone (46 procent). De sociale bijdragen zorgen evenwel voor het grote verschil tussen het VK en de eurolanden. In het VK slorpen ze slechts 9 procent van het BIP op, tegen 16 procent in de eurozone. Dat verklaart in hoge mate de Britse aantrekkelijkheid voor buitenlandse investeerders. De directe belastingdruk op de gezinnen ligt het in VK daarentegen gevoelig hoger dan in de eurozone (respectievelijk 14 en 9 procent van het BIP).

De auteurs vragen zich af of dit Britse model kan standhouden na de huidige economische crisis en de maatregelen die New Labour nam, maar ook vanwege de grote gebreken van dit model: ongelijkheid, gebrekkige sociale bescherming, financiële kwetsbaarheid en te grote concentratie van de economie op een klein aantal sectoren die momenteel worden bedreigd, zoals de financiële en de bouwsector.

Architect Thatcher

De architect van het huidige Britse sociaal-economische model is ongetwijfeld Margaret Thatcher die in 1979 eerste minister werd. Haar leiddraad waren de voorschriften van de conservatieve economen: niet de vraagzijde (koopkracht van de bevolking), maar de aanbodzijde (minder lasten en meer winsten voor de bedrijven) moet worden gesteund om de concurrentie en de flexibiliteit van de arbeidsmarkt te versterken. Vandaar privatiseringen en dereguleringen aan de lopende band. Om de arbeidsmarkt te hervormen, moest de macht van de vakbonden worden beknot. Margaret Thatcher en haar opvolger John Major slaagden daar wonderwel in.

Om de werkgelegenheid te bevorderen liet Thatcher de werkloosheidsvergoedingen minder snel stijgen dan de lonen. De voorwaarden om een werkloosheidsvergoeding te ontvangen werden verstrengd en bijkomende steunmaatregelen werden afgeschaft. De fiscale basisaanslagvoet en de sociale bijdragen op de laagste inkomens werden verlaagd. Thatcher lanceerde een ambitieus opleidings- en vormingsprogramma. Ze ondermijnde evenwel haar plannen om de werkgelegenheid op te krikken door in het voordeel van de bedrijven de ontslagkosten te verminderen en de ontslagvoorwaarden te versoepelen. Daardoor steeg de werkloosheidsgraad van 5,3 procent in 1979 tot 11,9 procent in 1984 en lag in 1988 boven de 10 procent.

Thatcher zorgde voor een drastische terugtrekking van de staat uit de economie. De daling van de directe belastingen compenseerde ze door een stijging van de indirecte belastingen, met name de belasting op de toegevoegde waarde (BTW), een asociale belasting omdat ze de minder begoeden harder treft dan de vermogenden. Zo verhoogden de Conservatieven de BTW van 8 tot 15 procent in 1979 en tot 17,5 procent in 1991. Dat had tot gevolg dat het aandeel van de BTW in de totale belastinginkomsten in de loop van de jaren tachtig en het begin van de jaren negentig zo goed als verdubbelde. De sociale ongelijkheid kon daardoor alleen maar toenemen. De belastingen op kapitaalinkomsten en investeringen gingen daarentegen omlaag.

Baby Thatcher

Labour, dat in 1997 opnieuw aan de macht kwam, liet het economische landschap dat de Conservatieven achterlieten ongewijzigd. De voormalige Britse premier Tony Blair, die zijn partij omschiep tot New Labour, zou het Thatcheriaans beleid integendeel nog verder uitbouwen. Hij werd dan ook niet voor niets baby Thatcher genoemd. Nog voor hij de verkiezingen van 1997 won, veegde partijleider Blair een aantal traditionele linkse ideeën van tafel. Al in 1995 werd de fameuze doelstelling 4, het collectieve bezit van de productiemiddelen, uit het partijprogramma gelicht. Zoals zijn conservatieve voorgangers nam Blair steeds meer afstand van de vakbonden en bakte daarentegen zoete broodjes voor het bedrijfsleven.

Zijn steeds grotere toegevingen aan het kapitalisme probeerde Blair, zoals ook andere Europese sociaal-democratische politici, als de Derde Weg te verkopen. Dat die zogenaamde Derde Weg puur bedrog was, bewees Blair door de voortzetting van de privatiseringen en dereguleringen, van het agressieve concurrentiebeleid en de oprichting van partnerships tussen de openbare en de privé-sector, die ook in België bestaan, waardoor privé-bedrijven een graantje kunnen meepikken op openbare markten. Zo is de privé-sector steeds meer actief in de gezondheidszorg, het onderwijs, de afvalverwerking, de militaire sector en uiteraard de transportsector, denken we maar aan de privatisering van de Britse spoorwegen.

Een industrieel beleid, die naam waardig, heeft Tony Blair nooit tot stand gebracht. Hij zette daarentegen het conservatieve fiscale beleid voort ten gunste van de bedrijfswinsten en de hoogste inkomens om investeringen aan te trekken. Om het internationaal spaarwezen en buitenlandse investeringen aan te trekken werd de rol van Londen als financieel centrum (de City) onder New Labour steeds versterkt.

Onder conservatief bewind werd in de jaren tachtig de maximale aanslagvoet voor de hoogste inkomens meer dan gehalveerd: van meer dan 80 procent naar 40 procent. New Labour heeft nooit iets gedaan om dit percentage te wijzigen. Het basistarief werd van 23 tot 20 procent verlaagd, terwijl de vennootschapsbelasting omlaag ging van 33 naar 28 procent. De belasting op kapitaalwinsten bleef onder New Labour ongewijzigd.

Wat het sociaal beleid van New Labour betreft, schrijven de auteurs de stijging van de werkgelegenheidsgraad vooral toe aan het behoud van een lage sociale bescherming van de loontrekkenden en aan de steeds grotere flexibiliteit waaraan ze worden onderworpen. De inkomensongelijkheid is in het VK groter dan in de andere Europese landen en nam in de loop der jaren voortdurend toe. Verwacht wordt dat 39 procent van de Britten die nu tussen 50 en 65 jaar oud zijn, een pensioen zullen trekken dat onder de armoedegrens zal liggen.

Patrick Artus en Alexis Garatti gaan ervan uit dat het Britse economische model de komende jaren veel van zijn glans zal verliezen. Ze schrijven dat in de eerste plaats toe aan de te grote blootstelling aan de financiële activiteiten die niet altijd even betrouwbaar zijn, zoals de huidige crisis heeft bewezen. Precies die crisis tast de aantrekkelijkheid van de City aan, waardoor minder kapitaal naar het VK vloeit. Dat leidt tot een ontwaarding van het pond sterling, waardoor de ingevoerde verwerkte producten duurder worden en het levenspeil omlaag gaat. Die toenemende afhankelijkheid van ingevoerde verwerkte producten is een gevolg van de verwaarlozing van de industrie, een tweede oorzaak van de ineenstorting van het Britse model. Ten slotte is er de te snelle ontwikkeling van de kredietverlening.

De auteurs eindigen hun goed gedocumenteerde analyse van het Britse model met een retorische vraag. Als alle elementen die de kracht van het Britse model waarborgden (flexibiliteit, lage – officiële- werkloosheid, zwakke rol van de staat, sterke munt, versterking van de financiële diensten, aantrekkelijkheid voor buitenlands kapitaal, rendabiliteit van de vastgoedsector enz.) plots verdwijnen, hoe zal de Britse openbare opinie dan nog langer de nadelen van dit model (ongelijkheid, armoede, achteruitgang van de openbare diensten enz.) blijven aanvaarden?

(Uitpers nr. 121, 11de jg., juni 2010)

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=9620323&refsource=uitpers